Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:3884

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-09-2014
Datum publicatie
20-01-2015
Zaaknummer
200.129.707-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroepsfout van advocaat door na te laten de beschikking op bezwaar ( tegen ontslagbesluit van B&W van gemeente ) aan de appellant te zenden, met als gevolg dat deze niet meer tijdig beroep kon instellen. Causaal verband met schade onvoldoende gesteld, nu niet met voldoende mate van zekerheid kan worden geoordeeld dat een tijdig ingesteld beroep zou zijn geslaagd. Kosten van juridisch advies over causaliteitsvraag zijn geen kosten als bedoeld in art. 6:96, aanhef en onder b, BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team 1

zaaknummer : 200.129.707/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : 502698/HA ZA 11-2642

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 september 2014

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. A.C. van der Bent te Rotterdam,

tegen

de naamloze vennootschap LEXENCE N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. P.J. De Jong Schouwenburg te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en Lexence genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 8 april 2013 in hoger beroep gekomen van vonnissen van de rechtbank Amsterdam van 11 juli 2012 en 9 januari 2013, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en Lexence als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- akte houdende vermeerdering van eis, met producties;

- memorie van antwoord;

- akte na memorie van antwoord;

- antwoordakte.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft na wijziging van eis geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen voor zover zijn vorderingen in eerste aanleg zijn afgewezen en, uitvoerbaar bij voorraad, alsnog deze vorderingen integraal zal toewijzen, alsook Lexence zal veroordelen tot betaling aan hem van kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid ten bedrage van € 1.597,20, met beslissing over de proceskosten.

Lexence heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen, met beslissing over de proceskosten.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

2.1

De rechtbank heeft in het in deze zaak gewezen tussenvonnis van 11 juli 2012 onder 2 (2.1 tot en met 2.16) de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende:

2.2

[appellant] is sinds 1 augustus 1978 werkzaam geweest als ambtenaar bij de gemeente Rotterdam. Per 15 april 2005 is hij benoemd in de functie Expert bouwkunde en bouwtechniek bij de dS+V (voorheen de Dienst Stedenbouw en Volkshuisvesting) van die gemeente.

2.3

Op 28 augustus 2007 heeft de gemeente Rotterdam IRS Forensic Services and Investigations B.V. (hierna: IRS) opdracht gegeven het handelen van dS+V in veertien gevallen te onderzoeken.

2.4

IRS heeft op 20 mei 2008 haar conclusies gerapporteerd over de rol van [appellant] in de door haar onderzochte veertien gevallen. Volgens IRS is in vijf gevallen sprake van een mogelijke belangenverstrengeling, in drie gevallen van een verdenking van ambtelijke corruptie (artikelen 362 dan wel 363 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: WvS)), in vier gevallen van een verdenking van schending geheimhoudingsplicht (artikel 272 WvS in verbinding met artikel 125 lid 3 van de Ambtenarenwet) en in één geval van een verdenking van valsheid in geschrift (artikel 225 WvS). Verder is volgens IRS in drie gevallen ook sprake van verdenking dat [appellant] de gedragsprotocollen voor ambtenaren van de gemeente Rotterdam heeft geschonden.

2.5

[appellant] is bijzonder verlof verleend in verband met dit onderzoek en hij is

uitgenodigd voor een gesprek hij IRS. Lexence heeft [appellant] bijgestaan.

2.6

Op 3 februari 2010 heeft de Rijksrecherche, die in opdracht van de gemeente

Rotterdam onderzoek heeft verricht naar de gedragingen van [appellant], een uitgebreid proces-verbaal van haar onderzoek aan de gemeente afgegeven. Op grond daarvan heeft de gemeente op 11 maart 2010 aan [appellant] kenbaar gemaakt voornemens te zijn over te gaan tot zijn strafontslag wegens vermeend plichtsverzuim.

2.7

Op 31 maart 2010 hebben [appellant] en Lexence overleg gehad. Naar aanleiding van dat overleg heeft [appellant] zijn zienswijze op het voorgenomen ontslag ingediend bij de gemeente Rotterdam.

2.8

Bij brief van 12 april 2010 heeft de algemeen directeur van dS+V aan [appellant]

geschreven:

‘Uw zienswijze van 31 maart 2010 is door mij ontvangen en bestudeerd. lk zie daarin geen aanleiding af te zien van mijn voornemen u bij de Wethouder voor te dragen voor onvoorwaardelijk strafontslag. (...) Een kopie van deze brief zond ik heden aan uw advocaat (...).’

2.9

Bij besluit van 12 april 2010 is [appellant] geschorst met onmiddellijke ingang onder volledige inhouding van bezoldiging.

2.10

Lexence heeft hij brief van 12 april 2010 aan [appellant] geschreven, voor zover

van belang:

‘Met betrekking tot het strafontslag het volgende. De gemeente Rotterdam is van mening dat u zich schuldig hebt gemaakt aan zeer ernstig plichtverzuim. (...) U zou, aldus de gemeente Rotterdam, structureel en stelselmatig de schijn van belangenverstrengeling hebben gewekt. Ook zou u in strijd met de geldende regels nevenwerkzaamheden hebben verricht en diverse geschenken hebben aangenomen. Bovendien zou u zich hebben bevoordeeld ten laste van de Dienst Stedenbouw en Volkshuisvesting. (...)

Op 14 februari 2006 heeft de gemeente Rotterdam (...) de nevenwerkzaamheden van haar medewerkers geïnventariseerd. Uw werkzaamheden werden (...) acceptabel bevonden, omdat u had aangegeven dat u zich niet meer bezighield met onder andere “het adviseren en begeleiden van (bouwkundige) projecten voor opdrachtgevers (...)”.

In het procesverbaal zijn evenwel verschillende nota’s opgenomen waaruit volgens de gemeente Rotterdam volgt dat u ook in 2007 advieswerkzaamheden hebt verricht voor LSI buiten Rotterdam. (...) hebt u bewijsstukken waaruit blijkt dat deze werkzaamheden vóór 14 februari 2006 zijn verricht?

In dit kader speelt ook nog het gegeven dat de heer [X], directeur van LSI, voor de aanleg van een brug/steiger bij zijn woonhuis een vergunning heeft aangevraagd bij de gemeente. (...) Uit het dossier volgt dat u als Voorzitter Vergunningen (...) bemoeienissen hebt gehad met deze kwestie. (...) U hebt in deze periode (...) overleg gevoerd met de heer [X] (...) over de benodigde bouwvergunningen. U hebt tijdens dit overleg informatie gegeven ten behoeve van het aanvraagproces. Vervolgens is er een vergunning aangevraagd voor een steiger in plaats van een brug, die uiteindelijk is verleend. Hieruit zou de gemeente kunnen concluderen dat u de heer [X] hebt geadviseerd ten nadele van de deelgemeente (...). De schijn van belangenverstrengeling zou daardoor aanwezig kunnen zijn. (...)

Voorts speelt er de aankoop van twee appartementen in het complex “Bergsteijn”. Bij de bouw van dit appartementencomplex bent u als ambtenaar betrokken geweest. Nadat alle vergunningen waren verleend, en u dus geen zakelijke betrokkenheid meer bij het project had, hebt u zich tot de verkoper gewend met de wens twee appartementen te kopen. (...) U hebt bij de onderhandelingen een korting bedongen bij de aankoop van twee appartementen (...). De aankoop is uiteindelijk niet doorgegaan (...). Uw betrokkenheid bij de bouw van dit appartementencomplex als behandelend ambtenaar blijft wel een lastig punt. (...)

De Centrale Raad van Beroep liet d.d. 30 november 2006 (...) in het midden of de ambtenaar (...) financieel voordeel had genoten. De gewekte schijn van ontoelaatbare belangenverstrengeling was al voldoende om zeer ernstig plichtsverzuim aan te nemen. Het opgelegde strafontslag was niet onevenredig opgelegd “Gelet op de grote betekenis die om redenen van algemeen belang moet worden gehecht aan de betrouwbaarheid en onkreukbaarheid van juist ook de ambtenaar die, zoals betrokkene, als tussenschakel tussen de overheid en het bedrijfsleven functioneert.”

Met betrekking tot de scriptie-zaak (het kopiëren van stukken op kosten van de gemeente Rotterdam) en de Kenia-zaak (op kosten van een relatie van de gemeente Rotterdam fietsen in Kenia) wordt verwezen naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep d.d. 10 augustus 2006, waarin een ambtenaar zich ten laste van de provincie had bevoordeeld, onder andere doordat hij gebruik had gemaakt van diensten van medewerkers van de Provincie. Daarnaast had diezelfde ambtenaar op kosten van een bedrijf een reis gemaakt (...). Met de onderneming onderhield de ambtenaar vanuit zijn functie een zakelijke relatie. De Raad oordeelde (...) dat er sprake was van een ontoelaatbare belangenverstrengeling (...). Er was daarom sprake van plichtsverzuim. Over het aannemen van geschenken van zakelijke relaties heeft de Raad d.d. 25 november 1999 opgemerkt dat het niet geoorloofd is, ook wanneer geen tegenprestatie wordt verlangd door de “verstrekker”. (...)

Van plichtsverzuim is sprake indien komt vast te staan dat de schijn van belangenverstrengeling is gewekt. Volgens de Centrale Raad van Beroep is hierbij mede van belang of de ambtenaar zich bewust was van het feit dat hij de grenzen van het toelaatbare overschreed. (...) In dit kader wijs ik met name op de zaak Bergsteijn, waar u expliciet aan de projectleider verzoekt niet op de koperslijst te worden genoemd. Hierin zou, onder verwijzing naar de uitspraken van de Centrale Raad, de bestuursrechter een aanwijzing kunnen zien dat u zich bewust bent dat de grens van het toelaatbare is overschreden.

In dit kader wordt opgemerkt dat hoe hoger de ladder, hoe hoger de eisen zijn die worden gesteld aan de integriteit van een ambtenaar. (...) Volgens de Raad heeft iedere ambtenaar, en in het bijzonder een hooggeplaatste ambtenaar, zijn eigen verantwoordelijkheden.

(...) de Bergstijnzaak en de scriptiezaak kunnen, in samenhang bezien met de schijn die tegen u werkt in het geval van de informatieverstrekking aan de heer [X], wellicht voldoende zijn het strafontslag als niet onevenredig te beoordelen. (...)’

2.11

Op 1 juli 2010 heeft het College van Burgemeester en Wethouders besloten

[appellant] met onmiddellijke ingang te ontslaan wegens ernstig tot zeer ernstig plichtsverzuim (hierna: het ontslagbesluit). Het ontslagbesluit is aan de hand van zeven casus (casus A tot en met G) uitgebreid gemotiveerd en betrekt daarbij de destijds naar voren gebrachte zienswijze en verweren van [appellant].

2.12

Op 10 augustus 2010 is bezwaar gemaakt tegen het ontslagbesluit.

2.13

Op 26 oktober 2010 heeft de Algemene Bezwaarschriftencommissie van de gemeente Rotterdam schriftelijk advies uitgebracht aan burgemeester en wethouders. Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Rotterdam heeft het bezwaar van [appellant] tegen het schorsingsbesluit en het ontslagbesluit ongegrond verklaard. De beschikking op bezwaar is op 25 november 2010 op schrift gezet en geadresseerd aan Lexence.

2.14

[appellant] is niet (tijdig) in beroep gekomen tegen de beschikking op bezwaar van 25 november 2010, waardoor deze onherroepelijk is geworden.

2.15

[appellant] heeft Lexence het verwijt gemaakt dat het niet benutten van de beroepsmogelijkheid bij de bestuursrechter het gevolg is van een beroepsfout van Lexence. [appellant] heeft Lexence in rechte betrokken en schadevergoeding gevorderd.

2.16

[appellant] is bij vonnis van 22 november 2011 van de rechtbank Rotterdam veroordeeld ter zake van, kortweg, ambtelijke omkoping (artikel 362 WvS), meermalen gepleegd. In hoger beroep is [appellant] alsnog hiervan vrijgesproken bij arrest van 10 juli 2013 van het Gerechtshof Den Haag.

2.17

Op 17 oktober 2013 heeft [Y] (hierna: [Y]) op verzoek van (de huidige raadsman van) [appellant] een juridisch advies uitgebracht, inzake de kans van succes in het geval namens [appellant] tijdig beroep zou zijn ingesteld tegen de beslissingen op bezwaar van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Rotterdam. De conclusies van [Y] luiden voor zover hier relevant als volgt:

‘Conclusies

Uit het bovenstaande valt af te leiden, dat ik van mening ben dat de heer [appellant] op een aantal essentiële punten er niet in slaagt om hetgeen de werkgever heeft gesteld voldoende te weerspreken. (…)

Daar staat tegenover dat het de vraag is of alle voorbeelden die aan het ontslagbesluit ten grondslag zijn gelegd, staande zijn te houden. Zoals uit het bovenstaande blijkt kan [appellant] een aantal verwijten voldoende weerspreken.

Maar alles afwegend is mijn conclusie dat de gemeente heeft kunnen constateren dat er sprake was van plichtsverzuim. De opgelegde straf van onvoorwaardelijk en oneervol ontslag is gelet op het verweten plichtsverzuim en de jurisprudentie van de CRvB waarschijnlijk niet onevenredig te noemen. Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat de kans op een ongegrondverklaring van het beroep tegen de beslissing op bezwaar d.d. 25 november 2010 groter is dan dat de argumenten die in te brengen zijn tegen een aantal verwijten er toe zouden leiden dat de gehanteerde zwaarste sanctie als disproportioneel zou worden beschouwd. Met name het feit dat de gemeente wel akkoord is gegaan met nevenwerkzaamheden buiten de gemeente Rotterdam en dat [appellant] zich daar aan heeft gehouden, zou er mogelijkerwijs toe kunnen leiden dat geconcludeerd zou worden dat een andere, minder zware disciplinaire maatregel had moeten worden opgelegd.

Als ik een weging van de beroepskansen zou moeten maken, dan acht ik de kans op een gegrondverklaring van een tijdig namens [appellant] ingesteld beroep niet hoger dan 30-40 %.’

3 Beoordeling

3.1

In deze procedure heeft [appellant] in eerste aanleg gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat Lexence aansprakelijk is voor de schade voortvloeiend uit de door Lexence gemaakte beroepsfout, bestaande uit het niet tijdig informeren van [appellant] over het bestaan van en over de inhoud van de beschikking op bezwaar van 25 november 2010, het niet tijdig adviseren van [appellant] omtrent het instellen van beroep en aldus het hem onthouden van de mogelijkheid tijdig beroep in te stellen en eventuele aanvullende rechtsmiddelen aan te wenden tegen de beschikking. Tevens heeft [appellant] gevorderd dat Lexence zal worden veroordeeld tot vergoeding aan [appellant] van de door hem geleden en te lijden schade, op te maken bij staat. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] goeddeels afgewezen, Lexence slechts veroordeeld tot vergoeding aan [appellant] van kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid ten bedrage van € 2.773,47, en de proceskosten van partijen gecompenseerd aldus dat ieder de eigen kosten draagt. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat Lexence weliswaar een beroepsfout jegens [appellant] heeft begaan, maar dat het causaal verband tussen deze beroepsfout en de door [appellant] gestelde schade niet kan worden vastgesteld. De rechtbank heeft het namelijk onvoldoende zeker geacht dat er een reële kans bestond dat het strafontslag na een ingestelde en gevolgde beroepsprocedure zou zijn teruggedraaid.

3.2

Tegen deze gedeeltelijke afwijzing van zijn vorderingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met zijn grieven op. Grief I ziet op de overweging van de rechtbank dat uit de relevante jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB ) volgt dat bij plichtsverzuim van een ambtenaar zijn strafontslag niet als onevenredig wordt gezien. Grief II richt zich tegen de oordelen van de rechtbank dat niet met voldoende zekerheid kan worden gezegd dat er na een beroepsprocedure een reële kans bestond dat het strafontslag van [appellant] zou zijn teruggedraaid en dat daarmee het causaal verband niet kan worden vastgesteld tussen de beroepsfout van Lexence en de door [appellant] gestelde schadeposten betreffende inkomstenderving, gemiste pensioenopbouw, gederfde aanspraak op WW en imagoschade. Grief III komt op tegen de afwijzing van de gevorderde verklaring voor recht en de (gedeeltelijke) afwijzing van de gevorderde schadevergoeding. Lexence heeft zich verweerd tegen de grieven van [appellant] en heeft bekrachtiging van de bestreden vonnissen bepleit.

3.3

In hoger beroep heeft [appellant] zijn eis vermeerderd met een vordering tot vergoeding van kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid ten bedrage van € 1.597,20. Omdat Lexence zich niet heeft verzet tegen de eisvermeerdering als zodanig, gaat het hof bij zijn beslissing uit van de gewijzigde eis van [appellant].

3.4

Het hof stelt vast dat in hoger beroep niet is gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank dat Lexence jegens [appellant] een beroepsfout heeft begaan door na te laten de beschikking op bezwaar naar [appellant] door te sturen, met als gevolg dat [appellant] niet meer tijdig beroep kon instellen tegen de beschikking op bezwaar. Evenmin is appel ingesteld tegen de veroordeling van Lexence tot vergoeding van de kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, door de rechtbank begroot op een bedrag van € 2.773,47. Deswege neemt ook het hof als uitgangspunt dat Lexence toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de met [appellant] gesloten overeenkomst van opdracht door niet te handelen zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht.

3.5

Voorts stelt het hof vast dat de rechtbank bij de beoordeling van de stelling van [appellant] dat Lexence aansprakelijk is voor zijn geleden en nog te lijden schade als gevolg van de beroepsfout, heeft vooropgesteld dat daarvan slechts sprake kan zijn indien aan de hand van de goede en slechte kansen in een beroepsprocedure met voldoende zekerheid kan worden aangenomen dat het ontslagbesluit alsnog zou worden vernietigd en het strafontslag van [appellant] zou worden teruggedraaid. Dat bij deze beoordeling deze maatstaf moet worden aangelegd is in hoger beroep terecht niet bestreden. Evenmin is tussen partijen in geschil dat moet worden onderzocht of een eventueel beroep tegen het besluit bij de bestuursrechter kans van slagen had gehad. De bestuursrechter zou, in geval van beroep, het besluit (ex tunc) hebben getoetst, en daarbij, gelet op de inhoud van het bestreden besluit, aan de hand van een aantal gezichtspunten die aan de relevante jurisprudentie van de CRvB kunnen worden ontleend, in het bijzonder de vraag hebben moeten beantwoorden of de nadelige gevolgen voor [appellant] van het ontslagbesluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

3.6

Met zijn grieven en de toelichting daarop bestrijdt [appellant] niet de voornoemde maatstaf of het voornoemde toetsingskader, maar de inhoudelijke toetsing daaraan. [appellant] kan zich niet vinden in de beoordeling van de rechtbank dat hetgeen hij heeft gesteld betreffende de goede en kwade kansen van de beroepsprocedure tegen het ontslagbesluit, onvoldoende is om te oordelen dat er een reële kans bestaat dat een door [appellant] ingesteld beroep zou slagen. Op basis van zijn bezwaren tegen het ontslagbesluit is [appellant] van mening dat een beroep tegen het ontslagbesluit – en zo nodig hoger beroep – wel degelijk een reële kans van slagen had, zodat het oordeel van de rechtbank omtrent het causaal verband tussen de beroepsfout en de schade van [appellant] niet in stand kan blijven. [appellant] stelt in dit verband in zijn toelichting op grief I dat alleen een hoge mate van plichtsverzuim een onvoorwaardelijk ontslag kan rechtvaardigen. Weliswaar kan, zo stelt ook [appellant] voorop, een disciplinaire maatregel worden getroffen als sprake is van plichtsverzuim, waarbij het bestuursorgaan een discretionaire bevoegdheid toekomt, maar de strengste maatregel van onvoorwaardelijk en oneervol ontslag kan onevenredig worden geoordeeld. De rechtbank zou hebben miskend, dat indien in een procedure tegen het ontslagbesluit zou zijn komen vast te staan dat van plichtsverzuim sprake is, dit op zichzelf nog niet met zich brengt dat onvoorwaardelijk ontslag gerechtvaardigd is. [appellant] stelt vervolgens dat in zijn geval het strafontslag als onevenredig zou kunnen zijn beoordeeld en dat tot de oplegging van een minder zware sanctie zou kunnen zijn besloten. Met zijn tweede grief betoogt [appellant] dat een enkele verdenking van bepaalde feiten onvoldoende is om een ontslag te rechtvaardigen. Daarbij voert [appellant] aan dat, onder meer, ten aanzien van de feiten die ten grondslag liggen aan twee hem door de gemeente Rotterdam verweten casus (casus B en C), strafvervolging is ingesteld en het Hof Den Haag hem ter zake heeft vrijgesproken. Onder toelichting van de geuite bezwaren van [appellant] tegen het ontslagbesluit en met een beroep op het oordeel van [Y], stelt [appellant] dat er wel degelijk een reële kans bestond dat het strafontslag zou zijn teruggedraaid, namelijk een kans van 30 tot 40 procent. Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

3.7

Het hof stelt bij de behandeling van de grieven voorop dat in het vonnis van de rechtbank niet gelezen wordt dat bij elke vorm van plichtsverzuim van een ambtenaar hoe dan ook een strafontslag niet onevenredig is. Uit de motivering van de rechtbank blijkt dat zij niet heeft miskend dat uit de relevante jurisprudentie van de CRvB volgt dat de aard en de ernst van het plichtsverzuim mede maatgevend is. De rechtbank heeft, in het licht van de relevante jurisprudentie van de CRvB, de ernst van de diverse verwijten die [appellant] zijn gemaakt in ogenschouw genomen, alsook het negatieve advies over een mogelijke bezwaarprocedure tegen een ontslagbesluit in de brief van 12 april 2010 van Lexence. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat het op de weg van [appellant] had gelegen om in deze procedure jegens Lexence gemotiveerd te beargumenteren dat zijn kans op succes bij de bestuursrechter – gelet op de jurisprudentie van de CRvB – toereikend zou zijn geweest om causaal verband tussen de fout van zijn advocaat en de door hem gestelde schade te aanvaarden. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat hetgeen [appellant] heeft gesteld betreffende de goede en kwade kansen van de beroepsprocedure tegen het ontslagbesluit, onvoldoende is om met voldoende mate van zekerheid te oordelen dat een door [appellant] ingesteld beroep zou zijn geslaagd. Hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht kan, indien bewezen, niet tot een ander oordeel leiden. Hiertoe overweegt het hof als volgt.

3.8

Aan het ontslagbesluit is een zeer uitvoerige motivering ten grondslag gelegd die aanknoopt bij zeven casus die zijn onderzocht. De motivering overtuigt, ook als daarbij de zienswijze wordt betrokken die [appellant] naar voren heeft gebracht. Zijn bezwaren zijn opnieuw getoetst in de bezwaarfase en te licht bevonden. Ook die motivering overtuigt. Hetgeen [appellant] in dit geding heeft aangevoerd, maakt dat niet anders. Het hof overweegt daarover nog als volgt.

3.9

Wat betreft de schijn van belangenverstrengeling die [appellant] wordt verweten valt op dat hij eraan voorbij lijkt te zien dat zijn bijzondere positie in de gemeentelijke organisatie meebracht, dat hij gemakkelijk de schijn van belangenverstrengeling kon wekken en juist daarom extra behoedzaamheid in acht had te nemen. Dat heeft hij niet alleen bij de uitvoering van zijn nevenwerkzaamheden, maar ook bij de externe contacten die hij aanhield, nagelaten. De formele afgrenzingen waarop [appellant] zich beroept, helpen in dit verband niet, hetgeen hij had moeten beseffen. Ook in de gevallen dat hij als particulier zou hebben gehandeld, wisten de personen met wie hij zaken deed dan wel anderszins contact had, immers welke positie hij binnen de gemeente bekleedde. Daarmee was het gedrag van [appellant] veel minder neutraal dan hij betoogt, de inhoud van de overgelegde schriftelijke getuigenverklaringen ten spijt. Hetgeen in het besluit is aanvaard ten aanzien van de gewekte belangenverstrengeling, is van gewicht en verdient de kwalificatie structureel en stelselmatig. Ook als met [appellant] wordt aangenomen dat hij wat betreft zijn nevenwerkzaamheden heeft geopereerd binnen de geldende regels, blijft staan dat zijn werkrelatie met LSI geschikt was om de schijn van belangenverstrengeling te wekken. Wat betreft casus D heeft tot slot te gelden dat het verweer van [appellant] niets afdoet aan de bevoordeling noch aan de nalatigheid van hem. Het oordeel van [Y] die in opdracht en op verzoek van [appellant] een deskundigenbericht heeft opgesteld houdt in wezen niets anders in. Het komt er op neer dat hetgeen [appellant] aanvoert het beeld geeft dat hij een te beperkte visie heeft op hetgeen van hem mocht worden verwacht, in het bijzonder ter vermijding van de schijn van belangenverstrengeling.

3.10

De gekozen sanctie op dit gedrag valt in redelijkheid niet als onevenredig te kwalificeren. Ook de door [appellant] overgelegde conclusie van [Y] is dat de opgelegde straf van onvoorwaardelijk en oneervol ontslag gelet op het verweten plichtsverzuim en de jurisprudentie van de CRvB waarschijnlijk niet onevenredig te noemen is. De kans op een ongegrondverklaring van het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 25 november 2010 acht hij groter dan de kans dat de argumenten die in te brengen zijn tegen een aantal verwijten er toe zouden leiden dat de gehanteerde, zwaarste sanctie als disproportioneel zou worden beschouwd. Dat [appellant] in hoger beroep door het strafrechtcollege is vrijgesproken van de telastegelegde strafbare feiten, kan [appellant] in deze procedure niet baten. Het ontslagbesluit is immers in hoofdzaak gebaseerd op het verwijt dat [appellant] structureel en stelselmatig de schijn van belangenverstrengeling heeft gewekt. Voor het aannemen van een dergelijk plichtsverzuim is niet vereist dat van een strafrechtelijk bewezen verklaarde, ambtelijke omkoping sprake is. Andere feiten en omstandigheden die, indien bewezen, met voldoende zekerheid het oordeel kunnen dragen dat de kans van [appellant] op succes bij de bestuursrechter – gelet op de jurisprudentie van de CRvB – toereikend zou zijn geweest om causaal verband tussen de fout van zijn advocaat en de door hem gestelde schade te aanvaarden, zijn gesteld noch gebleken. Gelet op het voren overwogene kunnen de grieven I en II niet slagen. Grief III valt hetzelfde lot ten deel. Deze laatste grief heeft geen zelfstandige betekenis, maar bouwt voort op de grieven I en II.

3.11

Resteert de stelling van [appellant] blijkend uit de akte houdende vermeerdering van eis, dat Lexence ook aansprakelijk is voor de kosten van het deskundigenbericht van [Y] ten bedrage van € 1.597,20. Lexence heeft gemotiveerd betwist dat zij gehouden is deze kosten te voldoen. Daartoe stelt zij dat de kosten niet kwalificeren als kosten bedoeld in artikel 6:96 lid 2, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en bovendien niet in redelijkheid zijn gemaakt. Tussen partijen is terecht onomstreden dat, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid voor vergoeding in aanmerking komen op grond van artikel 6:96 lid 2, aanhef en onder b BW, ook wanneer uiteindelijk niet komt vast te staan dat daadwerkelijk schade is geleden. Voor zover de kosten echter verrichtingen betreffen ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak, zoals werkzaamheden die betrekking hebben op de feitengaring, de juridische analyse van de feiten, de bewijsgaring, de ordening, selectie en duiding van het vergaarde bewijsmateriaal, komen ze in het onderhavige geval, zoals ook de rechtbank onbestreden heeft beslist, gelet op artikel 241 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) niet voor vergoeding in aanmerking. Het hof stelt met Lexence vast dat het rapport van [Y] niet ziet op het vaststellen van de vermeende schade bestaande uit inkomstenderving, gemiste pensioenopbouw, gederfde aanspraak op WW en imagoschade en evenmin op de grondslag van aansprakelijkheid van de aangesproken partij, maar op het voor de aansprakelijkheid vereiste causale verband tussen de beroepsfout en de gestelde schade. Naar aanleiding van het in de procedure gevoerde en door de rechtbank gehonoreerde causaliteitsverweer van Lexence, is de aansprakelijkheid in eerste aanleg afgewezen en heeft [appellant] het nodig geacht zijn grieven tegen deze causaliteitsbeoordeling nader te onderbouwen met een deskundig juridisch advies. Het rapport van [Y] betreft een juridische analyse die in een geval als het onderhavige naar aard en omvang gebruikelijk is bij het voorbereiden van een procedure in hoger beroep en het samenstellen van het dossier en de memorie van grieven. Indien deze juridische analyse, zoals gebruikelijk is, door de advocaat van eiser zelf wordt gemaakt, vallen de daarmee verband houdende kosten onder proceskosten als bedoeld in artikel 241 Rv. Dat [appellant] deze juridische analyse heeft uitbesteed aan een andere jurist, maakt niet dat deze van kleur verschieten en op de voet van artikel 6:96 lid 2, aanhef en onder b BW voor vergoeding in aanmerking komen. Dit brengt het hof tot het oordeel dat de vordering van [appellant] tot vergoeding van deze kosten dient te worden afgewezen.

3.12

De slotsom is dat het hoger beroep van [appellant] faalt. Het hof zal de vonnissen waarvan beroep bekrachtigen en [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Lexence begroot op € 683,-- aan verschotten en € 894,-- voor salaris;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.B.C.M. van der Reep, A.L.M. Keirse en W.A.H. Melissen en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van 16 september 2014.