Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:3930

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-09-2014
Datum publicatie
01-10-2014
Zaaknummer
13/00631
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2013:7082, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In 2009 is een vordering ontstaan op de Belastingdienst. Deze vordering is door de Belastingdienst in hetzelfde jaar verrekend met een schuld aan de Belastingdienst, ontstaan in 2008. Belanghebbende heeft in 2009 het bedrag van de verrekening genoten in de zin van de Wet IB 2001.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 3.81, geldigheid: 2009-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2303
V-N Vandaag 2014/1944
V-N 2014/63.20.16

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 13/00631

11 september 2014

uitspraak van de eerste enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z], belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 13/1618 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Zaandam, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 19 september 2012 voor het jaar 2009 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.596. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur bij beschikking € 397 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar van 8 februari 2013 heeft de inspecteur de aanslag en de beschikking gehandhaafd.

1.3.

Bij uitspraak van 11 september 2013 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van de vernietigde uitspraak in stand blijven.

1.4.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 22 oktober 2013.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2014. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak, waarin belanghebbende is aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’, de volgende feiten vastgesteld:

2.1.

Eiser heeft aangifte ib/pvv voor het jaar 2009 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 10.826. Hierbij heeft hij een bedrag aan negatief loon in aanmerking genomen van € 6.061 ter zake van een terugbetaling aan het UWV.

2.2.

Verweerder is bij het vaststellen van de aanslag afgeweken van de aangifte en heeft de aanslag ib/pvv 2009 vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.596. Verweerder heeft daarbij een bedrag van € 6.061 aan inkomsten van het UWV in aanmerking genomen, en de door eiser opgegeven negatieve inkomsten van € 6.061 niet in aanmerking genomen.

2.2.

Het Hof voegt hieraan de volgende feiten toe, welke het ontleent aan de in eerste aanleg ingebrachte stukken.

2.3.1.

Volgens door het UWV verstrekte jaaropgaven heeft belanghebbende – naast zijn niet in het geschil zijnde uitkering ad € 14.551 - in het onderhavige jaar een bedrag van € 6.061 genoten. Op het bedrag van € 6.061 is geen loonheffing ingehouden.

2.3.2.

Bij brief van 1 januari 2009 heeft het UWV onder meer het volgende aan belanghebbende meegedeeld:

Uit onze gegevens blijkt dat u een bedrag van EUR 7.570,69 aan ons heeft terugbetaald.

Als u aangifte inkomstenbelasting doet dan kunt u in 2009 het bedrag dat u in 2008 aan UWV heeft terugbetaald opgeven als negatief loon.

2.3.3.

Bij brief van 17 mei 2013 is namens het UWV onder meer het volgende aan belanghebbende meegedeeld:

U hebt van ons een jaaropgave 2009 met een fiscaalloon van € 6.061 ontvangen. U geeft aan dat u dit bedrag nooit heeft ontvangen. (…)

[Belanghebbende] heeft een uitkering ontvangen in 2006 en 2007, dit geeft een positieve jaaropgaaf.

In 2008 wordt een vordering geboekt die ook in 2008 vereffend is. (…)

In 2009 is de vereffening ongedaan gemaakt en wordt de vordering afgeboekt.

2.3.4.

Bij e-mailbericht van 10 juni 2013 heeft een medewerker van de Belastingdienst bij het UWV informatie opgevraagd over de door belanghebbende in 2009 van het UWV ontvangen uitkeringen. In dit bericht wordt onder andere de volgende vraag gesteld:

Ik heb in 2009 de volgende UWV-uitkeringen doorgekregen:

NWW: € 10.187 ingehouden loonheffing € 2.113

toeslag € 4.364 ingehouden loonheffing € 905

NWW: € 6.061 inhouden loonheffing nihil

Klopt het dat alle drie de bedragen in 2009 zijn uitbetaald.

2.3.5.

Bij e-mailbericht van 10 juni 2013 is daarop namens het UWV als volgt geantwoord:

“[Ik] kan (…) u bevestigen dat [de in het onder 2.3.4 genoemde e-mailbericht vermelde] bedragen zijn uitbetaald.”

3 Geschil

Tussen partijen is – evenals bij de rechtbank – in geschil of belanghebbende in het onderhavige jaar een extra uitkering ter grootte van € 6.061 heeft genoten. Voorts is in geschil of bij het opleggen van de aanslag terecht heffingsrente in rekening is gebracht aan belanghebbende.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak het volgende overwogen omtrent de vraag of belanghebbende in het onderhavige jaar (tevens) een bedrag van € 6.061 heeft genoten:

4.4.

Uit artikel 3.81 van de Wet IB 2001 juncto artikel 13a, lid 1, van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2009) volgt dat loon beschouwd wordt te zijn genoten op het tijdstip waarop het betaald of verrekend wordt, ter beschikking van de werknemer wordt gesteld of rentedragend is geworden, dan wel vorderbaar en tevens inbaar wordt.

4.5.

Niet in geschil is dat het UWV aan eiser in 2006 en 2007 een uitkering heeft betaald. Volgens de door het UWV aan zowel verweerder als eiser verstrekte gegevens is in 2008 (een gedeelte van) die uitkering tot een bedrag van € 7.570,69 teruggevorderd en vereffend (waarmee kennelijk bedoeld is dat de vordering van het UWV al dan niet door verrekening is betaald door eiser). Eiser heeft in zijn aangifte ib/pvv 2008 in verband met die terugvordering een bedrag aan negatief loon in aanmerking genomen van € 7.571. Vervolgens heeft het UWV (volgens de door het UWV aan verweerder en eiser verstrekte gegevens) in 2009 de terugvordering van de uitkering in 2008 ongedaan gemaakt tot een bedrag van € 6.061. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser door ongedaanmaking in 2009 van de terugvordering van de uitkering in dat jaar (wederom) loon genoten. Ten gevolge van het ongedaan maken van de terugvordering heeft eiser in 2008 (achteraf bezien) ook ten onrechte negatief loon in aanmerking genomen. Aldus heeft verweerder terecht het bedrag van € 6.061 in de heffing van 2009 betrokken. Dat eiser voornoemd bedrag ten gevolge van verrekening mogelijk (deels) niet heeft ontvangen, staat er niet aan in de weg dat het bedrag als genoten loon (uit vroegere dienstbetrekking) is aan te merken gelet op het bepaalde in artikel 3.81 van de Wet IB 2001 juncto artikel 13a, lid 1, van de Wet op de loonbelasting 1964.

4.2.

Het Hof sluit zich aan bij deze beslissing van de rechtbank en de gronden waarop deze berust. Op grond van de onder 2.3.1 tot en met 2.3.5 vermelde feiten, in onderlinge samenhang beoordeeld, acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende ter zake van het door het UWV in 2008 teruggevorderde bedrag nog een schuld had aan het UWV en dat het bedrag van € 6.061 in 2009 door belanghebbende - mogelijk (deels) door verrekening met deze schuld - is genoten.

4.3.

Omdat de grieven tegen de belastingaanslag geen doel treffen, treffen de tegen de beschikking heffingsrente gerichte klachten evenmin doel. Het Hof is van oordeel dat de in rekening gebrachte rente op het juiste bedrag is berekend.

Slotsom

4.4.

Het vorenoverwogene voert tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is. Het Hof zal de uitspraak van de rechtbank bevestigen.

5 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mr. H.E. Kostense, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. E.G. van der Laan als griffier. De beslissing is op 11 september 2014 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.