Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:3898

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-09-2014
Datum publicatie
26-09-2014
Zaaknummer
23-001696-13
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:466, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitgebreide motivering betreffende voorwaardelijke verzoeken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2015/11

Uitspraak

Parketnummer: 23-001696-13

Datum uitspraak: 19 september 2014

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 27 maart 2013 in de strafzaak onder parketnummer 15-660170-11 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

8

en 22 april 2014 alsmede van 5 september 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2011 tot en met 22 juni 2011 te Zwanenburg, gemeente Haarlemmermeer, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 2]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 566 hennepplanten, althans (telkens) een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2011 tot en met 22 juni 2011 te Zwanenburg, gemeente Haarlemmermeer, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval (telkens) enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Liander N.V., in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich (telkens) de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking, te weten de verbreking van de zegel van de hoofdaansluitkast en/of een elektriciteitsaansluiting (ten behoeve van een hennepkwekerij) aan de onderzijde van de zekeringhouder.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof komt tot een andere bewezenverklaring en strafoplegging dan de politierechter.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij in de periode van 1 maart 2011 tot en met 22 juni 2011 te Zwanenburg, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [adres 2] een groot aantal hennepplanten;

2:
hij in de periode van 1 maart 2011 tot en met 22 juni 2011 te Zwanenburg, gemeente Haarlemmermeer, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan Liander N.V., waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking, te weten de verbreking van de zegel van de hoofdaansluitkast en een elektriciteitsaansluiting ten behoeve van een hennepkwekerij aan de onderzijde van de zekeringhouder.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bespreking van bewijsverweren ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

De raadsvrouw van de verdachte heeft aangevoerd dat onvoldoende kan worden vastgesteld dat de aangetroffen planten in het pand aan de [adres 2] te Zwanenburg hennepplanten betroffen. De enkele verklaring van een verbalisant dienaangaande is daartoe onvoldoende zodat de verdachte dient te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt daaromtrent het volgende.

Verbalisant [verbalisant 1] heeft in diens proces-verbaal van bevindingen van 28 juni 2011 (dossierpagina 29) gerelateerd dat hij de aangetroffen planten in voornoemd pand aan hun vorm, geur en kleur heeft herkend als zijnde hennepplanten. Uit dit proces-verbaal blijkt verder dat verbalisant [verbalisant 1] is aangewezen als taakaccenthouder drugsonderzoeken en zich in dat verband met grote regelmaat bezighoudt met het opsporen en ruimen van hennepkwekerijen. Gelet op zijn kennis en ervaring alsmede zijn bekendheid met het ruimen van hennepkwekerijen ziet het hof geenszins aanleiding om aan het oordeel van verbalisant [verbalisant 1] te twijfelen.

Het verweer van de verdediging dat onvoldoende kan worden vastgesteld dat de aangetroffen planten hennepplanten betroffen, wordt, gezien het voorgaande, dan ook verworpen.

De raadsvrouw van de verdachte heeft voorts aangevoerd dat de verdachte geen wetenschap heeft gehad van de hennepkwekerij; hij zou de bovenverdieping van voornoemd pand alwaar de hennepkwekerij is aangetroffen hebben onderverhuurd aan ene [betrokkene]. Ter onderbouwing heeft de verdachte een kopie van een paspoort en rijbewijs getoond op naam van die [betrokkene]. Op grond hiervan dient de verdachte te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Dat de verdachte de bovenverdieping van voornoemd pand heeft onderverhuurd aan ene [betrokkene] is niet aannemelijk geworden, nu het dossier daartoe onvoldoende concrete aanknopingspunten bevat. Nadat de politie [betrokkene] heeft weten te achterhalen, heeft [betrokkene] in een telefonisch verhoor iedere betrokkenheid ontkend (proces-verbaal van verhoor van 29 juni 2011, dossierpagina 82 en 83). Die verklaring wordt ondersteund door het feit dat de verdachte, hoewel hij naar eigen zeggen telefonisch contact had gehad met [betrokkene], niet over diens telefoonnummer bleek te beschikken. Nadat de politie de gesprekgegevens van [betrokkene] had opgevraagd, bleek daaruit evenmin van telefonische contacten met de verdachte en bovendien bleek de telefoon van [betrokkene], in de periode dat hij volgens de verdachte contact met hem, verdachte, had gehad in Zwanenburg, alleen zendmasten in de omgeving van Enschede te hebben aangestraald (proces-verbaal van bevindingen van 1 september 2011, dossierpagina 94 en 95).

Voorts neemt het hof in aanmerking dat uit eerder genoemd proces-verbaal van bevindingen (dossierpagina 29) blijkt dat de hennepplanten kort voor de ontmanteling daarvan waren voorzien van vers water, terwijl de verdachte, die kort voor die ontmanteling al aanwezig was in genoemd pand, heeft verklaard dat hij de vermeende onderhuurder al lang niet heeft gezien. Hierdoor is naar het oordeel van het hof evenmin aannemelijk geworden dat de bovenverdieping van het pand werd onderverhuurd aan die [betrokkene] dan wel een andere persoon, zich voordoende als zijnde [betrokkene].

Het hof neemt tot slot het navolgende in aanmerking. De verdachte bevond zich ten tijde van de ontmanteling al koffiedrinkend in het beneden gedeelte van het pand aan de [adres 2] te Zwanenburg in welke ruimte zich -op korte afstand van hem- afval van de kwekerij bevond in een aanhangwagen alsmede waar grote plastic onderbakken stonden die worden gebruikt om plantenpotten of andere kweekmiddelen op te plaatsen. Op het aldaar aanwezige keukenblok werd een hennepschaartje en bladafval aangetroffen (dossierpagina 30). In de auto van de verdachte die in de loods stond geparkeerd bevond zich eveneens een hennepschaartje (dossierpagina 31).

Gelet op het voorgaande wordt het verweer dat de verdachte de bovenverdieping van het pand heeft onderverhuurd en zelf geen weet had van de hennepkwekerij, verworpen. Dat de verdachte kopieën heeft overgelegd van een paspoort en rijbewijs op naam van [betrokkene], kan aan het voorgaande niet af doen, te minder nu dit paspoort en rijbewijs bleken te zijn verlopen en die paspoortgegevens eerder te zijn misbruikt. De hennepkwekerij gerelateerde attributen die zijn aangetroffen in de directe omgeving van de verdachte en in zijn auto duiden naar het oordeel van het hof op zijn daadwerkelijke betrokkenheid bij de activiteiten ten behoeve van de zich in het pand op de bovenverdieping bevindende hennepkwekerij.

Door de raadsvrouw van de verdachte is tot slot nog aangevoerd dat processen-verbaal met betrekking tot de inkijkoperatie en de anonieme tip (het hof begrijpt: de processen-verbaal op dossierpagina 26 en 86) onvoldoende gedetailleerd zouden zijn, waardoor niet aan de verbaliseringsplicht als bedoeld in artikel 152 Sv is voldaan. Dit dient te leiden tot bewijsuitsluiting van de betreffende processen-verbaal.

Het hof verwerpt dit verweer, nu door de verdediging onvoldoende is onderbouwd waaruit die vermeende gebreken in die processen-verbaal zouden bestaan.

Bewijsoverweging ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde

Uit de bewijsmiddelen, waaruit blijkt dat de verdachte huurder en gebruiker was van het pand aan de [adres 2] te Zwanenburg, zulks in samenhang bezien met de vorenstaande overwegingen dat het onaannemelijk is geworden dat de verdachte een deel van dit pand waarin de hennep werd geteeld heeft onderverhuurd, leidt het hof af dat het de verdachte moet zijn geweest die opzettelijk de hennepplanten heeft geteeld en daartoe elektriciteit buiten de meter om heeft weggenomen.

Overwegingen ten aanzien van voorwaardelijke verzoeken ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

De raadsvrouw van de verdachte heeft bij pleidooi herhaald verzocht om [betrokkene] als getuige te horen, indien het hof de verklaringen van de verdachte omtrent de onderverhuur van de bovenverdieping van voornoemd pand aan die [betrokkene] ongeloofwaardig acht.

Voorts heeft zij bij pleidooi herhaald verzocht om de in het pand aangetroffen fles olijfolie en scharen door een deskundige te laten onderzoeken op de aanwezigheid van hennepresten, mocht het hof van oordeel zijn dat zich daarop wel hennepresten bevonden.

Tot slot heeft de verdediging bij pleidooi herhaald verzocht om de verbalisanten [verbalisant 2], [verbalisant 3], [verbalisant 4], [verbalisant 1] en een onbekend gebleven wijkagent als getuige te horen, indien het hof van oordeel is dat het totaal aantal ten laste gelegde hennepplanten (566 stuks) én de gehele ten laste gelegde periode (1 maart 2011 tot en met 22 juni 2011) bewezen kunnen worden verklaard.

Het hof overweegt dat het hier voorwaardelijke verzoeken betreft, hetgeen betekent dat de verzoeken pas geacht worden te zijn gedaan indien de daaraan verbonden voorwaarden zijn vervuld. Het hof is van oordeel dat het, voor zover het dergelijke verzoeken zou toewijzen, nadat bij beraad in raadkamer is gebleken dat de daaraan verbonden voorwaarden zijn vervuld, in voorkomende gevallen reeds - al dan niet gedeeltelijk - zijn oordeel zou geven over de door het hof nog te beantwoorden vragen als bedoeld in de artikelen 348 en/of 350 Sv. Daarmee wordt door de verdediging een situatie uitgelokt, waarin door de leden van de samenstelling van het hof die de verzoeken heeft toegewezen de schijn van partijdigheid zou kunnen worden gewekt, indien zij op een volgende terechtzitting in die zaak wederom deel uitmaken van de samenstelling van het hof. In dat geval hebben zij zich immers reeds impliciet uitgelaten over een van de vragen als bedoeld in een van voornoemde artikelen.

Gelet op het voorgaande heeft de voorzitter ter terechtzitting in hoger beroep van 5 september 2014 de raadsvrouw medegedeeld dat het hof de voorwaardelijke verzoeken niet als zodanig zal accepteren en uitsluitend zal beslissen op onvoorwaardelijke verzoeken. De raadsvrouw is vervolgens door het hof in de gelegenheid gesteld om haar voorwaardelijke verzoeken als hiervoor vermeld alsnog te doen in onvoorwaardelijke vorm. Gesteld noch gebleken is dat de verdediging daardoor in haar belangen zou zijn geschaad. Los van het feit dat een deel van die verzoeken in onvoorwaardelijke vorm reeds eerder op de regiezitting van 8 april 2014 in het kader van deze strafzaak zijn besproken en op 22 april 2014 door het hof daarop is beslist.

De raadsvrouw heeft van de mogelijkheid om haar verzoeken in onvoorwaardelijke vorm te doen echter geen gebruik willen maken, zodat het hof bovenstaande verzoeken als niet herhaald beschouwt en aldus niet gehouden is om daarop een beslissing te nemen. De stelling van de raadsvrouw dat ze de verzoeken wel moet herhalen om deze in cassatie aan de orde te kunnen stellen, mist juridische grondslag.

Overwegingen ten aanzien van een verzoek ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

De raadsvrouw heeft verzocht een schouw te gelasten, zodat het hof kan waarnemen dat hetgeen de verdachte naar voren heeft gebracht omtrent de hoogte van de ramen en de mogelijkheid om via deze ramen naar binnen te kijken op waarheid berust en hetgeen de verbalisanten daaromtrent hebben gerelateerd niet een juiste weergave van de situatie is.

Het hof wijst dit verzoek af, nu de situatie ter plaatse thans niet meer hetzelfde is als ten tijde van het onder 1 ten laste gelegde feit. De destijds gedane waarnemingen zijn thans niet meer waarneembaar, terwijl foto’s in het strafdossier voldoende inzicht geven in de hoogte van ramen, waardoor de noodzaak tot een schouw ontbreekt.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een onvoorwaardelijke werkstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder in beschouwing genomen dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft bezig gehouden met het telen van hennep, hetgeen de voor de volksgezondheid schadelijke stof THC bevat. Voorts heeft de verdachte elektriciteit gestolen door het maken van een illegale aansluiting die buiten de elektriciteitsmeter om de hennepplantage van elektriciteit voorzag. De verdachte heeft daardoor de elektriciteitsleverancier benadeeld.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 21 augustus 2014 is de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld.

Het hof acht, gelet op het voorgaande en gelet op hetgeen de raadsvrouw over de (gewijzigde) persoonlijke omstandigheden van de verdachte naar voren heeft gebracht, een deels voorwaardelijke werkstraf van na te melden duur passend en geboden en volgt daarom niet de advocaat-generaal in haar vordering.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op:

- de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en

- de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D.J.M.W. Paridaens-van der Stoel, mr. J.D.L. Nuis en mr. J.W.H.G. Loyson, in tegenwoordigheid van mr. M. Goedhart, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 september 2014.

Mrs. Nuis, Loyson en Goedhart zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[...]