Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:4028

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-09-2014
Datum publicatie
30-01-2015
Zaaknummer
23-004249-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Openlijke geweldpleging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-004249-13

datum uitspraak: 23 september 2014

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 4 september 2013 in de strafzaak onder parketnummer 13-113181-10 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 september 2014, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na de wijziging van de ten laste legging in eerste aanleg ter terechtzitting van 21 augustus 2013, thans ten laste gelegd:

primair:

dat hij op of omstreeks 24 april 2010 te Amsterdam met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Ringvaartdijk en/of Oude Haagseweg, in elk geval op of aan een openbare weg, althans op een voor het publiek toegankelijke plaats, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of tegen [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit het spuiten van een (irriterende) vloeistof in het gezicht van die [slachtoffer 1] en/of uit het (meermalen) slaan tegen het hoofd- en/of uit het (meermalen) schoppen en/of slaan tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of uit het (met kracht) duwen- en/of trekken aan het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of -van die [slachtoffer 2];

en/of

dat hij op of omstreeks 24 april 2010 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1]) die [slachtoffer 1] (met kracht) heeft (mee)gesleurd en/of die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal (telkens) (met kracht) tegen het hoofd heeft geslagen en/of tegen het lichaam heeft geslagen en/of geschopt, waardoor voornoemde [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en/ pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande:

dat hij op 24 april 2010 te Amsterdam tezamen en in vereniging met of anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit het meermalen slaan en eenmaal schoppen tegen het lichaam van [slachtoffer 1].

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Nadere bewijsoverwegingen

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat zijn cliënt bevoegd was om [slachtoffer 1] aan te houden nu deze zich schuldig had gemaakt aan de beschadiging van de auto van de partner van de verdachte en dat het in de gegeven omstandigheden niet onrechtmatig was om met de aangehouden persoon terug te gaan naar de plaats van het gepleegde strafbare feit. Verder heeft de raadsman van de verdachte aangevoerd dat zijn cliënt geen geweldshandelingen heeft uitgevoerd en ook niet heeft bijgedragen aan de geweldshandelingen die vervolgens door anderen zijn gepleegd en die hij niet heeft zien aankomen. Van een wezenlijke of significante bijdrage van zijn cliënt aan het geweld is geen sprake, aldus de raadsman.

Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat de verdachte [slachtoffer 1] heeft aangehouden en voornemens was om hem onverwijld over te leveren aan een opsporingsambtenaar, gelijk bepaald in artikel 53 van het Wetboek van Strafvordering. Het hof slaat hierbij acht op onder meer de eigen verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij [slachtoffer 1] mee wilde nemen naar de auto van zijn partner om hem te confronteren met de door hem aan die auto toegebrachte schade.

Evenals de politierechter komt het hof tot het oordeel dat de verdachte niet gerechtigd was om [slachtoffer 1] naar de beschadigde auto te brengen en dat blijkens het dossier is komen vast te staan dat de verwondingen, die het slachtoffer bij deze gelegenheid heeft opgelopen zijn ontstaan door toedoen van een groep waarvan de verdachte samen met zijn zoon, de medeverdachte [medeverdachte] deel uitmaakte. Het betoog dat de verdachte geen wezenlijke of significante bijdrage aan het door de groep gebezigde geweld zou hebben geleverd, wordt naar het oordeel van het hof weerlegd door de bewijsmiddelen waaruit blijkt dat de verdachte bewust in nauwe samenwerking met anderen, het slachtoffer heeft mishandeld. Het hof verwerpt de verweren.

De raadsman heeft voorts betoogd dat de verdachte van het primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, nu het incident zich niet heeft afgespeeld op de openbare weg, waardoor geen sprake was van openlijke geweldpleging.

Dit verweer wordt verworpen, nu de opvatting van de raadsman omtrent het begrip openlijke geweldpleging geen steun vindt in het recht. Anders dan de raadsman meent is voor openlijke geweldpleging als bedoel in artikel 141 Sr en zoals thans ten laste gelegd niet vereist is dat die geweldpleging zich in een openbare ruimte, zoals de openbare weg, of in een voor ieder toegankelijke ruimte, dient plaats te vinden. Van openlijke geweldpleging is immers sprake bij geweld dat zich door onverholen, niet-heimelijk bedreven daden heeft geopenbaard, zodat daardoor de openbare orde is aangerand, zonder dat evenwel is vereist dat ten tijde en ter plaatse van het plegen van het geweld publiek aanwezig was of dat er toen en daar feitelijk vrije toegang en zicht op wat er gebeurde bestond.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het primair bewezen verklaarde levert op:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 60 uren, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door hechtenis van 30 dagen, waarvan 30 uren, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door hechtenis van 15 dagen.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich tezamen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging ten aanzien van [slachtoffer 1] door te handelen zoals hiervoor bewezen is geacht. Met zijn handelen heeft de verdachte op grove wijze een inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit van het slachtoffer. Daarnaast brengen dergelijk misdrijven gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg in de samenleving.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 1 september 2014 is de verdachte eerder, zij het alweer enige tijd geleden, strafrechtelijk onherroepelijk veroordeeld wegens een geweldsdelict.

Het hof acht, rekening houdend het tijdsverloop, een voorwaardelijke taakstraf van 40 uren, zoals gevorderd door de advocaat-generaal, onvoldoende recht doet aan de ernst van het bewezene en dat oplegging van een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, waarvan 30 uren, subsidiair 15 dagen, passend en geboden is. De door het hof geconstateerde schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM in eerste aanleg leidt, gelet op de hoogte van de passend geachte taakstraf, niet tot een verdere vermindering van die straf.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 649,90 aan materiële schade, en € 3.000,00 aan immateriële schade en € 297,50 aan kosten rechtsbijstand. De benadeelde partij is in haar vordering in het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gevorderd dat de vordering van immateriële schade tot een bedrag van € 400,00 toegewezen wordt, dat daarbij een schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd en dat de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk wordt verklaard.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering, nu zij deels medeschuldig aan het incident.

Het hof is van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, nu een nadere civielrechtelijke instructie van de zaak noodzakelijk zou zijn, mede gelet op eventuele medeschuld van [slachtoffer 1]. De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 141 van het

Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.F.J.M. de Werd, mr. F.W.J. den Ottolander en mr. E. Mijnsberge, in tegenwoordigheid van mr. J.B.C. van der Veer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 september 2014.

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...]

[...][...][...]

[...]

[...][...]

[...][...][...][...]

[...]