Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:3890

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-09-2014
Datum publicatie
22-09-2014
Zaaknummer
200.149.122 OK
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

beroepsrecht van de ondernemingsraad; had de ondernemer bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid kunnen komen tot haar besluit?

Wetsverwijzingen
Wet op de ondernemingsraden 26, geldigheid: 2014-09-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2014/258
AR 2014/688
TRA 2014/102
RO 2015/3
JAR 2014/258
ARO 2014/199
JONDR 2015/31

Uitspraak

Beschikking

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer: 200.149.122/01 OK

beschikking van de Ondernemingskamer van 8 september 2014

inzake

de ONDERNEMINGSRAAD HONEYWELL B.V., LOCATIE AMSTERDAM,

gevestigd te Amsterdam,

VERZOEKER,

advocaten: mrs. K.M.J.R. Maessen en S.F.H. Jellinghaus, kantoorhoudende te Tilburg,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HONEYWELL B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER,

advocaten: mrs. J.H. Huyzer en D.G. Veldhuizen, kantoorhoudende te Amsterdam.

1 Het verloop van het geding

1.1

Partijen zullen worden aangeduid als de ondernemingsraad en Honeywell.

1.2

De ondernemingsraad heeft bij op 16 mei 2014 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift, met producties, beroep ingesteld tegen het op 25 april 2014 genomen en op diezelfde datum aan de ondernemingsraad bekend gemaakte besluit tot “organisatiewijziging van P3 posities in het LSS team van HPS te Amsterdam”, verder het Besluit. De ondernemingsraad heeft de Ondernemingskamer verzocht – zakelijk weergegeven – om:

  1. te verklaren voor recht dat Honeywell in redelijkheid niet tot het Besluit had kunnen komen;

  2. Honeywell de verplichting op te leggen om het Besluit in te trekken;

  3. Honeywell te verbieden handelingen te verrichten ter uitvoering van het Besluit en

  4. voor het geval Honeywell reeds uitvoering heeft gegeven aan het Besluit: Honeywell de verplichting op te leggen de gevolgen van die uitvoering ongedaan te maken,

de onderdelen c en d ook bij wijze van voorlopige voorziening en een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

1.3

Bij op 27 juni 2014 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift, met producties, heeft Honeywell verweer gevoerd en de Ondernemingskamer verzocht het beroep ongegrond te verklaren, althans het verzoek af te wijzen.

1.4

Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 17 juli 2014. Mrs. Maessen, Jellinghaus en Veldhuizen hebben de standpunten van de onderscheidenlijk door hen vertegenwoordigde partijen aan de hand van – aan de Ondernemingskamer en aan de wederpartij overgelegde – aantekeningen nader toegelicht. Partijen hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord. Honeywell heeft haar bij verweerschrift uitgesproken bereidheid om de uitvoering van het Besluit op te schorten tot na de dag van de in deze zaak te nemen beschikking uitdrukkelijk bevestigd. In reactie daarop heeft de ondernemingsraad zijn verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen ingetrokken.

2 De feiten

De Ondernemingskamer gaat uit van de volgende feiten.

2.1

Honeywell drijft een onderneming die zich bezighoudt met “het ontwikkelen van innovatieve systemen, producten en diensten voor automatiserings- en beveiligingsoplossingen in industrie, woningen en gebouwen.” Zij heeft diverse vestigingsplaatsen in Nederland, waaronder de locatie Amsterdam.

2.2

Honeywell maakt deel uit van een internationaal concern, dat is onderverdeeld in strategische business units, waaronder de strategische business unit Performance Materials and Technologies. Onderdeel van deze strategische business unit is de business unit Honeywell Process Solutions (HPS). HPS is ook vertegenwoordigd in Nederland en wel op de locatie Amsterdam. HPS bestaat daar uit de volgende afdelingen: Sales, Project Engineering (PAS) en Lifecycle Service and Solutions (LSS).

2.3

Op haar beurt bestond de afdeling LSS tot begin 2012 uit de twee subafdelingen Pulp, Paper, Printing & Plastics (P3) en Energy & Chemicals markt (E&C).

2.4

Begin 2012 heeft Honeywell besloten om met ingang van het tweede kwartaal van dat jaar voor LSS in Nederland een “totaalorganisatie” te creëren als gevolg waarvan P3 en E&C niet langer als aparte subafdelingen worden beschouwd. Wel zou voor P3 binnen LSS een afzonderlijke profit and loss verantwoordelijkheid blijven bestaan met een eigen financiële rapportage. In verband met dit besluit heeft Honeywell aan de ondernemingsraad meegedeeld, dat de vorming van een totaalorganisatie “op dat moment niet zou leiden tot een verval van arbeidsplaatsen maar specifiek was bedoeld om efficiënter te werken en om te reageren op de verkleining van de P3-markt.” Honeywell heeft ter zake van dit besluit niet het advies van de ondernemingsraad gevraagd.

2.5

Sinds voormeld besluit tot vorming van een totaalorganisatie LSS in Nederland bestaan er binnen LSS nog – onder meer – de volgende functies:

Field Service Engineers: dit is een technische, zogeheten directe functie. Met “directe functie” wordt bedoeld dat de werkzaamheden van deze medewerkers rechtstreeks worden doorberekend aan de klant en dat deze aldus rechtstreeks bijdragen aan de omzet.

Customer Service Engineer: dit is een coördinerende, indirecte functie. Met “indirecte functie” wordt bedoeld dat de werkzaamheden van deze medewerker niet rechtstreeks bijdragen aan de omzet.

Service Lead: ook dit is een coördinerende, indirecte functie.

Van de binnen de totaalorganisatie LSS werkende Customer Service Engineers en Service Leads is er telkens één die nog geheel of gedeeltelijk voor P3 werkzaam is. Deze medewerkers dragen derhalve niet rechtstreeks bij aan de omzet die op grond van voormelde afzonderlijke profit and loss verantwoordelijkheid als P3 omzet wordt gerapporteerd.

2.6

In 2012 en 2013 is de omzet van P3 (zowel in projecten als in contracten) substantieel gedaald. Voor 2014 wordt eveneens een daling van de omzet verwacht.

2.7

De bestuurder (in de zin van de WOR) van Honeywell heeft op 18 november 2013 aan de ondernemingsraad, ter informatie, een presentatie gezonden genaamd Organization Effectiveness LSS EMEA. Dit betreft een organisatiewijziging (hierna de organisatiewijziging LSS EMEA te noemen) binnen de Europese LSS-organisatie van Honeywell welke is gericht op een verbetering van de efficiency en klantgerichtheid, met name door het realiseren van minder lagen in de organisatie en het benutten van expertise centers. Bij deze organisatiewijziging komen geen functies of arbeidsplaatsen te vervallen.

2.8

Bij brief van 21 januari 2014 heeft Honeywell de ondernemingsraad op de voet van artikel 25 Wet op de ondernemingsraden (WOR) advies gevraagd – dat is de adviesaanvraag waar het in deze zaak om gaat – ter zake van haar voorgenomen besluit om de functies van de voor P3 werkende Customer Service Engineer en Service Lead te doen vervallen en hun taken (voor zover nodig) op te laten gaan in de andere functies binnen LSS, verder ook het voorgenomen Besluit. Daarbij heeft de bestuurder opgemerkt dat deze adviesaanvraag los staat van – kort gezegd – de organisatiewijziging LSS EMEA.

2.9

In een bijeenkomst van 24 januari 2014 heeft de bestuurder aan alle medewerkers die zich bezighouden met P3 werkzaamheden een presentatie gegeven over het voorgenomen Besluit.

2.10

Op 17 februari 2014 is het voorgenomen Besluit in een als overlegvergadering aan te merken zogeheten informatiesessie besproken.

2.11

Bij brief van 17 februari 2014 heeft de ondernemingsraad Honeywell een aantal vragen met betrekking tot het voorgenomen Besluit gesteld. Honeywell heeft daarop bij brief van 20 februari 2014 geantwoord.

2.12

Op 10 maart 2014 is het voorgenomen Besluit in een tweede als overlegvergadering aan te merken informatiesessie besproken.

2.13

Op 18 maart 2014 heeft de ondernemingsraad van de afdeling Human Resources van Honeywell nadere informatie ontvangen over de organisatiewijziging LSS EMEA en op 19 maart 2014 heeft een presentatie hierover voor de medewerkers van Honeywell plaatsgevonden. De ondernemingsraad heeft de bestuurder op 25 maart 2014 verzocht een adviesaanvraag betreffende de organisatiewijziging LSS EMEA in te dienen.

2.14

Bij brief van 28 maart 2014 heeft de ondernemingsraad negatief over het (nog voorgenomen) Besluit geadviseerd.

2.15

Op 21 april 2014 heeft een overleg plaatsgevonden tussen (onder anderen) de bestuurder en leden van de ondernemingsraad over de organisatiewijziging LSS EMEA. Hierin is besproken dat een adviesaanvraag op de voet van artikel 25 WOR ter zake van LSS EMEA – volgens de bestuurder – onwenselijk zou zijn omdat de uitvoering ervan al ver is gevorderd.

2.16

Bij brief van 25 april 2014 heeft Honeywell de ondernemingsraad kennis gegeven van het Besluit.

2.17

Op 14 mei 2014 hebben de bestuurder en de ondernemingsraad schriftelijk afspraken gemaakt omtrent de voorwaarden waaronder de ondernemingsraad bereid was af te zien van zijn adviesrecht ter zake van de organisatiewijziging LSS EMEA.

3 De gronden van de beslissing

3.1

Volgens de ondernemingsraad heeft Honeywell in strijd met artikel 25 lid 5 WOR onvoldoende (concreet) gemotiveerd waarom zij van het advies van de ondernemingsraad is afgeweken en wel op de volgende punten.

  1. In het Besluit is niet ingegaan op het bezwaar van de ondernemingsraad dat hij niet over een evaluatierapport beschikt en hem niet duidelijk is welke verbetering het verval van functies oplevert.

  2. In het Besluit is niet ingegaan op het bezwaar van de ondernemingsraad dat hij niet behoorlijk omtrent het (toen nog voorgenomen) Besluit kan adviseren zonder een overzicht van het “grotere plaatje” zoals dat bestaat of komt te bestaan als gevolg van het onder 2.4 bedoelde besluit van 2012 tot vorming van een totaalorganisatie LSS in Nederland en als gevolg van de organisatiewijziging LSS EMEA.

  3. Honeywell heeft tegenover de bezwaren van de ondernemingsraad onvoldoende uiteen gezet waarom het verval van functies juist die van Service Lead P3 en Customer Service Engineer P3 moest treffen.

  4. Ook heeft Honeywell onvoldoende duidelijk gemaakt hoe het Besluit zich verhoudt tot het bezwaar van de ondernemingsraad dat de functies die komen te vervallen uitwisselbaar lijken te zijn met de functies van Service Lead respectievelijk Customer Service Engineer in het kader van – naar de Ondernemingskamer begrijpt: – E&C-taken.

  5. Het Besluit gaat in het geheel niet in op de zorgen van de ondernemingsraad over stagnatie van bestellingen en leveringen en de continuïteit en kwaliteit van de werkzaamheden als gevolg van het verval van de twee functies.

  6. Het Besluit gaat in het geheel niet in op de te hoge werkbelasting die het Besluit ten gevolge zou hebben voor de overige Service Leads en Customer Service Engineers.

  7. Het Besluit geeft onvoldoende informatie over de inspanningen die Honeywell verricht voor herplaatsing van de betrokken medewerkers en over een passende regeling, indien zij moeten afvloeien, zodat het Besluit onvoldoende inzicht geeft in de personele gevolgen ervan.

  8. Het Besluit gaat onvoldoende in op de bezwaren van de ondernemingsraad wegens het ontbreken van informatie en het onbeantwoord blijven van vragen.

3.2

Voorts voert de ondernemingsraad onder 16 tot en met 30 van het verzoekschrift aan, dat Honeywell artikel 25 lid 3 WOR geschonden heeft, dat het Besluit onvoldoende concreet en gemotiveerd is, dat het geen overzicht biedt van de gevolgen die het besluit naar te verwachten valt voor de werknemers heeft en de naar aanleiding daarvan voorgenomen maatregelen en dat het “medezeggenschapsraadtraject onvoldoende (is) geborgd”. De toelichting op deze verwijten is niet steeds duidelijk. Honeywell heeft begrepen dat de ondernemingsraad hier dezelfde – hiervoor onder a tot en met h opgesomde – argumenten op het oog heeft als die, die hij ten grondslag heeft gelegd aan de stelling dat Honeywell artikel 25 lid 5 WOR heeft geschonden. De Ondernemingskamer zal Honeywell in die uitleg volgen.

3.3

De Ondernemingskamer stelt voorop, dat de ondernemingsraad op sommige onderdelen te hoge eisen stelt aan het overzicht van beweegredenen voor het Besluit dat Honeywell op de voet van artikel 25 lid 3 WOR dient te verstrekken en aan de motivering voor afwijking van het advies, die Honeywell op de voet van artikel 25 lid 5 WOR dient te geven. Zo kan, mede gelet op de beperkte strekking van het Besluit, niet worden gezegd dat Honeywell in de adviesaanvraag en in het Besluit de noodzaak voor het treffen van bezuinigingen aan de hand van het afnemen van de markt gedurende de laatste jaren onvoldoende heeft toegelicht. Ook is voldoende aannemelijk en aldus voldoende toegelicht, dat het schrappen van twee functies een voor het beoogde doel relevant effect zal hebben. Honeywell kan moeilijk worden verweten, dat de ondernemingsraad niet "over een evaluatierapport beschikt", nu een dergelijk rapport (naar Honeywell heeft gesteld en de Ondernemingskamer aannemelijk acht) er niet is en niet gezegd kan worden dat het Besluit niet zonder een dergelijk rapport zou kunnen worden genomen. Voorts verwerpt de Ondernemingskamer – afgezien van hetgeen de Ondernemingskamer daaromtrent hierna onder 3.12 overweegt – het bezwaar, dat de ondernemingsraad ten onrechte niet beschikt over een overzicht van het “grotere plaatje”, doordat de samenhang met de organisatiewijziging ingevolge LSS EMEA niet in kaart is gebracht. Honeywell heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat die samenhang er niet is.

3.4

Dit een en ander geldt echter niet ten aanzien van het verwijt dat het Besluit geen overzicht biedt van de gevolgen die het naar te verwachten valt voor de betrokken werknemers van LSS heeft en de naar aanleiding daarvan voorgenomen maatregelen. De adviesaanvraag vermeldt omtrent de personele gevolgen het volgende (waarbij PPP = P3).

“Ten gevolge van de evaluatie van de marktmogelijkheden voor de toekomst ten aanzien van PPP komen 2 overhead posities te vervallen.

We willen geforceerde ontslagen proberen te voorkomen. Dus overwegen we om een overeenstemming te treffen met mensen die dat vrijwillig willen. Mocht dat niet lukken, dan worden we gedwongen om toch personen als gevolg van deze reorganisatie boventallig te verklaren. Die mensen zullen in de gelegenheid worden gesteld om op alternatieve open posities in Honeywell te reageren. Mocht dat niet lukken dan zullen individuele afspraken worden gemaakt om het dienstverband te beëindigen met een passende regeling.”

3.5

Op de hiervoor genoemde op 17 februari 2014 door de ondernemingsraad gestelde schriftelijke vragen heeft Honeywell voor zover het de personele gevolgen betreft in haar brief van 20 februari 2014 – kort gezegd – geantwoord, dat hierover tijdens de informatiesessie al een mondelinge toelichting is gegeven, dat Honeywell zich aan de wet houdt en dat “de regelingen die tot nu toe zijn getroffen met individuele medewerkers (…) altijd positief (zijn) afgerond.”

3.6

De ondernemingsraad heeft in het advies onder meer het volgende gesteld.

“(…)

7) Het is de OR onbekend welke herplaatsingsmogelijkheden voor de boventallige personeelsleden bestaan en welke inspanningen de werkgever verricht om de boventalligen te herplaatsen. U geeft slechts aan dat zij mogen solliciteren op eventueel vacante functies. U geeft geen inzicht in de bestaande vacante functies en u geeft tevens niet aan dat de boventalligen een voorrangspositie toekomt ten aanzien van het verkrijgen van deze functies.

8) De OR heeft u gevraagd wat u verstaat onder een passende beëindigingsregeling, of rekening wordt gehouden met de fictieve opzegtermijn en of boventalligen in aanmerking komen voor een vergoeding van de kosten voor juridische bijstand. Deze vragen zijn onbeantwoord gebleven.

9) De OR heeft u gevraagd aan te geven welke gevolgen het krijgen van extra werkzaamheden voor achterblijvend personeel heeft en welke maatregelen worden getroffen om die gevolgen op te vangen. Daar hebt u niet op geantwoord.

(…)”

Voorts is in het advies van de ondernemingsraad te lezen:

1.6 “

Voorgenomen besluit in het grotere plaatje

Het baart de OR zorgen dat in 2012 (…) de P3 organisatie in de LSS organisatie is geschoven, waarbij de positie van SL [Ondernemingskamer: Service Lead] voor P3 is gecreëerd, om exact dezelfde redenen als dat nu de posities vervallen. Binnen LSS is opnieuw een efficiencyslag gaande waar dit voorgenomen besluit onlosmakelijk deel van uitmaakt. Ook ten aanzien van de posities van alle SLs staat het een en ander te veranderen. De OR is dan ook alleen tot een gedegen en zorgvuldige advisering in staat als hij voldoende inzicht krijgt in het grotere geheel, de wijze waarop dit besluit daar in past en vast kan stellen dat zijn medezeggenschapsrechten voldoende zijn geborgd.”.

3.7

In het Besluit is Honeywell hier niet verder concreet op ingegaan. Zij heeft volstaan met het volgende.

“(…) Human Resources (gaat) met de betrokken personen in gesprek om te vragen naar voorkeuren en mogelijkheden, en mee te denken over alternatieven. Het is nog te vroeg om dat al te doen voordat het adviestraject is afgelopen. Dit is niet anders dan normaal. Ook een passende regeling bij eventueel ontslag en mogelijkheid tot een tegemoetkoming in juridische bijstand is niet anders dan gebruikelijk bij Honeywell. Dat is besproken en we zijn ervan uitgegaan dat dit bekend is. Het is te betreuren dat de Ondernemingsraad dit niet eerder (nogmaals) had aangegeven, want met de beantwoording van de eerder gestelde vragen zijn we ervan uitgegaan dat dit duidelijk is. (…)

Dit besluit staat los van de efficiency slag die in gang is gezet om de LSS organisatie anders in te richten. Het mag lijken dat de besluiten voor de Ondernemingsraad bewust worden gesplitst om de medezeggenschap uit elkaar te trekken. Dit is niet het geval. Het gaat in beide adviesaanvragen om wezenlijk andere beweegredenen (P3 en de margeafname in Nederland en LSS organisational effectiveness om het organiseren van de LSS organisatie in EMEA). (…)”

3.8

In het verweerschrift heeft Honeywell uiteengezet, dat het bij deze (P3) reorganisatie gaat “om het verval van de functies van twee specifieke personen (…), die ook bij de ondernemingsraad bekend zijn” en dat zij er daarom voor heeft gekozen om “een dergelijke beëindigingregeling niet op voorhand en detail met de Ondernemingsraad te bespreken.” Zij biedt – aldus Honeywell – “zoals ook de ondernemingsraad weet uit eerdere trajecten (…) immer een marktconforme beëindigingsregeling aan, waarvan een outplacementtraject, een tegemoetkoming in de studiekosten, juridische ondersteuning en een eenmalige ontslagvergoeding in lijn met de kantonrechtersformule met C=1 onderdeel zijn.”

3.9

Ter terechtzitting heeft Honeywell desgevraagd toegelicht, dat de wijze waarop de personele gevolgen geregeld zijn bij Honeywell standard practice is, maar dat de inhoud van die practice nimmer op papier is gezet. De ondernemingsraad heeft ter terechtzitting nader toegelicht, dat voor hem die practice een black box is gebleven.

3.10

Naar het oordeel van de Ondernemingskamer heeft Honeywell op de hiervoor beschreven wijze geen (toereikend) overzicht verstrekt van de gevolgen die het besluit naar te verwachten valt voor de in de onderneming werkzame personen zal hebben en van de naar aanleiding daarvan voorgenomen maatregelen. Over de gestelde standard practice heeft Honeywell, afgezien van vaagheden (zoals de verzekering dat Honeywell zich aan de wet houdt en een passende regeling aanbiedt), tijdens de adviesprocedure geen enkele informatie verschaft. Zij kon niet volstaan met verwijzing naar een mondelinge toelichting tijdens een van de informatiesessies noch kon zij gerichte vragen onbeantwoord laten. Zelfs indien de ondernemingsraad – zoals Honeywell stelt en de ondernemingsraad bestrijdt – op de hoogte was van de inhoud van de standard practice had het op de weg van Honeywell gelegen om in de adviesaanvraag, en zeker nadat de ondernemingsraad daaromtrent schriftelijke vragen had gesteld respectievelijk nadat de ondernemingsraad ook in het advies aandacht voor het ontbreken van een regeling van de personele gevolgen vroeg, schriftelijk helderheid te verschaffen wat die inhoud was.

3.11

Daarbij komt dat Honeywell onvoldoende aandacht heeft besteed aan de gevolgen die het Besluit heeft voor de werknemers die de taken behorende bij de vervallen P3-functies moeten overnemen. In het besluit merkt Honeywell, naar aanleiding van daarop gericht commentaar van de ondernemingsraad over het gevaar van te hoge werkdruk, op dat “de werkzaamheden op een zo goed mogelijke manier opgepakt moeten worden door de overblijvende functies” en ter terechtzitting heeft Honeywell verklaard dat zij niet verwacht dat de betrokken werknemers “er onderdoor zullen gaan”. Dat is gelet op de belangen van de betrokken werknemers te vaag en daarmee niet toereikend.

3.12

Onduidelijk was ook – in ieder geval ten tijde van de adviesaanvraag – wat de inhoud van de “overblijvende functies” als gevolg van het Besluit zal zijn gelet op de (toen) lopende besluitvorming inzake de organisatiewijziging LSS EMEA. In zoverre hangen laatstgenoemde organisatiewijziging en de wijziging als gevolg van het Besluit naar het oordeel van de Ondernemingskamer samen en is daarom gegrond het verwijt van de ondernemingsraad dat hij ten onrechte niet beschikt over een overzicht van het “grotere plaatje”.

3.13

Het voorgaande levert naar het oordeel van de Ondernemingskamer een ernstige tekortkoming op, niet alleen ten aanzien van de nakoming van de uit artikel 25 lid 3 voortvloeiende verplichting, maar ook die, voortvloeiend uit lid 5 van die bepaling. Op grond hiervan moet worden vastgesteld dat Honeywell bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot het Besluit. De nadere informatie die Honeywell ten aanzien van de personele gevolgen in het verweerschrift heeft gegeven, kan – daargelaten of deze wel toereikend is – aan het voorgaande niet afdoen.

3.14

De Ondernemingskamer voegt aan dit een en ander nog het volgende toe. Zoals ter terechtzitting bleek, heeft het personeel van P3 tijdens een zogeheten "gelebriefjesbijeenkomst" zelf alternatieven voor de met het Besluit beoogde margeverbetering aangedragen. Ter terechtzitting heeft Honeywell desgevraagd bevestigd, dat zij geen alternatieven heeft overwogen of onderzocht. Zij heeft evenmin onderzocht, waarom de potentiële omzet voor 2013 zoals die eerder met het personeel van P3 was geïnventariseerd, niet is behaald. Naar het oordeel van de Ondernemingskamer had Honeywell uiterlijk in het Besluit – mede gelet op de omstandigheid dat de taken waar het hier om gaat niet komen te vervallen – dienen toe te lichten waarom voormelde alternatieven niet zijn onderzocht dan wel waarom het verval van de functies van (P3) Customer Service Engineer en Service Lead viel te prefereren boven die alternatieven. Ook dit draagt bij aan het oordeel, dat moet worden vastgesteld dat Honeywell bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot het Besluit.

3.15

De Ondernemingskamer zal dienovereenkomstig beslissen. Zij zal Honeywell voorts de verplichting opleggen om het Besluit in te trekken, alsmede haar verbieden om handelingen te verrichten of te doen verrichten ter uitvoering van het Besluit of van onderdelen daarvan.

4 De beslissing

De Ondernemingskamer:

verklaart dat Honeywell B.V. bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot haar besluit van 25 april 2014 tot “organisatiewijziging van P3 posities in het LSS team van HPS te Amsterdam”;

legt Honeywell de verplichting op om dit besluit in te trekken;

verbiedt Honeywell om handelingen te verrichten of te doen verrichten ter uitvoering van dit besluit of van onderdelen daarvan;

wijst het meer of anders verzochte af.

De beschikking is gegeven door mr. P. Ingelse, voorzitter, mr. E.F. Faase en mr. G.C. Makkink, raadsheren, en G.A. Cremers en prof. dr. mr. F. van der Wel RA, raden, in tegenwoordigheid van mr. F.L.A. Straathof, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 8 september 2014.