Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:4202

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-10-2014
Datum publicatie
14-10-2014
Zaaknummer
23-004939-13
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:744, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

pogingen doodslag, voorbedachte raad kan niet worden bewezen, gevangenisstraf 18 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-004939-13

datum uitspraak: 14 oktober 2014

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 oktober 2013 in de strafzaak onder parketnummer 13-676274-12 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

[adres]

thans gedetineerd in [detentiecentrum]

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 6 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 29 en 30 september 2014, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1.

primair

hij op of omstreeks 26 maart 2012 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer a] van het leven te beroven, met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg)

met een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, een kogel in/door

het hoofd van voornoemde [slachtoffer a] heeft geschoten/afgevuurd,

althans voornoemde [slachtoffer a] met een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op/tegen het hoofd heeft geslagen en/of met dat vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, een slaande beweging naar en/of in de richting van het hoofd van voornoemde [slachtoffer a] heeft gemaakt, waardoor/waarna voornoemd vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, is afgegaan, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer a] door een kogel in het hoofd werd getroffen.

1.

subsidiair

hij op of omstreeks 26 maart 2012 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, aan [slachtoffer a] opzettelijk (en met voorbedachten rade) zwaar lichamelijk letsel (een schotwond in het hoofd en/of bij klinisch evidente neurologisch uitval passend letsel van de hersenen op de plaats/regio van de schotwond), heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer a] met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg) met een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in het hoofd te schieten,

althans door met een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, gericht op

[slachtoffer a] te schieten waardoor/waarbij voornoemde [slachtoffer a] door een kogel in het hoofd werd getroffen

althans door voornoemde [slachtoffer a] met een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op/tegen het hoofd te slaan en/of met dat vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, een slaande beweging naar en/of in de richting van het hoofd van voornoemde

[slachtoffer a] te maken, waardoor/waarna voornoemd vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, is afgegaan, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer a] door een kogel in het hoofd werd getroffen.

2.

hij op of omstreeks 26 maart 2012 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer b] (als brigadier werkzaam bij regiopolitie Amsterdam-Amstelland) van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg), met een vuurwapen eenmaal of meermalen (gericht) op, althans naar en/of in de richting van, voornoemde [slachtoffer b] heeft geschoten.

hij op of omstreeks 26 maart 2012 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer c] en/of

[slachtoffer d] (als hoofdagent(en) werkzaam bij regiopolitie Amsterdam-Amstelland) van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (en na kalm beraad en rustig

overleg), met een vuurwapen eenmaal of meermalen (gericht) op, althans naar en/of in de richting van, voornoemde [slachtoffer c] en/of [slachtoffer d] heeft geschoten.

4.

hij op of omstreeks 26 maart 2012 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer e] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een vuurwapen eenmaal of meermalen naar en/of in de richting van voornoemde [slachtoffer e] heeft geschoten.

5.

hij op of omstreeks 26 maart 2012 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk Pietro Beretta), hetwelk bestemd of geschikt is om weerloosmakende of traanverwekkende stoffen door een loop af te schieten en/of waarvan de werking berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing en/of munitie van categorie III, te weten zeven, in elk geval een of meer, (scherpe) patro(o)n(en), voorhanden heeft gehad.

6.

hij op of omstreeks 24 maart 2012 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer f] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer f] dreigend de woorden toegevoegd: “Wil je soms dat ik je schade toebreng” en/of “Ik kom terug voor jou”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of daarbij zijn, verdachte’s, hand onder zijn jas deed naar zijn rechterheup alsof hij, verdachte, een (vuur)wapen wilde/zou pakken, althans een beweging maakte van gelijke (dreigende) aard of strekking.

7.

hij op of omstreeks 24 maart 2012 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer f], in het openbaar heeft beledigd, door voornoemde [slachtoffer f] in het gezicht te spugen, althans ten aanzien van voornoemde [slachtoffer f] een feitelijkheid heeft verricht van gelijke beledigende aard en/of strekking.

8.

hij op of omstreeks 26 maart 2012 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer f] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer f] dreigend de woorden toegevoegd: “Ik ga je in je hoofd schieten als je naar me blijft vragen”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat wettig en overtuigend kan worden bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair (poging moord), 2 (poging moord), 3 (poging moord), 4 (poging doodslag), 5, 7 en 8 is ten laste gelegd. Ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde dient de verdachte niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn hoger beroep.

Standpunt verdediging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit (pleitnota nr. 260) de verdachte:

a. vrij te spreken van feit 1 primair ‘eerste’, omdat niet kan worden bewezen dat bij

[verdachte] sprake was van kalm beraad en rustig overleg en bovendien de opzet op de

dood ontbrak;

vrij te spreken van feit 1 primair ‘tweede’, omdat geen sprake was van opzet op de dood

nu [verdachte] de trekker niet heeft over willen halen; mocht toch bewezen kunnen worden

dat [verdachte] de trekker heeft over willen halen, verzoekt de verdediging het Gerechtshof

om [verdachte] te ontslaan van alle rechtsvervolging wegens (putatief) noodweer dan wel

(putatief) noodweerexces;

vrij te spreken van feit 1 subsidiair ‘eerste’, omdat niet kan worden bewezen dat bij

[verdachte] sprake was van kalm beraad en rustig overleg;

vrij te spreken van feit 1 subsidiair ‘tweede’, omdat niet kan worden bewezen dat

[verdachte] geschoten heeft; als dit wel kan worden bewezen, verzoekt de verdediging het

Gerechtshof om [verdachte] te ontslaan van alle rechtsvervolging wegens (putatief)

noodweer dan wel (putatief) noodweerexces;

te ontslaan van alle rechtsvervolging ten aanzien van feit 1 subsidiair ‘derde’, omdat

sprake was van (putatief) noodweer dan wel (putatief) noodweerexces;

te ontslaan van alle rechtsvervolging ten aanzien van feit 2, omdat sprake was van

(putatief) noodweer;

te ontslaan van alle rechtsvervolging ten aanzien van feit 3, omdat sprake was van

(putatief) noodweerexces;

vrij te spreken van feit 4, nu de opzet dan wel voorwaardelijk opzet niet bewezen kan

worden;

  1. te veroordelen voor feit 5;

  2. vrij te spreken van feit 6, nu het ten laste gelegde niet bewezen kan worden; subsidiair

[verdachte] te veroordelen omdat hij “ik breng je schade toe” zou hebben gezegd;

te veroordelen voor feit 7; en

vrij te spreken van feit 8, nu het ten laste gelegde niet bewezen kan worden.

Vrijspraak (feit 7)

Nu uit de verklaringen van [slachtoffer f] (G1-G3) en [getuige g] (G52-G54) blijkt dat de verdachte op de pet van [slachtoffer f] heeft gespuugd en niet in het gezicht kan het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. Het hof zal derhalve de verdachte vrijspreken van hetgeen hem onder 7 ten laste is gelegd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3, 4, 5 en 8 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Ten aanzien van het onder feit 1 primair ten laste gelegde:

hij op 26 maart 2012 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer a] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen, een kogel door het hoofd van voornoemde [slachtoffer a] heeft geschoten.

Ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde:

hij op 26 maart 2012 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer b] (als brigadier werkzaam bij regiopolitie Amsterdam-Amstelland) van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen meermalen in de richting van voornoemde [slachtoffer b] heeft geschoten.

Ten aanzien van het onder feit 3 ten laste gelegde:

hij op 26 maart 2012 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer c] en [slachtoffer d] (als hoofdagenten werkzaam bij regiopolitie Amsterdam-Amstelland) van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen meermalen in de richting van voornoemde [slachtoffer c] en [slachtoffer d] heeft geschoten.

Ten aanzien van het onder feit 4 ten laste gelegde:

hij op 26 maart 2012 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer e] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen in de richting van voornoemde [slachtoffer e] heeft geschoten.

Ten aanzien van het onder feit 5 ten laste gelegde:

hij op 26 maart 2012 te Amsterdam, een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk Pietro Beretta), waarvan de werking berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing en munitie van categorie III, te weten zeven, (scherpe) patronen, voorhanden heeft gehad.

Ten aanzien van het onder feit 8 ten laste gelegde:

hij op 26 maart 2012 te Amsterdam [slachtoffer f] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer f] dreigend de woorden toegevoegd: “Ik ga je in je hoofd schieten als je naar me blijft vragen”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Hetgeen onder 1 primair, 2, 3, 4, 5 en 8 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Gevoerde verweren

poging doodslag [slachtoffer a] (feit 1 primair)

De raadsman heeft bij pleidooi aangevoerd dat ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde bij de verdachte geen sprake was van voorbedachte raad en dat er evenmin sprake was van opzet op de dood.

Het hof overweegt het volgende.

Vast staat dat de verdachte een vuurwapen bij zich had, dat hij [slachtoffer a] meerdere malen bedreigend heeft gemaand naar zijn café terug te keren en dat hij [slachtoffer a], toen deze daaraan geen gehoor gaf gericht heeft beschoten. Naar het oordeel van het hof is in onvoldoende mate sprake van objectieve aanwijzingen dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad zich gedurende enige tijd te beraden op het te nemen of het genomen besluit. Evenmin kan worden uitgesloten dat de verdachte handelde vanuit een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Derhalve kan niet wettig en overtuigend worden vastgesteld dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Op grond van de stukken in het dossier acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte, van zeer dichtbij, gericht op het hoofd van [slachtoffer a] heeft geschoten. Het hof is derhalve van oordeel dat de verdachte het opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer a].

Het hof komt voor feit 1 dan ook tot een bewezenverklaring van poging doodslag.

poging doodslag [slachtoffer b], [slachtoffer c] en [slachtoffer d] (feiten 2 en 3)

Uit de feiten en omstandigheden die vooraf zijn gegaan aan het door de verdachte beschieten van zowel [slachtoffer b] als [slachtoffer c] en [slachtoffer d] kan evenmin worden vastgesteld dat sprake is van voorbedachte raad.

Ook in deze gevallen ontbreken de objectieve aanwijzingen waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit. Dat meerdere getuigen hebben verklaard dat het voor hen evident was dat de verdachte met politieagenten van doen had en het vermoeden van de verdachte dat vroeg of laat de politie achter hem aan zou komen, zijn daarvoor onvoldoende. Dat de verdachte door meerdere getuigen op verschillende momenten als rustig en kalm wordt omschreven geeft weliswaar een indicatie voor zijn gemoedstoestand maar is ontoereikend om tot de conclusie te komen dat hij niet vanuit een ogenblikkelijke gemoedsopwelling handelde.

Derhalve kan ook in deze gevallen niet wettig en overtuigend worden vastgesteld dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven en komt het hof ook ten aanzien van het onder 2 en 3 ten laste gelegde tot bewezenverklaring van poging doodslag.

poging doodslag [slachtoffer e] (feit 4)

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte geen voorwaardelijk opzet had op de dood van [slachtoffer e]. Het effect van de kogel (die totaal ergens anders terecht is gekomen dan waar de verdachte op richtte) is domme pech en een ongeluk, aldus de raadsman.

Het hof overweegt dat uit de stukken in het dossier kan worden afgeleid dat de verdachte meerdere kogels in de richting van een drukke verkeersweg heeft geschoten. Immers, de schootsrichting van de verdachte was vanaf de bushalte over de openbare weg van de Bijlmerdreef (forensisch onderzoek, F048). Het hof is van oordeel dat de verdachte, door onder deze omstandigheden meerdere malen met een vuurwapen te schieten, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij verkeersdeelnemers, waaronder [slachtoffer e], met (een van) de afgevuurde kogels dodelijk zou raken. Het hof acht bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer e] en verwerpt derhalve het verweer.

bedreiging [slachtoffer f] (feit 8)

De raadsman heeft bij pleidooi aangevoerd dat [getuige h] en [slachtoffer f] hun verklaringen onderling hebben afgestemd.

Het hof verwerpt dit verweer nu de raadsman deze stelling niet nader heeft onderbouwd en het dossier naar het oordeel van het hof daarvoor ook overigens geen aanwijzingen bevat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Gevoerde verweren

(putatief) noodweer (feit 1)

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde een beroep op (putatief) noodweer toekomt en heeft daartoe -kortgezegd- aangevoerd dat de verdachte in het nauw gedreven was, dat hij door zijn pas te versnellen en waarschuwingen te geven tevergeefs had gepoogd de dreiging af te wenden, dat [slachtoffer a] en zijn vrienden een overmacht vormden, dat verdachte’s trage denktrant werd beïnvloed door plotselinge gedachten aan een noodlottige situatie in [geboorteland] en dat verdachte het recht had zichzelf te verdedigen (pleitnota nr. 28).

Naar het oordeel van het hof kunnen de feiten en omstandigheden zoals door de verdediging zijn aangevoerd een beroep op noodweer niet rechtvaardigen zodat alleen om die reden al het beroep dient te worden verworpen. Ten overvloede overweegt het hof dat de door de raadsman gestelde noodweersituatie geen steun vindt in het dossier

Voor een beroep op putatief noodweer moet aannemelijk worden gemaakt dat de verdachte abusievelijk in de veronderstelling leefde dat hij zich moest dan wel mocht verdedigen. Naar het oordeel van het hof is door de verdediging onvoldoende onderbouwd welke feiten en omstandigheden bij de verdachte hebben geleid tot een verontschuldigbare dwaling die ertoe zou hebben geleid dat de verdachte meende zich te moeten verdedigen door met een vuurwapen te schieten. De enkele vrees van de verdachte dat [slachtoffer a] hem zou aanvallen levert, zelfs de voorgeschiedenis in [geboorteland] in aanmerking genomen, nog geen verontschuldigbare dwaling op. Het subsidiaire verweer strekkende tot een beroep op putatief noodweer wordt dan ook door het hof verworpen.

(putatief) noodweer (feiten 2 en 3)

Voorts heeft de raadsman bepleit dat de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten de verdachte niet kwalijk kunnen worden genomen, omdat hij dacht dat de schutter(s) (één van) de belagers was/waren. Volgens de raadsman is er sprake van noodweer dan wel putatief noodweer vanwege een persoonsverwisseling (pleitnota nr. 155).

Het hof overweegt daartoe als volgt.

Het beroep van de raadsman op noodweer ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde is gebaseerd op de stelling dat [slachtoffer b] als eerste heeft geschoten en dat verdachte uit verdediging heeft teruggeschoten. Ook aan het beroep op putatief noodweer ligt deze stelling ten grondslag. Door de raadsman is niet nader onderbouwd waarom bij de verdachte sprake was van een verschoonbare dwaling. Nu uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte als eerste heeft geschoten behoeven deze verweren geen nadere bespreking.

Voor zover de raadsman heeft beoogd ook ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde een beroep op (putatief) noodweer te doen is niet onderbouwd welke feiten en omstandigheden door de verdediging aan dit verweer ten grondslag zijn gelegd. Een verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Den Haag is daarvoor onvoldoende.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder

1

primair, 2, 3, 4, 5 en 8 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

het onder 1 primair, 2 en 4 bewezen verklaarde levert op:

telkens: poging tot doodslag.

het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

het onder 5 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

het onder 8 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Strafbaarheid van de verdachte

Gevoerde verweren

(putatief) noodweerexces (feiten 1 primair en 3)

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte ten aanzien van het onder 1 (primair) en 3 ten laste gelegde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens (putatief) noodweerexces.

Zoals hierboven onder de strafbaarheid van het bewezenverklaarde is overwogen faalt naar het oordeel van het hof een beroep op noodweer. Reeds op die grond faalt ook het beroep op noodweerexces. Daarnaast is het subsidiaire verweer strekkende tot een beroep op putatief noodweerexces onvoldoende onderbouwd en behoeft dit derhalve geen nadere bespreking.

Dat het denktempo van de verdachte enigszins beperkt is, zoals door de raadsman naar voren is gebracht, is een factor die meeweegt bij de oplegging van de straf, maar niet bij de vraag of de verdachte om die reden een beroep op (putatief) noodweer(exces) toekomt.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 primair, 2, 3, 4, 5 en 8 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregelen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder 1 primair, 2, 3, 4, 5, 7 en 8 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank beslissingen genomen ten aanzien van de benadeelde partijen. Ten aanzien van de in beslag genomen agenda heeft de rechtbank beslist tot teruggave aan de verdachte.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van het onder 1 primair, 2, 3, 4, 5, 7 en 8 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen en maatregelen als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregelen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich op 26 maart 2012 schuldig gemaakt aan een reeks ernstige misdrijven, te weten vijf pogingen tot doodslag. Verdachte heeft daarbij gebruik gemaakt van een vuurwapen. Voorafgaand aan deze schietpartij heeft verdachte iemand bedreigd.

Met de rechtbank overweegt het hof het volgende. Verdachte droeg op 26 maart 2012 een vuurwapen in zijn broeksband. Toen [slachtoffer a] verdachte wilde aanspreken op zijn gedrag in café De Brandhoek, heeft verdachte het vuurwapen tevoorschijn gehaald, op [slachtoffer a] gericht en op korte afstand een kogel afgevuurd op het hoofd van [slachtoffer a]. Deze kogel heeft zich aan de zijkant verticaal door het hoofd van [slachtoffer a] geboord, waardoor hij zwaar gewond is geraakt. [slachtoffer a] is ternauwernood aan de dood ontsnapt. Daarna is de verdachte verder gelopen en heeft hij vervolgens politieambtenaar [slachtoffer b], die hem wilde aanhouden, beschoten. Daarbij heeft hij ook de auto van [slachtoffer e], die voor het verkeerslicht stond te wachten, in het bestuurdersportier geraakt. Vervolgens is verdachte verder weggelopen en uiteindelijk op zijn vlucht terechtgekomen in een binnentuin waar hij werd benaderd door politieambtenaren [slachtoffer c] en [slachtoffer d]. Ook op hen heeft verdachte onmiddellijk het vuur geopend. Een door verdachte afgevuurde kogel heeft [slachtoffer c] midden in zijn voorhoofd geraakt, waardoor [slachtoffer c] een kogelverwonding aan zijn voorhoofd heeft opgelopen.

De agenten hebben doodsangsten uitgestaan, terwijl zij hun werk deden. De beschrijving door de politieambtenaren [slachtoffer b], [slachtoffer c] en [slachtoffer d] van hun vuurgevecht met verdachte laat zien in welke kwetsbare positie zij zich toen hebben bevonden. Zij zijn met gevaar voor eigen leven achter verdachte aangegaan en het mag een wonder heten dat zij allen de confrontatie met verdachte hebben overleefd. Het is op geen enkele wijze aan verdachte te danken dat de slachtoffers niet om het leven zijn gekomen.

Blijkens hun schriftelijke slachtofferverklaringen hebben de gebeurtenissen een grote impact gehad op het leven van [slachtoffer a], [slachtoffer b], [slachtoffer c] en [slachtoffer d].

[slachtoffer a] heeft zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Hij heeft tien dagen in coma gelegen. Aanvankelijk werd verwacht dat hij niet meer zou kunnen spreken of lopen. De rechterzijde van zijn lichaam was verlamd. Na maanden van revalidatie en enkele operaties aan zijn schedel heeft hij nog steeds weinig kracht in zijn rechterarm en hand waardoor hij deze slechts beperkt kan gebruiken. Ook lopen is erg moeilijk. Zijn spraak is ernstig aangetast geweest. Inmiddels kan hij zich met enige moeite verstaanbaar maken. Sinds het incident lijdt hij aan epileptische aanvallen waarvoor hij met medicijnen behandeld moet worden. Ook voor zijn gezin heeft het gebeuren grote gevolgen gehad. Het incident heeft het leven van [slachtoffer a] verwoest, zo heeft hij verklaard. Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat [slachtoffer a] medisch gezien geen vorderingen heeft geboekt en dat zijn situatie vrijwel gelijk is gebleven.

Ook op de agenten [slachtoffer b], [slachtoffer c] en [slachtoffer d] heeft het schieten door verdachte, zowel in hun werk als privé, grote gevolgen gehad. Zij kampen nog steeds met de psychische gevolgen van de gebeurtenissen. Uit de verklaring van [slachtoffer c] ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat het incident hem nog dagelijks bezig houdt. Het heeft hem angstig gemaakt. Iedere dag wordt hij eraan herinnerd door het zichtbare litteken op zijn voorhoofd.

Bij alle slachtoffers heerst nog steeds een gevoel van verbijstering over het nietsontziende

gedrag van verdachte.

Daarnaast zijn ook omstanders op het Bijlmerplein, de Bijlmerdreef en omwonenden aan de Kneppelweg met de drie schietincidenten geconfronteerd. De feiten hebben zich voorgedaan midden op de dag en midden in Amsterdam Zuidoost. Daardoor is een zeer risicovolle situatie ontstaan en heeft verdachte ook de levens van bewoners en toevallige voorbijgangers in gevaar gebracht. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat dergelijke gewelddadige feiten die zich op straat en in een woonwijk afspelen, leiden tot maatschappelijke onrust en gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.

Voorts is strafverzwarend dat drie van de door verdachte gepleegde pogingen tot doodslag gericht waren tegen politieambtenaren. De uitoefening van het beroep van politieagent brengt risico’s met zich. De maatschappij verwacht van politieagenten dat zij onmiddellijk optreden indien zich, zoals in het onderhavige geval, een acuut gevaarlijke situatie voordoet. Politieagenten verdienen dan ook bijzondere bescherming indien zij bij de uitoefening van hun functie slachtoffer worden van geweld. Naar het oordeel van het hof dient daartegen krachtig te worden opgetreden door forse straffen op te leggen.

Het hof houdt voorts rekening met de conclusie geformuleerd in het Pro Justitia psychologisch onderzoek van 20 juli 2012. Daarin heeft klinisch psycholoog M.G.H. van Willigenburg geadviseerd de verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen voor de ten laste gelegde feiten. Zij oordeelt dat het trager-dan-gemiddelde denk-, werk- en schakeltempo, wat kenmerkend is voor de zwakke intelligentie van de verdachte, in lichte mate zijn gedragskeuzes ten tijde van het ten laste gelegde heeft bepaald. Het hof volgt de psycholoog in haar advies.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 15 september 2014 is de verdachte niet eerder met justitie in Nederland in aanraking gekomen. Uit informatie naar aanleiding van het rechtshulpverzoek aan [geboorteland] is gebleken dat verdachte in 2003 in [geboorteland] is veroordeeld ter zake van zware mishandeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren. Verdachte heeft deze straf uitgezeten (proces-verbaal van 9 juni 2012 opgemaakt door majoor van politie te [geboorteland], A196-197).

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

In beslag genomen voorwerpen

De hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar de door de verdachte begane feiten aangetroffen.

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte afstand gedaan van deze goederen. Om die reden heeft de rechtbank geen uitspraak gedaan over het beslag.

Ingevolge artikel 116 van het Wetboek van Strafvordering kan de verdachte alleen afstand doen van de in beslag genomen voorwerpen door een schriftelijke verklaring af te leggen ten overstaan van de rechter-commissaris, de officier van justitie of een opsporingsambtenaar. Dit betekent dat de verdachte geen afstand van deze voorwerpen kan doen ter terechtzitting. Derhalve zal het hof een beslissing nemen over de in beslag genomen voorwerpen.

Het hof zal gelasten dat het kogelpunt/schotresten (4272369), met behulp van welke het feit is begaan, zal worden onttrokken aan het verkeer aangezien kan worden vastgesteld dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

Het hof zal beslissen dat de agenda aan de verdachte dient te worden teruggegeven. Ten aanzien van de overige voorwerpen zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer a]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 94.495,91, bestaande uit € 34.495,91 aan materiële schade en

€ 60.000 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 63.928,30. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks materiële en immateriële schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de schadepost ‘kleding en schoenen’ geheel voor toewijzing in aanmerking komt. Daarnaast acht het hof toekenning van immateriële schade van € 50.000 billijk in de onderhavige zaak.

Evenals de rechtbank stelt het hof de advocaatkosten vast op een bedrag van € 1.788 (2 punten x € 894). Daarbij is dezelfde maatstaf gehanteerd als in civiele procedures.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer b]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 4.000,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer d]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 4.000,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer c]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 8.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 7.000,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36d, 36f, 45, 57, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 6 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 7 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3, 4, 5 en 8 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2, 3, 4, 5 en 8 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een kogelpunt/schotresten (4272369).

Gelast de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een agenda (4277962).

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

  • -

    een glas

  • -

    1 glas en 1 fles uit rood krat onder bar (4267177 en 4267178)

  • -

    zwart schoeisel (4267576)

  • -

    een wit shirt (4267580)

  • -

    zwart schoeisel (4267589)

  • -

    een wit shirt (4267596)

  • -

    2 zwarte sokken (4267598)

  • -

    1 blauwe broek (4267601)

  • -

    groen ondergoed (4267602)

  • -

    een zwarte jas (4267618)

  • -

    een doos van Beretta (4277992).

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer a]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer a] ter zake van het onder

1

primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 76.434,51 (zesenzeventigduizend vierhonderdvierendertig euro en eenenvijftig cent) bestaande uit € 26.434,51 (zesentwintigduizend vierhonderdvierendertig euro en eenenvijftig cent) materiële schade en € 50.000,00 (vijftigduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedragen aan materiële- en immateriële schadevergoeding vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[slachtoffer a], een bedrag te betalen van € 76.434,51 (zesenzeventigduizend vierhonderdvierendertig euro en eenenvijftig cent) bestaande uit € 26.434,51 (zesentwintigduizend vierhonderdvierendertig euro en eenenvijftig cent) materiële schade en € 50.000,00 (vijftigduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichtingen ter zake van de materiële- en immateriële schade vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer b]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer b] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[slachtoffer b], een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer d]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer d] ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[slachtoffer d], een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer c]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer c]ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 8.000,00 (achtduizend euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer c], een bedrag te betalen van € 8.000,00 (achtduizend euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D. Radder, mr. M.J.G.B. Heutink en mr. M.F.J.M. de Werd, in tegenwoordigheid van

mr. J. Ineke, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 14 oktober 2014.