Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:3876

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-09-2014
Datum publicatie
24-09-2014
Zaaknummer
200.090.832-01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:757, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheidsrecht. Verkiezingsfraude. Schadevergoeding in verband met de kosten van het houden van herverkiezingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2016/273

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.090.832/01

zaaknummer rechtbank: 400916 / HA ZA 08-1716

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 september 2014

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. B.W.M. Zegers te Edam,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon
HOOGHEEMRAADSCHAP VAN SCHIELAND EN DE KRIMPENERWAARD,

zetelende te Rotterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. H.J.S.M. Langbroek te Den Haag.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en het Hoogheemraadschap genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 2 juli 2010, hersteld bij exploot van 28 januari 2011, in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 7 april 2010, gewezen tussen hem als gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie en het Hoogheemraadschap als eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, tevens houdende aanvulling c.q. vermeerdering van eis met producties;

- memorie van antwoord;

- akte uitlating van [appellant] .

Partijen hebben de zaak ter zitting van 10 juni 2014 doen bepleiten door hun hiervoor genoemde advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog de vordering van het Hoogheemraadschap zal afwijzen, zijn in eerste aanleg in reconventie ingestelde vordering zal toewijzen, het Hoogheemraadschap zal veroordelen tot restitutie van het door hem betaalde bedrag van € 150.000,00, te vermeerderen met wettelijke rente en te vermeerderen met schadevergoeding, nader op te maken bij staat, vermeerderd met rente en zoveel als mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

Het Hoogheemraadschap heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellant] , uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten, met rente.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

2.1

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.18 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Met grief 1 betoogt [appellant] dat zijn brief van 23 september 2004 aan de projectleider bestuursverkiezing 2004 van het Hoogheemraadschap niet tot de vaststaande feiten gerekend kan worden. Het hof volgt hem daarin niet. Tussen partijen staat vast dat [appellant] de betreffende brief heeft geschreven. Deze brief dient in de beoordeling te worden betrokken. [appellant] heeft verder ook geen gegronde reden aangevoerd waarom deze brief buiten beschouwing gelaten zou moeten worden.

Ten aanzien van de hierna te noemen uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) meent [appellant] dat deze aangehaald dient te worden inclusief de annotaties van [A] en [B] . Daarvoor bestaat geen grond. De opvattingen van [A] en [B] zijn niet aan te merken als tussen partijen vaststaande feiten. Grief 1 faalt daarmee.
Voor het overige zijn de door de rechtbank vastgestelde feiten in hoger beroep niet in geschil, zodat het hof daarvan als vaststaand zal uitgaan.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.2

In de periode van 24 september 2004 tot en met 6 oktober 2004 hebben verkiezingen van de leden van het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap plaatsgevonden. Op de verkiezingen was het Zuid-Hollands Kiesreglement Waterschappen (hierna: het Kiesreglement) van toepassing.

2.3

Het Hoogheemraadschap telt ruim 560.000 kiesgerechtigden. Het Hoogheemraadschap is ingedeeld in twee kiesdistricten (Schieland en Krimpenerwaard) en heeft vier categorieën van belanghebbenden (gebouwd, ongebouwd, ingezetenen en bedrijfsgebouwd).

2.4

Het Kiesreglement houdt onder meer het volgende in.

In artikel 16 is bepaald dat per kandidaat een opgave tot kandidaatstelling wordt ingeleverd en dat die opgave is ondertekend door ten minste tien personen, die bevoegd zijn tot kandidaatstelling. In artikel 20 is vermeld dat het stembureau uiterlijk op de vierde werkdag na de dag van de kandidaatstelling een zitting houdt tot het onderzoeken van de opgaven tot kandidaatstelling.

In artikel 53 is bepaald dat het algemeen bestuur de geloofsbrief onderzoekt en beslist of de benoemde als lid wordt toegelaten. Daarbij gaat het na of de benoemde aan de vereisten voor het lidmaatschap voldoet en geen met het lidmaatschap onverenigbare betrekking vervult, en beslist het omtrent de geschillen welke met betrekking tot de geloofsbrief of de verkiezing zelf rijzen. Het onderzoek van de geloofsbrief strekt zich niet uit tot de geldigheid van de opgaven tot kandidaatstelling.

In artikel 61 is bepaald dat, indien het algemeen bestuur besluit tot niet-toelating van één of meer leden wegens de ongeldigheid van de stemming, de voorzitter terstond nadat het besluit onherroepelijk is geworden, daarvan onverwijld kennis geeft aan het dagelijks bestuur en dat zo spoedig mogelijk nadat deze kennisgeving is ontvangen een nieuwe stemming plaatsvindt en de uitslag van de verkiezing opnieuw wordt vastgesteld.

2.5

Op 21 juni 2004 heeft [appellant] zich kandidaat gesteld voor het lidmaatschap van het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap, categorie gebouwd, kiesdistrict Schieland. Op 28 juni 2004 heeft het stembureau van het Hoogheemraadschap geconstateerd dat de bij [appellant] opgave tot kandidaatstelling slechts door vijf personen (ondersteuners) was ondertekend, onder wie slechts één eigenaar van een gebouwde onroerende zaak. [appellant] is daarvan in kennis gesteld.

2.6

[appellant] heeft daarop een aanvullende lijst ingediend met handtekeningen van dertien ondersteuners (allen eigenaar van een gebouwde onroerende zaak). Het stembureau heeft vervolgens op 2 juli 2004 vastgesteld dat de kandidatuur van [appellant] aan de voorwaarden voldeed.

2.7

Op 14 september 2004 is het Hoogheemraadschap door de projectleider waterschapsverkiezingen van het waterschap Brabantse Delta in kennis gesteld van het vermoeden dat in dat waterschap fraude was gepleegd met een aantal kandidaatstellingen doordat de handtekeningen van de ondersteuners niet (allemaal) door henzelf waren geplaatst. Een van de kandidaten op wie in dit verband een verdenking rustte was [appellant] .

2.8

Het Hoogheemraadschap heeft naar aanleiding hiervan nader onderzoek ingesteld naar de kandidaatstelling van [appellant] . Uit dit onderzoek is gebleken dat in elk geval vijf van de veertien door [appellant] genoemde ondersteuners niet voor de kandidaatstelling van [appellant] hadden getekend.

2.9

Het stembureau heeft op 23 september 2004 in een openbare zitting beraadslaagd over de kandidaatstelling van [appellant] en een andere persoon. Het ter zake opgemaakte proces-verbaal houdt onder meer in dat is gebleken dat de opgave niet is ondertekend door ten minste tien personen die bevoegd zijn tot kandidaatstelling, dat als de op dat moment bekende feiten tijdens de zitting van 2 juli 2004 het stembureau bekend zouden zijn geweest, de opgave op grond van het Kiesreglement ongeldig zou zijn verklaard, en dat het het stembureau op grond van het Kiesreglement niet is toegestaan de opgave ongeldig te verklaren, nu de kandidaatstellingsfase van de verkiezing reeds is afgesloten.

2.10

Bij brief van 23 september 2004 heeft [appellant] onder andere het volgende aan de projectleider bestuursverkiezing 2004 van het Hoogheemraadschap geschreven:


“Gisteravond vernam ik van een journalist dat er twijfels waren ontstaan over mijn kandidaatstelling. In mijn mail van gister liet ik blijken dat ik dat jammer vond. Ik zal echter mijn verantwoordelijkheid nemen en ik geef toe dat ik onjuist heb gehandeld. Ik ben te ver doorgeschoten in het geen ik wilde bereiken en heb fouten gemaakt. (…)

Onze ideeën waren goed maar de uitvoering was verkeerd. Ik was als enige op de hoogte van de onrechtmatige uitvoering en verzoek dan ook alle schuld op mij te leggen. (…)

Ik ben verantwoordelijk voor de invulling van de formulieren van de kandidaatstelling (…). De formulieren zijn gevuld met mijn handschrift (…).

De ondersteuners (…) zijn verzameld op verschillende manieren. (…) Ik geef toe dat ik de enige ben die gegevens van originele lijsten heeft overgenomen op de lijsten die zijn ingediend.

Ik kreeg bij voorbeeld op station Voorschoten voor Rijnland kiesdistrict Zuid ondersteuningsverklaringen voor Waterschap Delfland of zelfs Schieland. De informatie van verschillende originele lijsten heb ik geplaatst op de kandidaatstellingsformulieren (…). Twee dagen voor de verspreiding van de stembiljetten werd geconstateerd dat de handtekeningen niet in alle gevallen zijn gezet door de persoon met de daarbij horende gegevens. Dat klopt want ik heb de gegevens van de originele lijsten overgenomen op de in juni ingediende kandidatenlijsten. Ik meen dat ik niet heb gehandeld naar de letter maar wel naar de geest en constateer met de onderhavige waterschappen dat dit handelen onjuist was en is. Achteraf kan ik slechts mijn excuses aanbieden aan iedereen waaraan ik dit zou moeten doen. Ik doe dit bij deze.”

2.11

De stembiljetten zijn op 24 september 2004 aan de kiesgerechtigden van het Hoogheemraadschap verstuurd.

2.12

[appellant] is verkozen tot lid van het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap.

2.13

De commissie voor het onderzoek van de geloofsbrieven heeft bij brief van 27 oktober 2004 het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap (in de brief ook aangeduid als de verenigde vergadering) geadviseerd [appellant] niet toe te laten als lid. Op basis van dit advies heeft het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap bij besluit van 27 oktober 2004 besloten [appellant] niet als lid van het algemeen bestuur toe te laten.

2.14

[appellant] heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). In de uitspraak van 10 november 2004 (LJN AR6411, AB 2004, 426) heeft de Afdeling, samengevat, het volgende overwogen.

Het stembureau heeft op 2 juli 2004 de kandidaatstelling van [appellant] goedgekeurd en tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend. Door aan de weigering [appellant] toe te laten ten grondslag te leggen dat diens kandidaatstelling ongeldig was, is gehandeld in strijd met artikel 53 lid 2 Kiesreglement. Dat het stembureau tijdens een openbare zitting op 23 september 2004 op basis van nieuw gebleken feiten heeft vastgesteld dat het de kandidaatstelling van appellant ten onrechte geldig heeft verklaard, maakt dat niet anders. De Afdeling heeft om deze redenen het besluit van 27 oktober 2004 vernietigd.

2.15

De Afdeling heeft aanleiding gezien zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit. Volgens de Afdeling kan niet kan worden uitgesloten dat niet alle kiesgerechtigden ten tijde van het uitbrengen van hun stem op de hoogte waren van de door het stembureau vastgestelde onregelmatigheden, noch dat de uitkomsten van het verrichte onderzoek en hetgeen daaromtrent op dat moment al dan niet bekend is geworden bij de kiesgerechtigden, bij hen tot verwarring heeft geleid. Vervolgens heeft de Afdeling overwogen:

“Gesteld voor de vraag of die situatie het nemen van maatregelen vergde, heeft de verenigde vergadering blijkens de toelichting ter zitting uit een oogpunt van integere democratische bestuursvoering betekenis gehecht aan de aanspraak van de kiesgerechtigden om, nadat de verkiezingen hebben plaatsgevonden, niet alsnog in het ongewisse te geraken omtrent de rechtmatigheid van de kandidatenlijst, op basis waarvan zij hun kiesrecht hebben uitgeoefend. Dat de verenigde vergadering vervolgens heeft gekozen voor een maatregel die zich blijkens hetgeen hiervoor is overwogen niet verdraagt met art. 53 lid 2 kiesreglement, doet aan de houdbaarheid in rechte van dit onderliggende oordeel niet af.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat in het Kiesdistrict Schieland, categorie gebouwd, geen sprake is geweest van betrouwbare verkiezingen, waarbij het vrijelijk tot uitdrukking brengen van de wil van de kiezers was gewaarborgd. Gelet hierop en uitgaande van het oordeel van de verenigde vergadering dat in deze situatie niet berust mag worden, dient de stemming in het Kiesdistrict Schieland, categorie gebouwd, ongeldig te worden verklaard. Ingevolge art. 61 kiesreglement vindt bij niet-toelating van één of meer leden wegens ongeldigheid van de stemming een nieuwe stemming plaats en wordt de uitslag van de verkiezing opnieuw vastgesteld. Deze nieuwe stemming vindt plaats op basis van dezelfde kandidatenlijsten als de eerste. Nu de ernstige risico's voor verwarring en onzekerheid bij de kiesgerechtigden hun oorsprong vinden in hetgeen bekend is geworden omtrent de kandidaatstelling en bij enkele herstemming op basis van diezelfde kandidaatstelling zich derhalve vergelijkbare risico's zullen voordoen, kan daarmee in dit geval niet worden volstaan. In dit bijzondere geval zullen in het Kiesdistrict Schieland voor de categorie gebouwd nieuwe verkiezingen moeten worden gehouden. In dit kader zal ook de kandidaatstellingsprocedure, bedoeld in hoofdstuk 4 en 5 kiesreglement, opnieuw moeten worden doorlopen.”

2.16

Bij de nieuwe verkiezingen heeft [appellant] zich opnieuw kandidaat gesteld. Deze verkiezingen zijn ongeldig verklaard. Ook bij de herhaalde nieuwe verkiezingen, als gevolg van een uitspraak van de Afdeling van 28 juni 2005, is [appellant] , die zich andermaal kandidaat had gesteld, niet verkozen.

3 Beoordeling

3.1

Inzet van de procedure is de vordering van het Hoogheemraadschap tot verkrijging van schadevergoeding van [appellant] , te vermeerderen met rente en kosten. Het Hoogheemraadschap stelt als gevolg van het feit dat [appellant] willens en wetens (verkiezings)fraude heeft gepleegd schade te hebben geleden die [appellant] dient te vergoeden. De schade bestaat uit de kosten die gemaakt zijn om nieuwe verkiezingen te houden. Het Hoogheemraadschap houdt [appellant] uitdrukkelijk niet aansprakelijk voor de kosten van de herhaalde nieuwe verkiezingen (zie onder 2.16).
Het Hoogheemraadschap vorderde in eerste aanleg aanvankelijk veroordeling van [appellant] tot betaling van € 135.504,20, te vermeerderen met rente en kosten. [appellant] heeft onder protest € 150.000,00 aan het Hoogheemraadschap betaald. De in eerste aanleg in reconventie door [appellant] ingestelde vordering strekt ertoe dat dit bedrag door het Hoogheemraadschap aan hem wordt terugbetaald, te vermeerderen met rente. Daarnaast vordert [appellant] dat het Hoogheemraadschap wordt veroordeeld tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat. Wat dit laatste betreft verwijt [appellant] het Hoogheemraadschap een oneerlijke proceshouding als gevolg waarvan hij kosten van rechtsbijstand en verzuimuren heeft moeten maken.

3.2

De rechtbank heeft de resterende vordering van het Hoogheemraadschap toegewezen en die van [appellant] afgewezen. Tegen deze beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met zijn grieven op.

3.3

Het Hoogheemraadschap heeft zich ter onderbouwing van zijn vordering mede beroepen op het arrest dat dit hof op 16 juni 2009 heeft gewezen in de zaak tussen [appellant] als appellant en het Hoogheemraadschap van Rijnland (hierna: Rijnland) als geïntimeerde. In die zaak is geoordeeld dat [appellant] aansprakelijk is voor de door Rijnland als gevolg van onrechtmatig handelen van [appellant] geleden schade. Die zaak is volgens het Hoogheemraadschap op alle relevante onderdelen vergelijkbaar met de onderhavige zaak. Het door [appellant] tegen dit arrest ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad bij arrest van 25 maart 2011 (LJN: BP2310, NJ 2011, 139) verworpen.

3.4

Grief 3 richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat het kostenverhaal van het Hoogheemraadschap geen onaanvaardbare doorkruising vormt van de publiekrechtelijke regelingen.

3.5

Het hof neemt tot uitgangspunt dat indien een burger onrechtmatig jegens de overheid heeft gehandeld als gevolg waarvan de overheid kosten heeft moeten maken, de overheid die schade op de burger kan verhalen. Dit zou anders kunnen zijn als een publiekrechtelijke regeling van toepassing is die uitputtend de mogelijkheid van kostenverhaal regelt, dan wel als de mogelijkheid tot kostenverhaal in een regeling expliciet is uitgesloten. Van een dergelijke regeling is in het onderhavige geval geen sprake. Het hof verwijst naar hetgeen de rechtbank op dit punt heeft overwogen en maakt die overwegingen tot de zijne.
[appellant] verwijst naar de mogelijkheid die het Hoogheemraadschap heeft tot het instellen van een schadevergoedingsvordering als [appellant] strafrechtelijk vervolgd zou worden in verband met de gedragingen die ook in de onderhavige procedure aan de orde zijn. Die mogelijkheid sluit echter een civiele vordering tot schadevergoeding niet uit, zodat een van de hiervoor genoemde uitzonderingen niet aan de orde is. Reeds hierom faalt grief 3.

3.6

Grief 2 ziet in algemene zin op de door de rechtbank aanvaarde aansprakelijkheid van [appellant] . Met grief 4 betoogt [appellant] , samengevat weergegeven, dat de rechtbank ten onrechte betekenis heeft toegekend aan zijn brief van 23 september 2004 (zie r.o. 2.10), althans dat de rechtbank deze brief niet binnen de juiste context heeft beoordeeld. [appellant] meent dat hij niet aan het gestelde in deze brief kan worden ‘opgehangen’. Verder meent [appellant] dat het overschrijven van handtekeningen van de ene lijst op een andere lijst niet kan worden gekwalificeerd als het vervalsen van handtekeningen. De grieven 5 tot en met 7 bouwen op grief 4 voort en hebben onder andere betrekking op de relativiteit, toerekening en het causaal verband. De genoemde grieven zal het hof gezamenlijk behandelen.

3.7

Uit de vaststaande feiten volgt dat de kandidaatstelling van [appellant] aanvankelijk door vijf personen was ondertekend, van wie slechts één eigenaar was van een gebouwde onroerende zaak. [appellant] heeft vervolgens een aanvullende lijst ingediend met handtekeningen van dertien ondersteuners. Uiteindelijk is vastgesteld dat in elk geval vijf van de veertien door [appellant] aangedragen ondersteuners niet voor de kandidaatstelling van [appellant] hadden getekend.

3.8

In de brief van 23 september 2004 heeft [appellant] verder onder andere het volgende geschreven:

“De informatie van verschillende originele lijsten heb ik geplaatst op de kandidaatstellingsformulieren (…). Twee dagen voor de verspreiding van de stembiljetten werd geconstateerd dat de handtekeningen niet in alle gevallen zijn gezet door de persoon met de daarbij horende gegevens. Dat klopt want ik heb de gegevens van de originele lijsten overgenomen op de in juni ingediende kandidatenlijsten.”

Tijdens de comparitie van partijen in eerste aanleg heeft [appellant] voorts de volgende toelichting gegeven:

“In mijn brief van 23 september 2004 heb ik toegegeven dat ik onjuist heb gehandeld. Dit is een brief die alleen aan Schieland is uitgegaan. Ten aanzien van Schieland bestond mijn fout eruit dat ik één ondersteuning te weinig bleek te hebben voor mijn kandidaatstelling. Achtergrond daarvan was ik dat ik handtekeningen had verzameld op het station in Rotterdam. De gegevens van de personen die ik toen bereid had gevonden mij te steunen heb ik zelf overgeschreven ten behoeve van mijn opgave tot kandidaatstelling. Het klopt dat ik daarbij ook de handtekening van de betreffende personen heb overgeschreven.”

3.9

In het genoemde artikel 16 van het Kiesreglement is bepaald dat per kandidaat een opgave tot kandidaatstelling wordt ingeleverd en dat die opgave is ondertekend door ten minste tien personen die bevoegd zijn tot kandidaatstelling. Naar het oordeel van het hof bevat deze bepaling een mede tot de kandidaat en derhalve mede tot [appellant] gericht voorschrift, dat dient tot bescherming van het belang van eerlijke verkiezingen van voldoende representatieve kandidaten, een belang dat, naar [appellant] bekend was, het Hoogheemraadschap zich bij uitstek heeft aangetrokken. Uit het voorgaande volgt dat [appellant] heeft bewerkstelligd dat de handtekeningen op zijn opgave niet allemaal waren gezet door de personen die daarop stonden vermeld. Zijn opgave was in zoverre vals. Verder blijkt dat [appellant] zich ervan bewust was dat hij het voorschrift zoals dat in artikel 16 van het Kiesreglement is neergelegd heeft overtreden. Dit alles betekent dat [appellant] toerekenbaar onrechtmatig jegens het Hoogheemraadschap heeft gehandeld en hij is gehouden de schade te vergoeden die als een gevolg van zijn gedragingen aan hem kan worden toegerekend.

3.10

Het feit dat herverkiezingen zijn gehouden, zodat het Hoogheemraadschap in verband daarmee kosten heeft moeten maken, staat naar het oordeel van het hof in causaal verband (in de zin van een conditio sine qua non-verband) met de frauduleuze gedragingen van [appellant] . Ten aanzien van de toerekening geldt dat [appellant] er op bedacht diende te zijn dat het Hoogheemraadschap, geconfronteerd met de frauduleuze handelingen van [appellant] , vanuit het belang om eerlijke verkiezingen te waarborgen en met het oog op de integriteit van degenen die in het openbaar bestuur een taak vervullen, maatregelen zou treffen daaruit bestaande dat het Hoogheemraadschap hem zou trachten te weren uit het algemeen bestuur of dat herverkiezingen zouden worden gehouden. [appellant] had in verband daarmee moeten beseffen dat herverkiezingen voor het Hoogheemraadschap tot aanzienlijke financiële schade zouden leiden.

3.11

Aan de (volledige) toerekening als bedoeld in artikel 6:98 BW staat niet in de weg dat de fraude van [appellant] niet door het stembureau is ontdekt ten tijde van de toetsing van zijn kandidaatstelling, maar pas enige tijd nadat zijn kandidaatstelling was goedgekeurd. Die omstandigheid doet ook niets af aan de onrechtmatigheid van de gedragingen van [appellant] en leidt evenmin tot doorbreking van het causaal verband. Aan toerekening staat ook niet in de weg dat voor [appellant] vooraf niet was te voorzien of het algemeen bestuur gebruik zou maken van zijn discretionaire bevoegdheid ten aanzien van het toelaten van een lid dat niet aan de vereisten voor het lidmaatschap voldoet, welke concrete maatregelen uiteindelijk zouden worden getroffen of welke politieke en beleidsmatige keuzes het Hoogheemraadschap zou maken in verband met de toelating van [appellant] tot het algemeen bestuur. Daarbij is evenmin van belang dat [appellant] op het moment dat hij zich – op ongeldige wijze – kandidaat stelde niet behoefde te verwachten dat het Hoogheemraadschap na het besluit van 2 juli 2004 (waarbij is vastgesteld dat de kandidatuur van [appellant] aan de voorwaarden voldeed) zijn toelating tot het algemeen bestuur, in weerwil van de tekst van artikel 53 van het Kiesreglement, zou weigeren met een beroep op een ongeldige kandidaatstelling en dat hij toen de overwegingen van de Afdeling niet heeft kunnen voorzien. Dit brengt het hof tot de conclusie dat de uiteindelijke herverkiezingen, waarvan de Afdeling heeft geoordeeld dat die in overeenstemming zijn met het Kiesreglement en noodzakelijk waren met het oog op het belang van betrouwbare verkiezingen, zijn aan te merken als een aan [appellant] toerekenbaar gevolg van de door hem gepleegde verkiezingsfraude.

3.12

De annotaties waarnaar [appellant] verwijst en de gebeurtenissen tijdens de zitting bij de Afdeling, kunnen niet afdoen aan de bindende kracht van uitspraak van de Afdeling. Tevens ziet het hof daarin geen reden niet tot toerekening als bedoeld in artikel 6:98 BW te concluderen.

3.13

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat [appellant] aan het Hoogheemraadschap niet kan tegenwerpen dat het Hoogheemraadschap na de ontdekking van de fraude heeft geweigerd door [appellant] aangeleverde extra ondersteuners te accepteren. Gelet op het bepaalde in het Kiesreglement was de kandidaatstelling op dat moment definitief. Er konden geen nieuwe handtekeningen meer aangeleverd worden. [appellant] kan aan het Hoogheemraadschap ook niet tegenwerpen dat ervoor is gekozen de verkiezingen doorgang te laten vinden, ondanks de fraude die was ontdekt.

3.14

Met het voorgaande zijn de grieven 2 en 4 tot en met 7 vergeefs voorgesteld.

3.15

In het kader van grief 8 – die ziet op de door [appellant] in reconventie ingestelde vorderingen – heeft [appellant] geen argumenten aangevoerd die tot toewijzing van zijn vorderingen kunnen leiden. Deze grief heeft daarom geen succes.

3.16

De in hoger beroep aangevulde c.q. vermeerderde eis bouwt voort op de hiervoor besproken en verworpen grieven en deelt het lot daarvan.

3.17

[appellant] heeft onvoldoende concreet toegelicht dat en waarom het Hoogheemraadschap een oneerlijke proceshouding kan worden verweten. Die conclusie kan niet worden gebaseerd op het enkel in het geding brengen van een strafvonnis.

3.18

De grieven falen en de in hoger beroep aangevulde c.q. vermeerderde eis is niet toewijsbaar. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

wijst de in hoger beroep aangevulde c.q. vermeerderde eis af;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van het Hoogheemraadschap begroot op € 4.713,00 aan verschotten en € 7.896,00 voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na de datum waarop dit arrest is uitgesproken;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell en P.W.A. van Geloven en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 september 2014.