Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:3904

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-09-2014
Datum publicatie
26-09-2014
Zaaknummer
23-005526-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling seksueel misbruik van twee zeer jonge meisjes en het bekijken van een pornofilm in het bijzijn van één van deze meisjes. In hoger beroep is het vonnis in eerste aanleg bevestigd met uitzondering van onder meer de straf. Het hof vond een hogere straf op zijn plaats.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-005526-13

datum uitspraak: 22 september 2014

TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsvrouw)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 december 2013 in de strafzaak onder parketnummer 13-654184-13 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,

adres: [adres],

thans gedetineerd in [PI].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen in hoger beroep van 10 juli 2014 en 8 september 2014, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en de gronden waarop het berust, waarin de in hoger beroep gevoerde verweren zijn weerlegging vinden, met dien verstande dat het hof de overweging van de rechtbank met betrekking tot de waardering van het bewijs ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde zal aanvullen. Het hof zal het vonnis bevestigen behalve ten aanzien van de straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. Op deze laatste punten zal het vonnis worden vernietigd.

Aanvulling bewijsoverweging ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

Het hof is evenals de rechtbank en in aanvulling op hetgeen de rechtbank daaromtrent in paragraaf 4, op pagina 3, zevende alinea, heeft overwogen, van oordeel dat de verdachte het lichaam van [slachtoffer] seksueel heeft binnengedrongen. De verklaring van [slachtoffer] vindt immers steun in de verklaring van haar moeder [moeder slachtoffer]. [moeder slachtoffer] heeft verklaard dat [slachtoffer] tegen haar zei dat opa [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) zo die vingers in haar poessie had gedaan. [moeder slachtoffer] zag dat [slachtoffer] daarbij met haar vingers ter hoogte van haar kruis ging. Die avond lag [slachtoffer] in bed en zag [moeder slachtoffer] dat de onderbroek van [slachtoffer] iets naar beneden was geschoven. Toen [moeder slachtoffer] vroeg waarom [slachtoffer] dit had gedaan hoorde zij [slachtoffer] zeggen dat ze dit deed omdat ze daar pijn had. [moeder slachtoffer] heeft voorts verklaard dat [slachtoffer], geregeld pijn had, nadat zij bij de verdachte vandaan kwam. Als zij ging slapen deed ze dan haar onderbroek uit. Ze had pijn bij haar vagina van binnen. Ze wees namelijk naar haar vagina. In de vakantie is [slachtoffer] niet meer bij de verdachte thuis geweest en heeft zij ook geen klachten meer gehad, aldus [moeder slachtoffer]. Het hof acht het onder 3 primair ten laste gelegde dan ook bewezen.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden met aftrek van voorarrest.

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het hof verzocht om gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht, en gelet op hetgeen in soortgelijke zaken volgens haar doorgaans wordt opgelegd een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft in zijn woning seksueel misbruik gemaakt van twee zeer jonge meisjes gedurende een lange periode respectievelijk een periode van een paar maanden. Eén van hen woonde bij hem in huis en was deels aan zijn zorg toevertrouwd. In haar aanwezigheid heeft verdachte tevens een pornofilm afgespeeld. De bewezenverklaarde gedragingen vormen een grove aantasting van de lichamelijke integriteit van de zeer jonge slachtoffers. Door aldus te handelen heeft de verdachte misbruik gemaakt van het overwicht dat hij op de slachtoffers had en het vertrouwen dat zij in hem hadden ernstig geschonden. De ervaring leert dat slachtoffers van seksueel misbruik ernstige psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden en dat hun normale seksuele ontwikkeling onomkeerbaar kan zijn aangetast. De verdachte heeft zich enkel door zijn seksuele verlangens laten leiden, zonder zich er rekenschap van te geven welke nadelige gevolgen dit voor de slachtoffers zou hebben. Dit zijn zeer ernstige feiten die het hof de verdachte zwaar aanrekent.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 21 augustus 2014 is de verdachte eerder ter zake van strafbare feiten, maar niet ter zake van soortgelijke feiten als de onderhavige onherroepelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend en geboden en is van oordeel dat de straf zoals gevorderd door de advocaat-generaal onvoldoende recht doet aan de ernst van deze feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 57, 240a, 244 en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.700,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.000,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 primair bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 3 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.700,00 (tweeduizend zevenhonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 27 augustus 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 2.700,00 (tweeduizend zevenhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 37 (zevenendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 27 augustus 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D. Radder, mr. W.J.J. Los en mr. G.S. Crince Le Roy, in tegenwoordigheid van mr. N. de Visser, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 september 2014.

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...]

[...][...][...]

[...]

[...][...]

[...][...][...][...]

[...]