Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:3950

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-09-2014
Datum publicatie
02-10-2014
Zaaknummer
200.154.190-01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Appellanten hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat hun schulden aan SNCU en de (hiermee verband houdende) schuld aan de belastingdienst te goeder trouw zijn ontstaan. Appellanten mochten vertrouwen op handelen van voormalig boekhouder. Het hof stelt hen in de gelegenheid tot het omlaag brengen van de CJIB-schuld en het overleggen van informatie m.b.t. de belastingschuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.154.190/ 01

rekestnummers rechtbank Noord-Holland : C/14/155122 / FT EA 14/590 en

C/14/155123 / FT EA 14/591

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 25 september 2014

in de zaak van

[appellant sub 1] en

[appellante sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

verzoekers,

advocaat: mr. R.J. van Velzen te Alkmaar.

1 Het geding in hoger beroep

Verzoekers worden hierna [appellanten] genoemd dan wel ieder afzonderlijk [appellant sub 1] en [appellante sub 2].

[appellanten] zijn bij per fax op 15 augustus 2014 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 7 augustus 2014, waarbij het verzoek van [appellanten] om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling is afgewezen.

Het hoger beroep is behandeld op de zitting van 16 september 2014. Bij die behandeling zijn [appellanten] verschenen, bijgestaan door mr. Van Velzen die het verzoekschrift heeft toegelicht. Voorts is als tolk, mevrouw[K.] verschenen en de (huidige) boekhouder van [appellanten], de heer [L.].

Het hof heeft kennis genomen van het verzoekschrift, het dossier van de rechtbank, waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg en de namens [appellanten] op 8 september 2014 nader overgelegde stukken. [appellanten] hebben verklaard eveneens kennis te hebben genomen van de genoemde stukken.

2 Beoordeling

2.1

[appellanten] hebben in het verzoekschrift verzocht om alsnog tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te worden toegelaten. Daartoe hebben [appellanten] – samengevat en voor zover voor de beslissing van belang – het volgende aangevoerd.

2.2

[appellanten] betwisten dat zij ten aanzien van het laten ontstaan van hun schuld aan de Stichting Naleving Cao Uitzendkrachten (SNCU) en aan de belastingdienst als niet te goeder trouw behoren te worden aangemerkt, zoals de rechtbank heeft geoordeeld. Voor de vaststelling en uitbetaling van de salarissen van hun uitzendkrachten hebben [appellanten] een boekhouder/adviseur in de arm genomen, die hen onjuist blijkt te hebben geadviseerd ten aanzien van het toepassen van de juiste cao. Nadat dit vast kwam te staan, hebben [appellanten] zich tot een andere boekhouder gewend en de oude boekhouder/adviseur aansprakelijk gesteld voor de door hen als gevolg van zijn fout geleden schade. [appellanten] erkennen dat het inschakelen van deze adviseur hen niet ontslaat van hun verplichtingen jegens hun werknemers/uitzendkrachten en de SNCU als toeziend orgaan op juiste naleving van de cao. Iets anders is of hen – nu er een fout gemaakt blijkt te zijn – hiervan een zodanig verwijt treft dat zij niet te goeder trouw dienen te worden geacht ten aanzien van het ontstaan van de schulden. Dit is volgens [appellant sub 1] niet het geval; zij hebben hun verplichtingen willen naleven, maar zijn door hun adviseur op het verkeerde been gezet.

2.3

Uit artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b, Faillissementswet (Fw) vloeit voort dat een verzoek om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling alleen wordt toegewezen als de schuldenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt, dat hij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. Gelet op de stukken en de door [appellanten] ter zitting in hoger beroep gegeven toelichting komt het hof tot het oordeel dat [appellanten] daarin in beginsel zijn geslaagd.

2.4

[appellanten] hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat de schuld aan SNCU ter grootte van € 19.387,-- is ontstaan doordat hun voormalige boekhouder bij de uitbetaling van de uitzendkrachten niet de juiste cao (voor pluimveeverwerkende industrie) heeft toegepast. Hierbij neemt het hof het volgende in aanmerking. [appellanten] hebben, omdat zij dit in de samenwerkingsovereenkomst tussen hen en hun oude boekhouder hadden bedongen, erop mogen vertrouwen dat de boekhouder zou toezien op de naleving van de cao. Voorts is gebleken dat [appellanten] - nadat is komen vast te staan dat de boekhouder dit heeft nagelaten - spoedig (1 januari 2012) een nieuwe boekhouder in de arm hebben genomen om alles weer te herstellen. Bovendien heeft de SNCU de schuld niet als een fraudevordering beschouwd en is akkoord gegaan met een minnelijke regeling. Ten slotte acht het hof het positief dat [appellanten] beiden weer aan het werk zijn om hun schuldeisers te kunnen voldoen.

Ook ten aanzien van de schuld aan de belastingdienst, voor zover deze is ontstaan door de verplichting tot nabetaling van achterstallig loon op grond van de cao, kan niet worden gesteld dat deze te kwader trouw is ontstaan of onbetaald is gebleven. Ter zitting in hoger beroep hebben [appellanten] voldoende aannemelijk gemaakt dat er een direkt causaal verband bestaat tussen het nalaten van de voormalige boekhouder om aan zijn contractuele verplichtingen te voldoen en het ontstaan van deze schuld. Evenwel, bestaat er bij het hof nog onduidelijkheid over de exacte hoogte van deze schuld en de vraag of deze mogelijk mede op andere grond(en) is ontstaan. Het is aan [appellanten] hierover nog informatie te verschaffen. Gelet op het bovenstaande is er vooralsnog geen aanwijzing dat aan de zijde van [appellanten] sprake is van verwijtbaarheid. Dit zo zijnde acht het hof het niet gerechtvaardigd dat dergelijke schulden aan de toelating van [appellanten] tot de schuldsaneringsregeling in de weg staan. Dit kan, echter, niet worden gezegd van de CJIB-schuld ter grootte van

€ 1.177,-- per 17 juni 2014. Deze betreffen verkeersovertredingen en zijn naar hun aard niet te goeder trouw ontstaan, terwijl deze schulden gezien de hoogte - mede gelet op bijlage IV van het procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken, houdende landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling onder 5.4.4 - substantieel zijn.

2.5

Het hof zal [appellanten] in de gelegenheid stellen hun CJIB-schuld omlaag brengen tot onder de € 500,-- én duidelijkheid te verschaffen over de hoogte en ontstaansgrond(en) van de belastingschuld.

2.6

Gelet op het bovenstaande ziet het hof aanleiding de zaak aan te houden tot 6 november 2014 teneinde [appellanten] in de gelegenheid te stellen te voldoen aan het in 2.5 overwogene en dit met stukken te onderbouwen.

3 Beslissing

Het hof:

- bepaalt dat de behandeling van de zaak pro forma wordt aangehouden tot 6 november 2014 met inachtneming van het hiervoor overwogene;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mr. D. Kingma, mr. M.M.M. Tillema en mr. E.A.G.M. Waaijers-Kaarsgaren en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.