Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:3913

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-04-2014
Datum publicatie
26-09-2014
Zaaknummer
23-000080-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen schuldheling buitenboordmotor - geen opzetheling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-000080-13

datum uitspraak: 15 april 2014

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 28 december 2012 in de strafzaak onder parketnummer 15-700707-11 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 1 april 2014, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 8 maart 2011 tot en met 16 september 2011 te Giessenburg, gemeente Giessenlanden en/of te Wervershoof, gemeente Medemblik, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, 16, althans een of meer buitenboordmotoren (merk Evinrude/Johnson) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die buitenboordmotoren wist(en) althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 8 maart 2011 tot en met 16 september 2011 te Wervershoof, gemeente Medemblik, tezamen en in vereniging met een ander, 16 buitenboordmotoren (merk Evinrude/Johnson) voorhanden heeft gehad terwijl hij en zijn mededader ten tijde van het voorhanden krijgen van die buitenboordmotoren redelijkerwijs moesten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsoverweging

Door de verdediging is gesteld dat de verdachte vrijgesproken moet worden van hetgeen ten laste is gelegd omdat er geen sprake is van wettig en overtuigend bewijs. De raadsman van de verdachte voert hiertoe aan dat de aangifte van 18 maart 2011 door het ontbreken van een ondertekening door de aangever en de verbalisant, niet in de wettelijke vorm is opgemaakt en om die reden niet als aangifte kan worden aangemerkt. De raadsman betoogt dat door het ontbreken van een aangifte niet kan worden geconcludeerd dat de betreffende buitenboordmotoren uit enig misdrijf afkomstig zijn.

Voorts stelt de verdediging dat uit het feit dat de verdachte en zijn medeverdachte wisselende verklaringen hebben afgelegd over de herkomst van de goederen en deze verklaringen ook ten opzichte van elkaar op bepaalde punten afwijken niet kan worden geconcludeerd dat de verdachten wisten dat de goederen in kwestie van een misdrijf afkomstig waren. Medeverdachte [medeverdachte] zou de buitenboordmotoren voor een redelijk bedrag hebben gekocht en de verdachte en zijn medeverdachte zouden nader hebben onderzocht of de betreffende goederen te boek stonden als gestolen waar.

Het hof stelt voorop dat voor de vaststelling dat goederen uit misdrijf afkomstig zijn, anders dan de raadsman kennelijk meent, niet is vereist dat er ter zake van dat misdrijf aangifte is gedaan. Het bewijs van dit delictsbestanddeel kan ook uit andere bronnen dan een aangifte worden geput. Het hof stelt vast dat, hoewel deze niet conform de vereisten van artikel 163 van het Wetboek van Strafvordering is ondertekend – welke niet nakoming van de in dat artikel genoemde voorschriften overigens niet met nietigheid wordt bedreigd –, [eigenaar bedrijf] namens [bedrijf] aangifte heeft gedaan van de diefstal van een aantal buitenboordmotoren, welke goederen zijn gespecificeerd in de aangehechte goederenbijlage. De registratienummers van de in de goederenbijlage opgenomen goederen komen overeen met de bij de verdachte aangetroffen en in beslag genomen buitenboordmotoren. Aldus is bewijs voor eerdergenoemd delictsbestanddeel aanwezig.

Voorts overweegt het hof dat de verdachte en de medeverdachte wisselend en onderling tegenstrijdig hebben verklaard over de herkomst van de buitenboordmotoren, zonder dat zij hiervoor een afdoende verklaring hebben gegeven of (één van) hun verklaringen voldoende aannemelijk hebben weten te maken. Zo heeft de verdachte, onder meer, verklaard dat deze buitenboordmotoren zouden zijn achtergelaten door een voormalige huurder van de loods waarin de goederen zijn aangetroffen, maar blijft hij vaag over de identiteit van deze huurder. De medeverdachte heeft, onder meer, verklaard dat hij de motoren met van zijn ouders geleend geld heeft gekocht van een vriend die [persoon 1] heet en van wie hij de achternaam niet weet.

Hoewel de verklaringen van de verdachten over de herkomst van de buitenboordmotoren onderling en ook ten opzichte van elkaar verschillen, gaat het hof er als meest aannemelijke en relatief gezien meest consistente versie van uit dat deze buitenboordmotoren in de loods van de verdachte of van diens vader zijn achtergelaten door een vertrokken huurder, waarop de verdachte zich vrij achtte te proberen deze motoren te verkopen. Dit strookt immers met de op zitting in eerste aanleg gegeven verklaring van getuige [getuige].

Het gebruikmaken bij een verkooppoging van een andere dan zijn eigen voornaam door de medeverdachte [medeverdachte] wekt bij het hof bevreemding op. Desondanks zijn de overige omstandigheden van dien aard dat de politie, na de mislukte verkooppoging aan [persoon 2], zonder al te veel moeite bij de verdachten terecht kon komen, zodat niet gezegd kan worden dat zij zich zodanig hebben gedragen dat alleen daaruit al opgemaakt zou kunnen worden dat zij zich bewust met illegale activiteiten bezighielden.

Gelet op het vorenstaande en het feit dat, mede gelet op de verklaring van deze persoon als getuige in eerste aanleg, het hof voldoende aannemelijk acht dat in ieder geval de verdachte [verdachte] via [getuige] nog wel enig onderzoek heeft laten verrichten naar de vraag of de motoren wel als legale koopwaar konden worden aangemerkt, komt het hof tot de conclusie dat er onvoldoende bewijs is voor het aannemen van opzet op heling bij de verdachten, ook niet in de vorm van voorwaardelijk opzet.

Wel is het hof van oordeel dat de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de door hem aangeboden buitenboordmotoren uit misdrijf afkomstig waren. Gelet op de aard en de waarde van de goederen, de hoeveelheid en de verder onduidelijke herkomst hiervan is het hof van oordeel dat de verdachte en diens medeverdachte aanzienlijk meer en adequater onderzoek hadden moeten doen naar de vraag of deze goederen al dan niet afkomstig waren uit enig misdrijf. Van een zodanig onderzoek is niet gebleken. Ook als het hof er vanuit zou gaan dat de medeverdachte [medeverdachte] inderdaad bij de politie is geweest, blijkt nog niet dat dat adequaat onderzoek is geweest: gesteld noch gebleken is immers dat hij daarvoor voldoende informatie aan de hand van foto’s en een volledige lijst met serienummers van de aanwezige buitenboordmotoren aan de politie heeft voorgelegd. Het hof is daarom van oordeel dat de verdachte zich wel aan schuldheling heeft schuldig gemaakt.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van schuldheling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan schuldheling van een groot aantal buitenboordmotoren. Hiermee heeft hij geprofiteerd van een misdrijf. Ook een delict als schuldheling bevordert het plegen van vermogensdelicten, zoals diefstallen, nu ook door het plegen van schuldheling voor de daders van vermogensdelicten een afzetmogelijkheid wordt geschapen van de als gevolg van hun misdrijven verkregen goederen.

Het hof acht, alles afwegende, de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [bedrijf]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 15.293,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.206,35. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd tot het bedrag van € 14.293,72.

Door de verdediging is verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren wegens het ontbreken van een rechtsgeldige vordering. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat ingevolge Europeesrechtelijke bepalingen de aangifte het startpunt vormt voor een vordering van de benadeelde partij. Bij het ontbreken van een rechtsgeldige aangifte dient de vordering van de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaard te worden.

Voorts heeft de verdediging de gestelde schade betwist en gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen bij gebrek aan concrete onderbouwing.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof evenwel gebleken – hoezeer op zichzelf ook aannemelijk is dat de benadeelde partij als zodanig wel schade zal hebben geleden – dat behandeling van de vordering nu een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Daarom kan de benadeelde partij thans niet in haar vordering worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Het hof overweegt hierbij dat het thans – mede gelet op de betwisting door de verdachte – over onvoldoende informatie beschikt om de precieze aard dan wel de gegrondheid van de verschillende gestelde schadeposten voldoende te kunnen beoordelen, terwijl voorts hetzelfde geldt voor het causaal verband tussen de gestelde schade enerzijds en de hier aan de orde zijnde schuldheling anderzijds. Het verder uitzoeken van deze materie vormt, gelet op het stadium dat het strafproces thans heeft bereikt, een onevenredige belasting van het strafgeding. Dit geldt ook voor de gevorderde kosten, nu deze rechtstreeks verband houden met de gestelde schade.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) weken.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [bedrijf]

Verklaart de benadeelde partij [bedrijf] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.L. Bruinsma, mr. D. Radder, en mr. J.G.W. Willems-Morsink, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Meyer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 15 april 2014.

Mr. Willems-Morsink is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.