Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:383

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-01-2014
Datum publicatie
04-08-2014
Zaaknummer
200.130.047/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Proceskostenveroordeling in eerste aanleg en in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2014/224
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 28 januari 2014

Zaaknummer: 200.130.047/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/523151/FARK12-6359

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellante,

advocaat: mr. J.J.M. Kleiweg te Amsterdam,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde,

advocaat: mr. H.L.M. Lichteveld te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2.

De vrouw is op 11 juli 2013 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 17 april 2013 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk C/13/523151/FARK12-6359.

1.3.

De man heeft op 22 augustus 2013 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zaak is op 2 december 2013 ter terechtzitting behandeld, alwaar zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat,

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn [in] 1985 gehuwd. Hun huwelijk is op 10 februari 1997 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 22 januari 1997 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk is - voor zover thans van belang - geboren [kind] [in] 1994.

2.2.

Bij de echtscheidingsbeschikking is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] bepaald van fl. 150,- ( € 68,-) per maand.

2.3.

Bij beschikking van 21 december 2011, hersteld bij beschikking van 8 februari 2012, van de rechtbank Amsterdam is, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 22 januari 1997, de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] met ingang van 1 maart 2011 vastgesteld op € 85,- per maand.

2.4.

De man ontvangt met ingang van 10 juni 2012 een uitkering op bijstandsniveau.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is op verzoek van de man de door hem te betalen bijdrage voor [kind] met ingang van 10 juni 2012 op nihil gesteld. Daarbij is, eveneens op verzoek van de man, de vrouw veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van de man begroot op in totaal € 977,-, te voldoen aan de man.

3.2.

De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, naar het hof begrijpt - het inleidend verzoek van de man tot veroordeling van de vrouw in de proceskosten af te wijzen en de proceskosten, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep te compenseren, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist zal achten.

3.3.

De man verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van het hoger beroep.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Aan de orde in hoger beroep is de vraag of de rechtbank terecht de vrouw heeft veroordeeld in de proceskosten.

4.2.

De vrouw beantwoordt die vraag ontkennend en stelt - kort samengevat - dat zij in de procedure in eerste aanleg een rechtens te respecteren belang had.

4.3.

De man stelt – kort samengevat – dat de vrouw terecht is veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg. De vrouw weigerde in te stemmen met nihilstellling van de door hem te betalen bijdrage voor [kind], terwijl het evident was dat hij gelet op zijn uitkering, de draagkracht daartoe niet langer had. De man was daardoor genoodzaakt een procedure te starten en daarmee proceskosten te maken. De vrouw dient deze kosten aan hem te vergoeden, aldus de man.

4.4.

In zaken betreffende echtscheiding en nevenvoorzieningen pleegt de rechter de proceskosten tussen partijen te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De reden daarvan is gelegen in de aard van het geschil en het feit dat partijen gewezen partners zijn. Dat neemt niet weg dat de rechter anders kan oordelen indien de feiten daartoe aanleiding geven. Dat laatste is onder meer het geval indien de proceskosten van een van de partijen moeten worden geacht door toedoen van de andere partij nodeloos te zijn gemaakt.

4.5.

Vaststaat dat de man eerder om nihilstelling van de bijdrage voor [kind] heeft verzocht, omdat hij met ingang van 10 april 2009 een uitkering op grond van de Werkeloosheidswet ontving. Subsidiair heeft hij toen verzocht de bijdrage op nihil te stellen met ingang van de datum en zolang hem een WWB-uitkering zou worden toegekend. Die verzoeken hebben geleid tot de onder 2.3 vermelde beschikking van 21 december 2011, waarin de rechtbank met betrekking tot het subsidiaire verzoek het volgende heeft overwogen: “De rechtbank begrijpt de zorgen van de man omtrent zijn mogelijkheden op de arbeidsmarkt. De rechtbank acht het echter een te onzekere gebeurtenis om reeds nu al rekening te houden met een eventuele toekenning aan de man van een uitkering op grond van de Wet Werk en Bijstand (…). De rechtbank gaat er echter vanuit dat indien een en ander zich in juni 2012 daadwerkelijk zal realiseren de man de vrouw daarvan op de hoogte zal stellen en partijen in onderling overleg zullen bekijken of de man nog voldoende draagkracht heeft het thans vastgestelde bedrag te blijven voldoen.”

Vaststaat voorts dat de man met ingang van 10 juni 2012 een uitkering op bijstandsniveau ontvangt en dat hij de vrouw daarvan op 11 juli 2012 in kennis heeft gesteld – onder bijvoeging van bewijsstukken - met het verzoek in te stemmen met nihilstelling van de door hem te betalen bijdrage voor [kind] met ingang van 10 juni 2012. De vrouw heeft daarmee niet ingestemd, waarop de man wederom een verzoek tot nihilstelling bij de rechtbank heeft ingediend. Het verzoek van de man heeft geleid tot de bestreden beschikking waarbij de door de man te betalen bijdrage voor [kind] met ingang van 10 juni 2012 op nihil is gesteld.

4.6.

Het hof is van oordeel dat de vrouw de man, door niet in te stemmen met zijn verzoek tot nihilstelling, ten onrechte heeft genoodzaakt een gerechtelijke procedure te starten en derhalve de door hem gemaakte proceskosten dient te vergoeden. Het hof gaat voorbij aan de stelling van de vrouw dat deze procedure ten behoeve van [kind] noodzakelijk was omdat deze op 15 november 2012 jongmeerderjarig zou worden en niet gebonden zou zijn aan een door partijen onderling gemaakte afspraak tot nihilstelling van de bijdrage. De vrouw miskent dat ook een dergelijke overeenkomst van partijen in een rechterlijke beschikking kan worden opgenomen, hetgeen in het onderhavige geval aanzienlijk minder kosten met zich zou hebben gebracht, en dat deze nadien – bij een wijziging van omstandigheden – weer gewijzigd kan worden, nu de wettelijke onderhoudsplicht jegens [kind] ook doorloopt na zijn meerderjarigheid.

Voorts is het hof met de man van oordeel dat zijn kansen op de arbeidsmarkt, gelet op zijn leeftijd (hij is geboren [in] 1953), zijn gebrek aan scholing en opleiding en in aanmerking genomen de situatie op de arbeidsmarkt, nagenoeg ontbreken. De vrouw had zich dit behoren te realiseren. Daarbij komt dat de vrouw ter zitting in hoger beroep niet, althans niet voldoende gemotiveerd heeft bestreden dat zij in reactie op voormelde brief van 11 juli 2012 helemaal niet heeft aangegeven bewijzen van sollicitaties te willen zien en zonder enige motivering liet weten niet in te stemmen met het verzoek tot nihilstelling. Het hof volgt de vrouw dan ook niet in haar standpunt dat zij er belang bij had in een procedure het verweer te voeren dat de man zich voldoende zou moeten inspannen om inkomen tot het oude inkomensniveau te genereren.
Het hof merkt voorts op dat de vrouw ter zitting in eerste aanleg alsnog met de verzochte nihilstelling heeft ingestemd, behoudens voor zover het de verzochte ingangsdatum betrof.

Ook hetgeen de vrouw in hoger beroep voor het overige heeft aangevoerd, rechtvaardigt niet dat zij haar instemming aan het verzoek van de man tot nihilstelling heeft onthouden en leidt evenmin tot de gevolgtrekking dat zij ten onrechte in de proceskosten is veroordeeld. Haar beroep op de emotionele geladenheid van de problematiek tussen partijen in het verleden, haar hogere behoefte aan een bijdrage en haar onvermogen om aan de proceskostenveroordeling te voldoen, brengen in het oordeel van het hof derhalve geen verandering.

4.7.

De bestreden beschikking dient derhalve te worden bekrachtigd. Het hiervoor overwogene kan tot geen andere conclusie leiden dat dan dat de vrouw ook in hoger beroep in de proceskosten moet worden veroordeeld. Het hof acht termen aanwezig om het aan salaris advocaat te liquideren bedrag te beperken tot 1 punt (tarief II), en derhalve te waarderen op
€ 894,-.

4.8.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

veroordeelt de vrouw in de proceskosten van het hoger beroep, aan de zijde van de man begroot op € 299,- aan verschotten en € 894,- aan salaris advocaat;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.N. van de Beek, mr. A. van Haeringen en mr. J. Kok in tegenwoordigheid van mr. C.M. van Harten als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2014.