Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:4131

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-10-2014
Datum publicatie
17-11-2014
Zaaknummer
200.106.034-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onstslag op staande voet thuisknippende zieke kapper

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2014/863
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.106.034/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : CV 10-34223

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 7 oktober 2014

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. J.R.R. Oevering te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 11 april 2012 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam (hierna: de kantonrechter), van 23 januari 2012, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met productie;

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en

- uitvoerbaar bij voorraad - alsnog zijn in eerste aanleg ingestelde vordering zal toewijzen, met vaststelling van het moment van beëindiging van de arbeidsrelatie tussen partijen op 4 maart 2009, dan wel een in goede justitie vast te stellen moment, met beslissing over de proceskosten.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot verwerping van het hoger beroep, met beslissing over de proceskosten.

[appellant] heeft in hoger beroep bewijs van zijn stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het in deze zaak gewezen tussenvonnis van 7 maart 2011 onder 1 sub 1.1 tot en met 1.8 een aantal feiten vastgesteld. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1

Het gaat in deze zaak om het volgende.

a. Op 1 augustus 2000 is [appellant] als kapper in dienst getreden bij beautysalon George (hierna: de kapperszaak) te Amsterdam die door [geïntimeerde] wordt gedreven.

b. In maart 2008 is een conflict tussen partijen ontstaan en [appellant] heeft zich vervolgens ziek gemeld.

c. Bij vonnis in kort geding van de kantonrechter te Amsterdam van 9 juni 2008 is [geïntimeerde] veroordeeld het salaris van [appellant] vanaf 1 maart 2008 door te betalen tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd.

d. Op 15 juni 2008 heeft in de kapperszaak van [geïntimeerde] tussen [appellant] en [geïntimeerde] een bespreking plaatsgevonden naar aanleiding van het onder c genoemde vonnis, welke bespreking echter niet tot een werkhervatting van [appellant] heeft geleid.

e. Bij brief van 30 juni 2008 is [appellant] namens [geïntimeerde] meegedeeld dat hij de woensdag daarop om 09.30 uur weer op het werk werd verwacht. Tevens is hem meegedeeld dat [geïntimeerde] van klanten had vernomen dat [appellant] hen benaderde om hen thuis te knippen, dat hij dit ook daadwerkelijk deed en dat dit niet was toegestaan. Daarbij is hem gesommeerd dit na te laten en te kennen gegeven dat bij de eerste constatering dat hij aan die sommatie geen gevolg geeft ontslag op staande voet zal volgen en dat dit ook geldt bij de constatering dat [appellant] (voormalige) klanten van [geïntimeerde] buiten werktijd blijft knippen.

f. Bij brief van 8 juli 2008 is namens [geïntimeerde] aan de toenmalige gemachtigde van [appellant] meegedeeld, voor zover hier van belang:

“Uw cliënt heeft zich voor zijn werkzaamheden ziek gemeld. Cliënt heeft evenwel moeten constateren dat hij zaterdag 5 juli 2008 om 11.30 uur op een andere locatie gewerkt heeft en de zoon van een voormalige klant van cliënt heeft geknipt. (…) Uw cliënt heeft zich dus ten onrechte ziek gemeld en was ongeoorloofd [af]wezig hetgeen een dringende reden oplevert om tot beëindiging van het dienstverband over te gaan. Uw cliënt is dan ook bij de bijgaande brief op staande voet ontslagen. Op zich is dit voor het gegeven ontslag voldoende reden, zo meent cliënt. Voor het geval uw cliënt meent dat dit anders is maakt cliënt er melding van dat ook het feit dat uw cliënt klanten van cliënt heeft benaderd om door hem te worden geknipt een dringende reden voor het gegeven ontslag oplevert. (…).”

g. Bij brief van 14 juli 2008 heeft de toenmalige gemachtigde van [appellant] aan de toenmalige gemachtigde van [geïntimeerde] meegedeeld, voor zover hier van belang:

“Cliënt betwist uitdrukkelijk dat hij op dit moment werkzaamheden elders uitvoert (…). Sterker nog cliënt is onder doktersbehandeling en is niet in staat werkzaamheden uit te voeren. Cliënt kan zich derhalve met het ontslag op staande voet niet verenigen en protesteert middels deze brief tegen de genomen maatregel. (…).”

h. Bij kort geding vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 2 juni 2010 is de executie van de loonvordering op basis van het vonnis van 9 juni 2008 vanaf 8 juli 2008 opgeschort.

3.2

In eerste aanleg heeft [appellant] een verklaring voor recht gevorderd dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen nog van kracht is en heeft hij loonvorderingen, met nevenvorderingen ingesteld. Na bewijslevering heeft de kantonrechter de vorderingen bij het vonnis waarvan beroep afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat op grond van de in het vonnis genoemde getuigenverklaringen vast is komen te staan dat [appellant], na zijn ziekmelding bij [geïntimeerde], werkzaamheden heeft verricht en dat hij daarbij onder andere één klant van [geïntimeerde] heeft geknipt, hetgeen het ontslag op staande voet rechtvaardigt. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met zijn grieven op.

3.3

De grieven 1 tot en met 4 richten zich tegen de bewijswaardering door de kantonrechter.

3.4

Met grief 1 betoogt [appellant] dat tussen de getuigenverklaring van [A] en diens schriftelijke verklaring tegenstrijdigheden zitten, hetgeen die getuigenverklaring onbetrouwbaar maakt, zodat die niet in het nadeel van [appellant] mag worden uitgelegd. Grief 2 bouwt daarop voort en daarin betoogt [appellant] dat [geïntimeerde] heeft getracht op kunstmatige wijze een grond voor het ontslag op staande voet te creëren, omdat [geïntimeerde] [A] heeft gevraagd [appellant] te benaderen voor een knipbeurt (van zijn zoon) en [geïntimeerde] bovendien nog een aantal vrienden van hem ter plaatste observaties heeft laten verrichten. [geïntimeerde] heeft voor [appellant] een situatie gecreëerd waarbij hij onder druk werd gezet, onder welke druk hij is gezwicht, waardoor dit niet als een geldige grond kan gelden voor ontslag op staande voet. Grief 4 klaagt er in dat verband nog over dat de kantonrechter ten onrechte de verklaring van de getuige [B] terzijde heeft gelegd, die als bemiddelaar zou hebben opgetreden bij de totstandkoming van een afspraak tussen [A] en [appellant].

3.5

Deze grieven 1, 2 en 4 falen. Kern in zowel de getuigenverklaring als de schriftelijke verklaring van [A] is dat [appellant] diens zoontje privé thuis heeft geknipt op een moment dat [appellant] zich ziek had gemeld bij [geïntimeerde]. Dit wordt door [appellant] niet betwist. De door [appellant] gestelde wijze van totstandkoming van de bewuste afspraak voert niet tot de conclusie dat het ontslag op staande voet onterecht is gegeven of nietig is. Het stond [geïntimeerde] in het licht van de meldingen die hem hadden bereikt dat [appellant] thuis klanten knipte vrij om [A] te vragen een afspraak voor een knipbeurt met [appellant] te maken en dit aldus geverifieerd te krijgen. Voor de beweerdelijke omstandigheid dat [geïntimeerde] een of meer personen naar het huis van [appellant] heeft gestuurd om te observeren geldt hetzelfde, mede in aanmerking genomen dat niet is gesteld of gebleken dat deze observanten meer dan incidenteel observaties hebben verricht en zich elders dan in de openbare ruimte hebben opgehouden. Dat [appellant] door het verzoek van [A] onder ongeoorloofde druk is gezet is naar het oordeel van het hof niet komen vast te staan. Niet onderbouwd is waarom [appellant] niet eenvoudigweg aan [A] had kunnen meedelen niet tot knippen over te kunnen gaan omdat hij op dat moment ziek thuis was en overigens geen klanten (in dit geval van [geïntimeerde]) thuis wenste te knippen. Dat zijn psychische kwetsbaarheid daaraan in de weg stond is niet aannemelijk gemaakt.

3.6

Grief 3 klaagt erover dat de kantonrechter de verklaringen van [appellant] en zijn moeder als onvoldoende betrouwbaar terzijde heeft gesteld. Deze grief faalt. Het hof verenigt zich met de beslissing en motivering van de kantonrechter om aan de desbetreffende verklaringen voorbij te gaan.

3.7

[appellant] wijst er op dat de kantonrechter kennelijk meer waarde heeft gehecht aan de verklaring van getuige [C], ondersteund door die van getuige [D], maar dat die verklaringen niet geloofwaardig en betrouwbaar zijn. Immers de verklaring van [C] dat een zekere [E] in (mei) 2008 door [appellant] in een huis in Amsterdam-Oost is geknipt wordt niet door een andere verklaring ondersteund en zijn verklaring dat hij tot 2010 door [appellant] (het hof begrijpt: thuis) is geknipt, waar hij door [D] werd heengebracht, wordt tegengesproken door de verklaring van [D] dat hij [C] tot Kerst 2008 naar [appellant] heeft gebracht, aldus [appellant].

3.8

Hierover merkt het hof op dat de omstandigheid dat een mededeling van een getuige niet wordt ondersteund door een ander bewijsmiddel niet meebrengt dat de verklaring van de getuige niet betrouwbaar is of terzijde moet worden gesteld. De verklaring van [D] sluit niet uit dat hij [C] tot in 2009 naar [appellant] heeft gebracht, hetgeen ook de strekking is van de verklaring van [C]. In elk geval duiden de desbetreffende uitlatingen niet op ongeloofwaardigheid of onbetrouwbaarheid van die verklaringen. Zij zijn ook overigens voldoende consistent en eenduidig, met name voor zover het betreft de uitlatingen van de genoemde getuigen dat [appellant] na zijn ziekmelding in maart 2008 [C] diverse malen heeft geknipt. [C] heeft bovendien verklaard dat hij bij zijn bezoeken aan [appellant] ook anderen tegenkwam die door [appellant] geknipt werden. Die verklaring wordt ondersteund door de verklaring van de getuige [F]. Niet gesteld of gebleken is dat bedoelde getuigen enig belang hadden bij het afleggen van een (onjuiste) verklaring. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat de verklaringen van [appellant] en diens moeder die daarmee in tegenspraak zijn, in dit verband onvoldoende betrouwbaar zijn en dat daaraan geen betekenis kan worden toegekend.

3.9

Met de kantonrechter is het hof ten slotte ook van oordeel dat met de verklaringen van de getuigen [G], [A], [C] en [F] het bewijs geleverd is dat [appellant] als kapper werkzaamheden heeft verricht gedurende de periode dat hij zich bij [geïntimeerde] ziek had gemeld, maar klaarblijkelijk niet verhinderd was de bedongen arbeid te verrichten. Het ontslag op staande voet is gelet op het voorgaande dan ook rechtsgeldig en de vorderingen van [appellant] zijn terecht afgewezen.

3.10

Dit brengt mee dat ook grief 5, die zich in algemene zin tegen de beslissing van de kantonrechter richt, faalt.

3.11

De slotsom is dat alle grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Voor bewijslevering is geen plaats omdat geen bewijs is aangeboden van concrete feiten en omstandigheden die - indien bewezen - tot een ander dan het voorgaande oordeel kunnen leiden. [appellant] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in appel.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

verwijst [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 299,- aan verschotten en € 894,- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.A.J. Dun, W.H.F.M. Cortenraad en J.E. Molenaar en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2014.