Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:4042

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-09-2014
Datum publicatie
03-10-2014
Zaaknummer
200.137.927-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geldlening of schenking? Betalingen gedaan tijdens later verbroken affectieve relatie. Bewijslast en bewijswaardering. Onrechtmatig verkregen bewijs. Tegenvordering wegens stelselmatige inbreuk op persoonlijke levenssfeer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2015-0042

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.137.927/01

zaaknummer rechtbank (Amsterdam) : 1325889 CV EXPL 12-5649

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 30 september 2014

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats 1],

appellant in het principaal beroep,

geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel beroep,

advocaat: mr. J.R.L. van Gasteren te Leusden,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats 2],

geïntimeerde in het principaal beroep,

appellante in het voorwaardelijk incidenteel beroep,

advocaat: mr. D.I.N. Levinson-Arps te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna respectievelijk [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 19 november 2013 in hoger beroep gekomen van drie vonnissen van de rechtbank Amsterdam, sector kanton onderscheidenlijk afdeling privaatrecht, locatie Amsterdam, hierna ‘de kantonrechter’, van 23 oktober 2012, 12 februari 2013 en 19 september 2013, in deze zaak onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen hem als eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie, en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie, tevens eiseres in reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven in het principaal beroep;

- memorie van antwoord in het principaal beroep, tevens memorie van grieven in het voorwaardelijk incidenteel beroep;

- memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel beroep.

[appellant] heeft geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof het bestreden vonnis van 19 september 2013 voor zover in conventie gewezen zal vernietigen, alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – zijn vordering in conventie zoals in eerste aanleg ingesteld zal toewijzen en, in het voorwaardelijk incidenteel beroep, het genoemde vonnis voor zover in reconventie gewezen zal bekrachtigen, met beslissing over de proceskosten.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd, kort gezegd, tot bekrachtiging van het bestreden vonnis van 19 september 2013 voor zover in conventie gewezen en, in het voorwaardelijk incidenteel beroep, tot vernietiging van dat vonnis en van de vonnissen van 23 oktober 2012 en 12 februari 2013 voor zover in reconventie gewezen alsmede tot alsnog toewijzing – uitvoerbaar bij voorraad – van haar vordering in reconventie zoals in eerste aanleg ingesteld, met beslissing over de proceskosten.

Partijen hebben bewijs van hun stellingen aangeboden.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

Tussen partijen staat, als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of niet voldoende betwist, het volgende vast.

a. Tussen partijen heeft een affectieve relatie bestaan. Deze heeft een aanvang genomen in 2009 en is in 2011 geëindigd. Tijdens hun relatie heeft [appellant] verschillende geldbedragen aan [geïntimeerde] betaald. Hiertoe behoren in ieder geval een bedrag van € 1.500,- in contanten en een bedrag van € 350,- dat is bijgeschreven op een bankrekening van [geïntimeerde]. [appellant] heeft voorts een contante betaling aan [geïntimeerde] gedaan van € 4.950,- (volgens [appellant]) of € 4.500,- (volgens [geïntimeerde]).

b. Op enig moment heeft [geïntimeerde] een bedrag in contanten van € 4.000,- (volgens [appellant]) of € 4.500,- (volgens [geïntimeerde]) terugbetaald aan [appellant]. Deze heeft [geïntimeerde] verzocht ook het restant van de hierboven genoemde bedragen aan hem terug te betalen. Daartoe heeft hij [geïntimeerde] bij herhaling verzocht hem € 2.800,- te betalen. [geïntimeerde] heeft dit niet gedaan, ook niet nadat zij door achtereenvolgens [appellant] en een door deze ingeschakelde rechtshulpverlener was aangemaand.

c. [geïntimeerde] heeft aanvankelijk aan [appellant] toegezegd dat zij het bedrag van € 2.800,- zou terugbetalen in juli 2010 en later dat zij dit zou doen in juli 2011. Bij e-mailbericht van 31 december 2011 heeft [geïntimeerde], verwijzend naar een eerder telefoongesprek, aan de rechtshulpverlener van [appellant] meegedeeld: ‘Ik had gezegd dat ik 100 euro kan betalen, maar [in] JUNI of JULI kan ik ook [het] hele bedrag betalen.’ Met ‘100 euro’ werd gedoeld op terugbetaling in termijnen van
€ 100,- per maand. [appellant] heeft noch hiermee, noch met terugbetaling ineens (niet eerder dan) in juni of juli 2012, ingestemd.

d. In september 2011 hebben partijen een gesprek gevoerd in de auto van [appellant], dat [appellant] buiten medeweten en zonder toestemming van [geïntimeerde] heeft opgenomen. Tijdens dit gesprek heeft [geïntimeerde] onder andere gezegd: ‘If you do not agree I was thinking ok that I can put officially on paper that I am going to pay you th[e]n if you can wait for my next belasting. (…) I know you already wait enough. (…) I swear I never want to keep it. (…) I am always thinking about how I can pay this guy. (…). I blame myself I had to pay you back then I can feel better and [live] my life. (…) [W]e are people we can make mistakes I know I already made a mistake. (…) [I]f it was somebody I don’t know it can never be so long already pay long time how or what. (…) [M]aybe [appellant] cannot trust me because I can put this on paper and I can make him sure that I am going to pay. (…)’

e. [appellant] heeft [geïntimeerde] een aantal malen bij haar thuis opgezocht, ook na het einde van de affectieve relatie tussen beiden. Hierbij heeft hij mondeling kenbaar gemaakt terugbetaling van het genoemde bedrag van € 2.800,- te verlangen.

3 Beoordeling

3.1.

Tegen de achtergrond van de hierboven weergegeven feiten heeft [appellant] – in conventie – de veroordeling van [geïntimeerde] gevorderd tot betaling aan hem van een hoofdsom van € 2.800,-, met nevenvorderingen. Hij heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd, kort gezegd en met verwijzing naar de onder 2.a en 2.b beschreven betalingen over en weer, dat hij dit bedrag – het hof begrijpt: per saldo – aan [geïntimeerde] heeft geleend en dat deze tot terugbetaling daarvan verplicht is. [geïntimeerde] heeft het bestaan van een dergelijke verplichting harerzijds betwist en hiertoe aangevoerd, kort gezegd, dat hetgeen [appellant] haar heeft betaald – het hof begrijpt: voor zover zij dit niet heeft terugbetaald – schenkingen betreft en dat het saldo daarvan bovendien minder is dan het door [appellant] gestelde bedrag van € 2.800,-.

3.2.

Bij het bestreden vonnis van 12 februari 2013 heeft de kantonrechter de door [appellant] gestelde geldlening tot laatstgenoemd bedrag voorshands bewezen geoordeeld en [geïntimeerde] toegelaten tot tegenbewijs. [geïntimeerde] heeft vervolgens drie getuigen doen horen: zichzelf, [X], een vriendin van [geïntimeerde], alsmede [Y], de onder 2.b en 2.c bedoelde rechtshulpverlener van [appellant]. [appellant] heeft geen getuigen in tegenverhoor doen horen. Bij het bestreden vonnis van 19 september 2013 heeft de kantonrechter op grond van de getuigenverklaringen van [geïntimeerde] en [X], in onderling verband, geoordeeld dat [geïntimeerde] in het van haar verlangde tegenbewijs is geslaagd. Hierop is de vordering van [appellant] afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in conventie.

3.3.

[geïntimeerde] heeft op haar beurt – in reconventie – de veroordeling van [appellant] gevorderd tot betaling aan haar van een hoofdsom van € 1.134,-, te vermeerderen met wettelijke rente. Zij heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd, kort gezegd en met verwijzing naar de onder 2.d en 2.e beschreven gedragingen van [appellant], dat [appellant] stelselmatig en hinderlijk inbreuk heeft gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer, dat hij daardoor onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld en dat zij als gevolg van dit onrechtmatige handelen immateriële schade heeft geleden, op grond waarvan zij stelt recht te hebben op schadevergoeding tot het gevorderde bedrag. [appellant] heeft het hem verweten onrechtmatige handelen betwist. Bij het bestreden vonnis van 12 februari 2013 heeft de kantonrechter de vordering van [geïntimeerde] niet toewijsbaar geoordeeld en bij het bestreden vonnis van 19 september 2013 is de vordering afgewezen.

3.4.

In het principaal beroep komt [appellant] met zes grieven op tegen de afwijzing van zijn onder 3.1 weergegeven vordering en tegen de overwegingen in het vonnis van 19 september 2013 waarop die afwijzing berust. In het voorwaardelijk incidenteel beroep richt [geïntimeerde] zich met tien grieven tegen overwegingen met betrekking tot de vordering van [appellant] in alle bestreden vonnissen alsmede tegen de afwijzing van haar eigen, onder 3.3 weergegeven, vordering bij het vonnis van 19 september 2013 en de hiertoe leidende overwegingen in het vonnis van 12 februari 2013. Het voorwaardelijk incidenteel beroep is ingesteld onder de voorwaarde dat ten minste één grief in het principaal beroep slaagt. Naar uit het volgende zal blijken is deze voorwaarde vervuld, zodat zowel het principaal beroep als het voorwaardelijk incidenteel beroep bespreking behoeft.

3.5.

De grieven 1 tot en met 4 in het principaal beroep en de grieven 1 tot en met 6, 8 en 10 in het voorwaardelijk incidenteel beroep stellen alle de vraag aan de orde of [geïntimeerde] op grond van een haar door [appellant] verstrekte geldlening verplicht is tot terugbetaling van € 2.800,- aan [appellant]. De grieven lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

3.6.

Tussen partijen staat vast dat [appellant] – op wie de bewijslast van de gestelde lening rust – aan [geïntimeerde] gelden heeft betaald en dat [geïntimeerde] deze slechts gedeeltelijk heeft terugbetaald, een en ander zoals onder 2.a en 2.b beschreven. Vast staat voorts dat [geïntimeerde] eerst aan [appellant] en vervolgens ook aan diens rechtshulpverlener toezeggingen heeft gedaan strekkend tot terugbetaling van hetgeen [appellant] haar had betaald en zij had behouden, een en ander zoals onder 2.c beschreven. Ten slotte staat vast dat [geïntimeerde] tijdens het door [appellant] opgenomen gesprek tussen partijen in september 2011 heeft verklaard zoals onder 2.d weergegeven, en dat zij daarbij onder andere heeft gezegd [appellant] te zullen betalen – ‘I am going to pay you’ (…) ‘I had to pay you back’ (…) ‘I can make him sure that I am going to pay’ – en dit laatste ook op papier te willen zetten. Voor de herhaalde toezeggingen door [geïntimeerde] tot terugbetaling en voor haar geciteerde verklaringen tijdens het gesprek in september 2011 bestaat uitsluitend aanleiding als de betalingen door [appellant] een geldlening betroffen, die [geïntimeerde] moest terugbetalen, en [geïntimeerde] zich hiervan ten volle bewust was respectievelijk de lening had aanvaard. De bedoelde toezeggingen en verklaringen wettigen daarom de gevolgtrekking dat [appellant] aan [geïntimeerde] een door deze terug te betalen geldlening heeft verstrekt.

3.7.

Aan die gevolgtrekking doet niet af hetgeen [geïntimeerde] – nadat haar gelegenheid tot tegenbewijs was gegeven – in eerste aanleg als getuige heeft verklaard. Daargelaten nog dat [geïntimeerde] een rechtstreeks belang heeft bij haar getuigenverklaring en dat deze daarom met behoedzaamheid moet worden gewaardeerd, rechtvaardigt haar verklaring niet dat zou worden aangenomen dat het bij de betalingen door [appellant] om iets anders is gegaan dan een geldlening. De verklaring van [geïntimeerde] tijdens het getuigenverhoor dat [appellant] haar de betrokken bedragen heeft gegeven – en dus niet geleend – is niet te rijmen met haar hierboven bedoelde toezeggingen en verklaringen, zodat daaraan wordt voorbijgegaan. Dit laatste geldt ook voor de verklaring van [geïntimeerde] dat [appellant] haar ‘regelmatig thuis [heeft] lastig gevallen’ en dat zij hierom, daarvan geschrokken, heeft gezegd hem te willen terugbetalen. Deze verklaring laat zich niet rijmen met – in ieder geval – het onder 2.c aangehaalde e-mailbericht van [geïntimeerde] aan de rechtshulpverlener van [appellant] en met de uitlatingen van [geïntimeerde] tijdens het onder 2.d aangehaalde gesprek, aangezien op geen enkele wijze blijkt dat het e-mailbericht en de uitlatingen van [geïntimeerde] tijdens het gesprek zijn tot stand gekomen doordat [appellant] [geïntimeerde] heeft lastig gevallen. Noch de getuige [X], aan wie [geïntimeerde] over de betalingen door [appellant] heeft verteld, noch de getuige [Y], die namens [appellant] met [geïntimeerde] heeft gesproken over terugbetaling, heeft ook maar iets verklaard dat daarop wijst. Voorts houdt de verklaring van de getuige [X] erop neerkomend dat [appellant] bepaalde bedragen aan [geïntimeerde] heeft gegeven, uitsluitend een weergave in van hetgeen [geïntimeerde] haar heeft verteld, terwijl [X] niet aanwezig was toen [appellant] de betrokken bedragen heeft betaald. Uit die verklaring volgt daarom niet, ook niet in samenhang met de getuigenverklaring van [geïntimeerde] zelf, dat het om iets anders is gegaan dan een geldlening.

3.8.

Het bovenstaande brengt mee dat, anders dan de kantonrechter in het vonnis van 19 september 2013 heeft geoordeeld, als bewezen heeft te gelden dat [appellant] aan [geïntimeerde] een geldlening heeft verstrekt, die moet worden terugbetaald. De verweren van [geïntimeerde] dat de betalingen door [appellant] schenkingen betreffen, dat die betalingen respectievelijk schenkingen zijn gedaan ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis van [appellant] voortvloeiend uit de onder 2.a genoemde affectieve relatie tussen partijen en dat een eventuele terugbetalingsverbintenis van [geïntimeerde] eveneens een natuurlijke, rechtens niet-afdwingbare, verbintenis inhoudt, zijn dus alle ongegrond. Eveneens ongegrond is het verweer dat de door [appellant] gemaakte opname van het onder 2.d aangehaalde gesprek in september 2011 niet mag worden gebruikt voor het bewijs van de omstreden geldlening omdat dat gesprek buiten medeweten en zonder toestemming van [geïntimeerde] is opgenomen. Het verweer miskent dat de omstandigheid dat het bedoelde gesprek buiten medeweten en zonder toestemming van [geïntimeerde] is opgenomen, niet noodzakelijk dient te leiden tot terzijdelegging van de desbetreffende opname bij de beoordeling van het bewijs. Daarvoor zou slechts grond zijn als sprake is van bijkomende omstandigheden die een afwijking rechtvaardigen van de regel dat bewijs in beginsel kan worden geleverd door alle middelen. Voor zover [geïntimeerde] zich op de aanwezigheid van zulke bijkomende omstandigheden wil beroepen, is hetgeen zij daartoe heeft aangevoerd niet toereikend. Dit geldt ook voor haar stelling dat [appellant] de opname van het gesprek als ‘ongeoorloofd pressiemiddel’ heeft gebruikt, reeds omdat die stelling geheel voorbijziet aan het belang van [appellant] om de door hem gestelde geldlening in rechte aannemelijk te maken, terwijl de stelling dat het opgenomen gesprek door dwang van [appellant] is tot stand gekomen, niet wordt gesteund door de in dit geding gebleken feiten.

3.9.

Met betrekking tot de omvang van de geldlening is niet in geschil dat [appellant] de onder 2.a genoemde bedragen van € 1.500,- en € 350,- aan [geïntimeerde] heeft betaald en dat eerstgenoemd bedrag niet is terugbetaald. [geïntimeerde] stelt dat zij laatstgenoemd bedrag wel heeft terugbetaald, enkele weken nadat dit op haar bankrekening was bijgeschreven, maar deze, door [appellant] betwiste, stelling wordt uitsluitend ondersteund door haar eigen verklaring als getuige in eerste aanleg. Aanvullende bewijzen die dusdanig sterk zijn en dusdanig essentiële punten betreffen dat zij de eigen getuigenverklaring van [geïntimeerde] – op wie de bewijslast van de terugbetaling rust – ter zake voldoende geloofwaardig maken, zijn niet aanwezig. Het moet er daarom voor worden gehouden, bij gebrek aan afdoende bewijs, dat ook het bedrag van € 350,- niet is terugbetaald.

3.10.

Het resterende deel van de lening dat volgens [appellant] niet is terugbetaald en dat in zijn vordering is begrepen, betreft het verschil tussen de onder 2.a en 2.b genoemde bedragen van € 4.950,- en € 4.000,-, waarvan [appellant] stelt dat hij deze respectievelijk heeft betaald aan en later heeft teruggekregen van [geïntimeerde]. Het saldo van beide bedragen is € 950,-. Opgeteld bij de niet-terugbetaalde bedragen van € 1.500,- en € 350,- levert dit op € 2.800,-. Dit laatste bedrag is [geïntimeerde] bij herhaling voorgehouden door de rechtshulpverlener van [appellant], aan wie zij vervolgens het onder 2.c aangehaalde e-mailbericht van 31 december 2011 heeft gestuurd. In dat bericht ontkent [geïntimeerde] niet het genoemde bedrag verschuldigd te zijn maar stelt zij, daarvan klaarblijkelijk uitgaande, een betalingsregeling voor. Hetzelfde bedrag is haar ook door [appellant] voorgehouden tijdens het onder 2.d aangehaalde gesprek in september 2011. Uit de weergave van dat gesprek blijkt op geen enkele wijze dat [geïntimeerde] de verschuldigdheid daarvan heeft ontkend of van een ander, lager, bedrag is uitgegaan. Onder deze omstandigheden heeft [geïntimeerde] in dit geding onvoldoende betwist dat zij naast de eerder genoemde bedragen van € 1.500,- en € 350,- een bedrag van, per saldo, € 950,- van [appellant] heeft ontvangen en niet heeft terugbetaald. Het verweer dat [appellant] haar geen € 4.950,- maar € 4.500,- heeft betaald en dat zij dit bedrag heeft terugbetaald houdt, gelet op de zojuist bedoelde omstandigheden waaraan dat verweer voorbijgaat, geen voldoende betwisting in.

3.11.

Uit het onder 3.6 tot en met 3.10 overwogene volgt dat [geïntimeerde] op grond van een door deze verstrekte geldlening verplicht is € 2.800,- terug te betalen aan [appellant]. Nu uit niets blijkt dat partijen anders zijn overeengekomen is die verplichting opeisbaar, zodat de vordering van [appellant] toewijsbaar is tot de gevorderde hoofdsom. Eveneens toewijsbaar is de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 november 2011, omdat [geïntimeerde] – naar volgt uit de brief van 17 oktober 2011 van de rechtshulpverlener van [appellant] aan [geïntimeerde], gevolgd door het uitblijven van betaling – in ieder geval vanaf die datum met de voldoening van de verschuldigde hoofdsom in verzuim is. Niet toewijsbaar is de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ten belope van € 535,50, reeds omdat [appellant] in het principaal beroep geen gronden heeft aangevoerd tegen de afwijzing van het desbetreffende deel van zijn vordering bij het vonnis van 19 september 2013. Het voorgaande brengt mee dat de onder 3.5 genoemde grieven in het principaal beroep slagen en dat de eveneens onder 3.5 genoemde grieven in het voorwaardelijk incidenteel beroep falen.

3.12.

Grief 5 in het principaal beroep, waarmee [appellant] aanbiedt zichzelf als getuige te doen horen, faalt bij gebrek aan belang. Grief 6 in het principaal beroep, waarmee [appellant] opkomt tegen zijn veroordeling in de kosten van het geding in eerste aanleg in conventie, slaagt, aangezien [appellant] in eerste aanleg in conventie ten onrechte in het ongelijk is gesteld en er dus geen grond is voor de tegen hem uitgesproken kostenveroordeling.

3.13.

Met de grieven 7 en 9 in het voorwaardelijk incidenteel beroep herhaalt [geïntimeerde] haar stelling dat [appellant] jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld en dat zij op deze grondslag recht heeft op schadevergoeding ten belope van het door haar gevorderde bedrag van € 1.134,-. In de toelichting op de grieven heeft [geïntimeerde] noch het gestelde onrechtmatige handelen, noch de door haar gestelde immateriële schade, afdoende met feiten onderbouwd. De aan [appellant] verweten stelselmatige en hinderlijke inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer heeft zij uitsluitend onderbouwd met een verwijzing naar het feit dat deze het onder 2.d aangehaalde gesprek zonder haar toestemming heeft opgenomen en later tegen haar heeft gebruikt. Dit volstaat niet voor de gevolgtrekking dat [appellant] stelselmatig en hinderlijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [geïntimeerde] en aldus onrechtmatig heeft gehandeld. In dit verband wordt mede gewezen op hetgeen onder 3.8, laatste zin, is overwogen. [geïntimeerde] heeft in de toelichting op de grieven verder op geen enkele wijze onderbouwd dat zij als gevolg van het handelen van [appellant] daadwerkelijk immateriële schade heeft geleden. Het voorgaande brengt mee dat de vordering van [geïntimeerde] tot vergoeding van € 1.134,-, bij gebrek aan voldoende feitelijke staving, ook in hoger beroep niet toewijsbaar is en dat de genoemde grieven falen.

3.14.

[geïntimeerde] heeft in hoger beroep bewijs aangeboden door dezelfde getuigen die in eerste aanleg zijn gehoord, maar hierbij niet aangegeven in hoeverre die getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij reeds hebben gedaan. Evenmin heeft zij haar bewijsaanbod anderszins nader toegelicht, zodat niet valt in te zien dat het (opnieuw) horen van de bedoelde getuigen tot de beslissing van de zaak zal kunnen leiden. Het bewijsaanbod van [geïntimeerde] in hoger beroep wordt daarom, als niet ter zake dienend, gepasseerd.

3.15.

De slotsom uit het hierboven overwogene is dat het principaal beroep slaagt, dat het voorwaardelijk incidenteel beroep faalt en dat de vordering van [appellant] – in conventie – alsnog zal worden toegewezen zoals hierna te melden. Het bestreden vonnis van 19 september 2013 zal worden vernietigd voor zover in conventie gewezen en worden bekrachtigd voor zover in reconventie gewezen. De bestreden vonnissen van 23 oktober 2012 en 12 februari 2013 zullen worden bekrachtigd. [geïntimeerde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedures in eerste aanleg in conventie, in het principaal beroep en in het voorwaardelijk incidenteel beroep.

4 Beslissing

Het hof:

in het principaal beroep en in het voorwaardelijk incidenteel beroep:

bekrachtigt de vonnissen van 23 oktober 2012 en 12 februari 2013 waarvan beroep;

bekrachtigt het vonnis van 19 september 2013 waarvan beroep voor zover in reconventie gewezen;

vernietigt het vonnis van 19 september 2013 waarvan beroep voor zover in conventie gewezen; en,

in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] in conventie om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan [appellant] te betalen een geldsom van € 2.800,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze som vanaf 1 november 2011 tot aan de dag van voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in eerste aanleg in conventie, tot op heden aan de zijde van [appellant] begroot op € 313,36 aan verschotten en € 700,- voor salaris advocaat;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in het principaal beroep, tot op heden aan de zijde van [appellant] begroot op € 395,76 aan verschotten en € 632,- voor salaris advocaat;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in het voorwaardelijk incidenteel beroep, tot op heden aan de zijde van [appellant] begroot op nihil aan verschotten en € 316,- voor salaris advocaat;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.A.J. Dun, R.J.F. Thiessen en W.H.F.M. Cortenraad en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 30 september 2014.