Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:3805

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-09-2014
Datum publicatie
17-09-2014
Zaaknummer
13/00082
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De heffing van overdrachtsbelasting is rechtmatig; niet in strijd met artikel 1 van het eerste protocol bij het EVRM en/of artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de EU.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2166
JHG 2015/10
V-N Vandaag 2014/1864
V-N 2014/65.27
Mr. P.W. Hofman annotatie in NTFR 2015/2020

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 13/00082

11 september 2014

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X], wonende te [Z], belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 12/2684 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Ter zake van de verkrijging van de onroerende zaak [A-straat 1] te [Z] (hierna: de onroerende zaak) is een bedrag aan overdrachtsbelasting voldaan.

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de voldoening van het onder 1.1 bedoelde bedrag bezwaar gemaakt en verzocht om teruggaaf van (een deel van) het bedrag, welk verzoek door de inspecteur bij uitspraak op bezwaar is afgewezen.

1.3.

Tegen de uitspraak op bezwaar is beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van 20 december 2012 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 4 februari 2013, aangevuld bij brief van 28 februari 2013. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2014. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’):

“2.1. Bij akte van levering van 28 november 2011 verkrijgt eiser het woonhuis met garage, erf en tuin aan de [A-straat 1] te [Z] voor een koopsom van € 520.000.

2.2.

In verband met die levering is de onder 1.1 bedoelde overdrachtsbelasting voldaan naar een tarief van 2%.”

2.2.

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals in eerste aanleg is in hoger beroep in geschil of de heffing van overdrachtsbelasting rechtmatig is. Niet (meer) in geschil is dat door middel van het op 31 januari 2013 gedagtekende hoger beroepschrift tijdig hoger beroep is ingesteld.

3.2.

Belanghebbende verdedigt en de inspecteur betwist dat de heffing van overdrachtsbelasting in strijd is met artikel 1 van het eerste protocol bij het EVRM (hierna: artikel 1 EP) en/of met artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest).

3.3.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

4 Beoordeling van het geschil in hoger beroep

4.1.

Artikel 1 EP luidt als volgt:

“Every natural or legal person is entitled to the peaceful enjoyment of his possessions. No one shall be deprived of his possessions except in the public interest and subject to the conditions provided for by law and by the general principles of international law.

The preceding provisions shall not, however, in any way impair the right of a State to enforce such laws as it deems necessary to control the use of property in accordance with the general interest or to secure the payment of taxes or other contributions or penalties.”

4.2.

Belastingheffing vormt in beginsel een inbreuk op het recht gegarandeerd door het eerste onderdeel van artikel 1 EP “since it deprives the person concerned of a possession, namely the amount of money which must be paid” (vgl. EHRM, 29 april 2008, nr. 13378/05 Burden v. The UK).

4.3.

Inbreuk op het eigendomsrecht door belastingheffing is desalniettemin in beginsel gerechtvaardigd door het bepaalde in het tweede onderdeel van artikel 1 EP, dat uitdrukkelijk voorziet in een uitzondering voor – onder andere – de heffing van belastingen.

4.4.

Volgens vaste jurisprudentie van het EHRM geldt voorts dat: “In matters of general social and economic policy, on which opinions within a democratic society may reasonably differ widely, the domestic policy-maker should be afforded a particularly broad margin of appreciation”, en in het bijzonder ten aanzien van belastingheffing dat: “when framing and implementing policies in the area of taxation a Contracting State enjoys a wide margin of appreciation and the Court will respect the legislature’s assessment in such matters unless it is devoid of reasonable foundation” (vgl. EHRM, 27 mei 2014, nr. 18485/14, Berkvens v. The Netherlands).

4.5.

Naar het oordeel van het Hof heeft de wetgever de hem toekomende ‘wide margin of appreciation’ niet overschreden door de heffing van overdrachtsbelasting te beperken tot de verkrijging van in Nederland gelegen onroerende zaken of van rechten waaraan deze zijn onderworpen, en niet ook verkrijging van allerlei andere vermogensbestanddelen aan de heffing van de belasting te onderwerpen. De omstandigheid dat belastingplichtigen die vaker een onroerende zaak verkrijgen ook vaker geconfronteerd worden met de heffing van de belasting maakt dit niet anders.

4.6.

Artikel 1 EP houdt in dat elke inbreuk door de Staat op het ongestoorde genot van eigendom van een natuurlijk of rechtspersoon in overeenstemming met het nationale recht dient te zijn. Deze rechtsgeldigheid veronderstelt dat het toepasselijke nationale recht voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar in de uitoefening is.

Nu de heffing heeft plaatsgevonden in overeenstemming met hoofdstuk II van de Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970 (in het bijzonder ook in overeenstemming met het bepaalde in de artikelen 2 en 14 van die wet), terwijl bovendien in redelijkheid niet kan worden volgehouden dat genoemde wetgeving onvoldoende precies en voorzienbaar in de uitoefening is, is aan het vereiste van rechtsgeldigheid voldaan. Daarbij verdient opmerking dat het de wetgever in beginsel vrij staat wetten – in het bijzonder ook ten aanzien van het tarief – te veranderen nu de wetgever anders de mogelijkheid zou worden ontnomen om wetten in te voeren of te wijzigen, bijvoorbeeld naar aanleiding van nieuwe ontwikkelingen of gewijzigde beleidsinzichten (vgl. EHRM, 8 juli 1986, nr. 9006/80, Lithgow and others v. The UK). Aan dit uitgangspunt zijn beperkingen gesteld als het gaat om wijzigingen met terugwerkende kracht ten nadele van belastingplichtigen, doch een dergelijke situatie doet zich hier niet voor.

4.7.

In artikel 1 EP ligt eveneens besloten dat de inbreuk een legitiem doel in het algemeen belang dient na te streven. Waar het gaat om de beoordeling van wat in het algemeen belang is en de keus van de middelen om dit belang te dienen, komt de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toe. Het voorzien in de algemene middelen van een Staat door belastingheffing dient een legitiem doel in het algemeen belang. Het is – anders dan belanghebbende lijkt te verdedigen – niet vereist dat de opbrengst van de overdrachtsbelasting een specifieke bestemming heeft en/of dat er een verband bestaat tussen de opbrengst van de belasting en de voor de Staat aan de overdracht verbonden kosten. Ook overigens vindt het Hof geen aanleiding tot het oordeel dat de wetgever de hem toekomende beoordelingsvrijheid heeft overschreden.

4.8.

Ten slotte eist artikel 1 EP dat er een redelijke verhouding (‘fair balance’) bestaat tussen voormeld algemeen belang en de bescherming van individuele rechten. Van een dergelijke redelijke verhouding is geen sprake indien de betrokken belastingplichtige wordt getroffen door een individuele en buitensporige last. Feiten of omstandigheden die het oordeel zouden kunnen rechtvaardigen dat belanghebbende door het heffen van de onder de feiten gemelde belasting getroffen is door een dergelijke last zijn niet aannemelijk geworden.

4.9.

De heffing van de overdrachtsbelasting is derhalve niet in strijd met artikel 1 EP.

4.10.

Artikel 17 van het Handvest luidt:

“Recht op eigendom

1. Een ieder heeft het recht de goederen die hij rechtmatig heeft verkregen in eigendom te bezitten, te gebruiken, erover te beschikken en te vermaken. Aan niemand mag zijn eigendom worden ontnomen, behalve in het algemeen belang in de gevallen en onder de voorwaarden waarin de wet voorziet en mits zijn verlies tijdig op billijke wijze wordt vergoed. Het gebruik van de goederen kan worden geregeld bij de wet voorzover het algemeen belang dit vereist.

2. Intellectuele eigendom is beschermd.”

4.11.

Anders dan de rechtbank heeft overwogen ziet dit artikel ook op belastingheffing. Dit kan belanghebbende echter niet baten. Ingevolge artikel 51, eerste lid, van het Handvest zijn de bepalingen van het Handvest gericht tot de instellingen en organen van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel en tot de lidstaten, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen (cursivering door het Hof). Nu een zodanige situatie zich in dezen niet voordoet, valt de onderhavige belastingheffing buiten de werkingssfeer van het Handvest.

4.12.

Ook indien het Handvest in dezen wel van toepassing zou zijn, zou dat belanghebbende niet baten. Blijkens de toelichting bij de tekst van het Handvest (CONV 828/1/03 REV 1) stemt artikel 17 van het Handvest overeen met artikel 1 EP. Nu artikel 1 EP niet aan de heffing in de weg staat, doet artikel 17 Handvest dat derhalve evenmin.

4.13.

De heffing van de overdrachtsbelasting is derhalve (ook) niet in strijd met artikel 17 van het Handvest.

Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

5 Kosten

Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep ongegrond is en de uitspraak van de rechtbank om die reden wordt bevestigd, acht het Hof geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:108 van die wet.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. F.J.P.M. Haas, voorzitter, P.F. Goes en B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Hogendoorn als griffier. De beslissing is op 11 september 2014 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.