Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:3931

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-09-2014
Datum publicatie
01-10-2014
Zaaknummer
13/00739
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:1820
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De bestuursrechter is niet verplicht een procespartij in de gelegenheid te stellen schriftelijk te repliceren op het door de wederpartij ingediende verweerschrift.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:43, geldigheid: 2012-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2304
V-N Vandaag 2014/1948
V-N 2015/2.1.4
Belastingadvies 2015/2.10
Belastingblad 2015/483

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 13/00739

18 september 2014

uitspraak van de eerste enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z], belanghebbende,

gemachtigde:[[...]]

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 12/2142 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier,

de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 30 juni 2012 aan belanghebbende onder de naam ‘aanslag waterschapsbelasting’ voor het jaar 2010 een aanslag zuiveringsheffing opgelegd ter zake van de woonruimte[a-straat 1] te [P] alsmede een aanslag watersysteemheffing wegenheffing. De aanslag zuiveringsheffing ad € 52,55 is berekend naar 1 vervuilingseenheid. De aanslag watersysteemheffing wegenheffing beloopt € 74,56. Op het aanslagbiljet is vermeld dat kwijtschelding wordt verleend van de verschuldigde belasting.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar is bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 16 augustus 2012, de kwijtscheldingsbeschikking vernietigd en de aanslag gehandhaafd.

1.3.

Bij uitspraak van 24 oktober 2013 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 3 december 2013. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2014. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak, waarin belanghebbende is aangeduid als ‘eiser’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’, de volgende feiten vastgesteld.

Eiser was op 1 januari 2010 eigenaar van de onroerende zaak[a-straat 1] te [P] dat in het gebied van het hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier is gelegen.

2.2.

Het Hof voegt daar nog de volgende feiten aan toe, die het ontleent aan de in eerste aanleg ingebrachte stukken.

2.3.1.

Het biljet waarop de onder 1.1 vermelde aanslagen zijn vermeld, bevat over de kwijtschelding de volgende mededelingen:

U komt in aanmerking voor kwijtschelding van deze aanslag. U hoeft deze aanslag dan ook niet te betalen. Totaal te betalen: 0,00.

De ambtenaar belast met de invordering.

2.3.2.

In het bezwaarschrift heeft belanghebbende het volgende opgenomen:

Gericht, tegen kwijtgescholden aanslag (…) gebruikersbelasting dd 30-06-2012, jaar 2010 zuiveringsheffing 1 eenheid €52,55 en watersysteemheffing €74,56, ad totaal nihil (…).

Belang: juistheid. Tevens belang: bezwaarfasekostenvergoeding ex art 7:15 AWB. zodat primair ook om deze andere reden aanslag niet is verschuldigd.

Primair: diverse vermeldingen hierin zijn feitelijk onjuist. Aanslag betreft een rekening van

dienstverlening jaar 2010 en is daarmee wettelijk te laat en kan dus niet op deze wijze, als ware het

uitsluitend een belasting worden opgelegd binnen 3 jaar na verschuldigdheid wording cq vaststelling (hoogte) van de belasting. Dat is niet daarmee aan de orde, want die hoogte is U al bekend, cq zal U bekend dienen te zijn. Uw regelgeving voorziet (ook) niet in herstel van enige hoogte / taniefiëring van belasting.

Aldus bezwaar makend, met het verzoek tot vergoeding van bezwaarfasekosten volgens art 1 a BPB 1 ppp, waarmee deze de aanslag overtreft, zodat deze daarmee in feite ook primair niet (meer) is verschuldigd.

2.3.3.

In de uitspraak op bezwaar is onder meer het volgende opgenomen:

Als reden voor uw bezwaar vermeldt u het volgende:

1. De aanslag is onterecht kwijtgescholden.

2. De gebruikersaanslag 2010 is volgens u te laat opgelegd.

Verder vraagt u om een kostenvergoeding conform artikel la Besluit proceskosten bestuursrecht. U

stelt dat de gemaakte kosten de aanslag overtreffen en dat u het bedrag van de aanslag daardoor

feitelijk niet meer verschuldigd bent.

Ik verklaar uw bezwaarschrift gedeeltelijk gegrond.

Uw stelling met betrekking tot de kwijtschelding is juist. U heeft namelijk geen kwijtscheldingsverzoek ingediend, noch heeft u nieuwe financiële gegevens aan het hoogheemraadschap overlegd. Op basis van de door u overlegde financiële gegevens in onze administratie en de ons bekende hoogte van uw vermogen komt u niet in aanmerking voor de kwijtschelding. Voor deze kennelijke fout van het hoogheemraadschap bied ik u mijn excuses aan en bedank ik u voor uw reactie. De fout is automatisch door ons systeem gegenereerd. Wij hebben hier een onderzoek naar ingesteld.

Ik deel u voorts mede dat het (onterecht) kwijtgescholden bedrag ad € 127,11 binnenkort verrekend zal worden met het bedrag van € 261,55, zijnde het bedrag voor proceskosten dat het

hoogheemraadschap aan u verschuldigd is (beroepszaak HAA 11/3017 (…), uitspraak

van 10 augustus 2012). Hierover krijgt u een apart bericht.

Betreffende uw stelling dat de aanslag buiten wettelijke termijn opgelegd is, deel ik u het volgende mede. Uw stelling is onjuist. De wettelijke termijn van drie jaar binnen welke termijn een aanslag opgelegd mag worden begint te lopen op het moment dat de belastingplicht is ontstaan. Uw belastingplicht voor de gebruikersaanslag 2010 is op 1 januari 2010 ontstaan. De aanslag is binnen wettelijke termijn opgelegd.

Kostenvergoeding

U hebt het bezwaarschrift zelf geschreven. Ik wijs u hierbij op dat het zelf schrijven van een bezwaarschrift volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht niet wordt vergoed.

Uw verzoek om kostenvergoeding wordt afgewezen.

2.4.1.

De griffie van de rechtbank heeft belanghebbende bij brief van 31 oktober 2012 een afschrift van het verweerschrift toegezonden. Bij brief met dagtekening 2 november 2012 heeft belanghebbende verzocht een conclusie van repliek te mogen indienen.

Bij brief van 15 november 2012 heeft de rechtbank belanghebbende onder meer het volgende geschreven:

In reactie op uw brief van 2 november 2012 deel ik u mee dat de rechtbank in het verweerschrift geen aanleiding ziet om u in de gelegenheid te stellen te repliceren (…).

Ter informatie wijs ik u erop dat u tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunt indienen.

2.4.2.

Op 27 september 2013 is ter griffie van de rechtbank een 23 september 2013 gedagtekend stuk van belanghebbende ontvangen, aangeduid als “Akte 12/2142’. Een afschrift van dit stuk is door de rechtbank aan de invorderingsambtenaar gezonden. In de begeleidende brief is onder andere het volgende vermeld: “De rechtbank heeft een of meer stukken aan het dossier toegevoegd”.

2.4.3.

In het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting in eerste aanleg op 8 oktober 2013 is opgenomen dat de heffingsambtenaar heeft verklaard het stuk van 27 september 2013 te hebben ontvangen.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals bij de rechtbank heeft belanghebbende in hoger beroep grieven aangevoerd tegen de aanslagen en (het ongedaan maken van) het kwijtscheldingsbesluit. Voorts is in geschil of belanghebbende recht heeft op een vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar.

3.2.

Daarnaast stelt belanghebbende in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek tot indiening van een conclusie van repliek heeft afgewezen en het door hem ingediende nadere stuk niet tot de gedingstukken heeft gerekend.

3.3.

Voorts stelt belanghebbende dat sprake is van een aan de rechter toe te rekenen overschrijding van de redelijke termijn en verzoekt hij op die grond om vergoeding van immateriële schade.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.1.

Met betrekking tot de onder 3.2 weergegeven klachten van belanghebbende oordeelt het Hof als volgt.

4.1.2.

In het onderhavige geval heeft de rechtbank bij brief van 15 november 2012 de afwijzing van het verzoek tot indiening van een conclusie van repliek aan belanghebbende medegedeeld, met de motivering van deze beslissing. Gelet op de tekst van artikel 8:43 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) - een ‘kan’-bepaling - en de wetsgeschiedenis van deze bepaling betreft het een discretionaire bevoegdheid van de bestuursrechter om partijen al dan niet in de gelegenheid te stellen schriftelijk te repliceren en dupliceren; de rechter kan hiertoe ambtshalve beslissen dan wel op verzoek. De bestuursrechter is derhalve niet verplicht een procespartij in de gelegenheid te stellen schriftelijk te repliceren op het door de wederpartij ingediende verweerschrift. Het Hof heeft dan ook geen reden om de door de rechtbank op dit punt genomen beslissing te corrigeren. Belanghebbendes tegen deze beslissing gerichte grieven treffen geen doel.

4.1.3.

Belanghebbende stelt ten onrechte dat uit de omstandigheid dat de rechtbank het door hem op 27 september 2013 ingediende nadere stuk niet in haar uitspraak (onder ‘loop van het geding’) heeft vermeld, blijkt dat dit stuk niet tot de gedingstukken is gerekend die ten grondslag hebben gelegen aan de beslissing van de rechtbank. Uit de onder 2.4.2 vermelde brief van de rechtbank volgt immers dat het stuk door de rechtbank tot de gedingstukken is gerekend. Bovendien blijkt dit uit het door de rechtbank aan het Hof toegezonden procesdossier.

4.2.1.

De rechtbank heeft omtrent de grieven tegen de aanslag het volgende overwogen:

5. Eiser heeft betoogd dat de aanslag waterschapsbelastingen 2010 te laat is opgelegd en daarom moet worden vernietigd. De rechtbank stelt vast dat de aanslag waterschapsheffing het jaar 2010 betreft. Dit betekent dat de belastingschuld over het jaar 2012 op 1 januari 2010 is ontstaan. Omdat de aanslag is opgelegd op 30 juni 2012 is de rechtbank van oordeel dat de aanslag tijdig, dat wil zeggen binnen de wettelijke termijn van drie jaar, is opgelegd. Eisers grief dat de aanslag te laat is opgelegd slaagt niet. Eiser heeft zich beroepen op artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en stelt dat uit dit artikel voortvloeit dat de termijn voor het opleggen van de aanslag na één jaar is verstreken. Dit beroep faalt. Artikel 14 van dit Verdrag stelt geen termijnen voor het opleggen van belastingaanslagen noch heeft betrekking op belastingrechtelijke procedures; voorts is het niet analoog toepasbaar. Ook het beroep van eiser op de leer van de 'undue delay' faalt; er is geen internationaalrechtelijke rechtsregel waaruit voortvloeit dat de conclusie in deze zaak moet luiden dat de termijn tussen het ontstaan van de belastingschuld en het opleggen van de aanslag zodanig lang is geweest dat hiermee belangen van eiser op onredelijke wijze zijn geschaad.

Het Hof begrijpt dat belanghebbende zich in hoger beroep niet verzet tegen dit oordeel van de rechtbank, maar stelt dat bepalingen in het Burgerlijk Wetboek zich verzetten tegen de vaststelling van een aanslag voor het jaar 2010 in het jaar 2012. De door de rechtbank genoemde wettelijke termijn is opgenomen in de voor belastingaanslagen van toepassing zijnde Algemene wet inzake rijksbelastingen. Belanghebbendes beroep op in het Burgerlijk Wetboek opgenomen termijnen, wat daarvan verder ook zij, kan hem in een belastingprocedure mitsdien niet baten.

4.2.2.

Wat betreft belanghebbendes stelling dat sprake is van een reformatio in peius, omdat volgens hem bij de uitspraak op bezwaar de aanslagen op een hoger bedrag zijn vastgesteld, overweegt het Hof dat belanghebbende miskent dat het aanslagbiljet verschillende beschikkingen bevat: de aanslag zuiveringsheffing à € 52,55, de aanslag watersysteemheffing wegenheffing à € 74,56, beide genomen door de heffingsambtenaar, en een afzonderlijke beschikking van de ambtenaar belast met de invordering om de ingevolge deze aanslagen verschuldigde bedragen kwijt te schelden. Van op een bedrag van nihil vastgestelde aanslagen – zoals belanghebbende kennelijk veronderstelt – is derhalve geen sprake. De heffingsambtenaar heeft belanghebbendes bezwaren tegen de aanslagen afgewezen en de aanslagen bij de bestreden uitspraak op bezwaar gehandhaafd. Van het vaststellen van de aanslagen op een hoger bedrag is derhalve geen sprake.

4.3.

Wat betreft belanghebbendes grieven tegen de in de uitspraak op bezwaar opgenomen beslissing de op het aanslagbiljet vermelde kwijtscheldingsbeschikking te vernietigen, oordeelt het Hof als volgt. In artikel 144, eerste lid, Waterschapswet is bepaald dat dat de in artikel 26 van de Invorderingswet 1990 bedoelde kwijtschelding met betrekking tot waterschapsbelastingen wordt verleend door de in artikel 123, derde lid, onderdeel c, van de Waterschapswet bedoelde ambtenaar van het waterschap; dat is de ambtenaar belast met de invordering. Op grond van artikel 144, tweede lid, van de Waterschapswet zijn met betrekking tot het verlenen van kwijtschelding de krachtens artikel 26 van de Invorderingswet 1990 bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. Ingevolge art. 7 Uitvoeringregeling Invorderingswet 1990 staat tegen de beslissing op het verzoek tot kwijtschelding van (in dit geval) de ambtenaar van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier belast met de invordering, administratief beroep open. Bij gebreke van een speciaal aangewezen administratieve rechtsgang is ter zake van (de beslissing inzake) de kwijtscheldings-beschikking uitsluitend de civiele rechter bevoegd. Het Hof is derhalve niet bevoegd te oordelen over de door belanghebbende geuite grieven tegen de in de uitspraak op bezwaar opgenomen beslissing inzake de kwijtscheldingsbeschikking. Belanghebbende zal zich ter zake tot de civiele rechter dienen te wenden.

4.4.1.

Over het geschilpunt of aan belanghebbende op de voet van artikel 7:15 Awb een vergoeding dient te worden toegekend voor in bezwaar gemaakte kosten heeft de rechtbank het volgende overwogen:

Proceskosten

6. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

7. De rechtbank stelt vast dat het bezwaar, zoals eiser ook ter zitting heeft meegedeeld, was gericht tegen de aanslag waterschapsbelastingen. De aanslag waterschapsbelastingen is gehandhaafd. Dit betekent dat de primaire beschikking, te weten de aanslag waterschapsbelastingen, niet is herroepen. Verweerder heeft, gelijk hij heeft gedaan, mogen besluiten om het bezwaar gegrond te verklaren met instandhouding van een van de bestreden besluiten, namelijk de aanslag. Daarmee is, voorzover hier van belang, niet voldaan aan een van de eisen genoemd in artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht. Eisers grief dat hij recht heeft op een proceskostenvergoeding omdat het bezwaar gegrond is verklaard omdat het kwijtscheldingsbesluit is vernietigd slaagt niet.

4.4.2.

Het Hof sluit zich aan bij deze beslissing van de rechtbank en maakt de ervoor gebezigde gronden tot de zijne. Van een gegrond bezwaar tegen de aanslagen is immers geen sprake, en (daarmee) evenmin van herroeping van de bestreden besluiten, zoals deze aan het Hof ter beoordeling staan – de aanslagen –, wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Slotsom

4.5.

Het vorenoverwogene voert tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is. Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Het Hof zal de uitspraak van de rechtbank bevestigen.

5 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 Awb.

6 Verzoek tot vergoeding van immateriële schade

6.1.

Voor een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de in acht te nemen redelijke termijn is in de regel aanleiding indien meer dan twee jaar is verstreken te rekenen van de datum waarop het bezwaarschrift door het bestuursorgaan is ontvangen tot aan de datum waarop de rechtbank uitspraak op het beroep heeft gedaan en/of vanaf de datum van de indiening van het beroepschrift in hoger beroep tot aan de datum waarop het Hof uitspraak doet.

6.2.

In het onderhavige geval is het bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 5 juli 2012, de uitspraak van de rechtbank gedaan op 24 oktober 2013 en de uitspraak in hoger beroep op 18 september 2014.

6.3.

Van een overschrijding van (een van) voornoemde termijnen is derhalve geen sprake.

Belanghebbendes verzoek tot vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen.

7 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mr. H.E. Kostense, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. E.G. van der Laan als griffier. De beslissing is op 18 september 2014 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.