Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:3797

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-09-2014
Datum publicatie
12-09-2014
Zaaknummer
23-001470-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dood door schuld en overtreding van artikel 6 en 7 van de WWV. De verdachte heeft als bestuurder van een personenauto over een geruime afstand afwisselend opgetrokken, gas gegeven en geremd, terwijl zijn broer het portier van die auto vast hield. Hierdoor is zijn broer gevallen en heeft hij fatale schedelbreuken en hersenbloedingen opgelopen. Het hof acht niet aannemelijk dat de verdachte de opzet op de dood of opzet op zwaar lichamelijk letsel van zijn broer had. Bij het opleggen van de straf is onder meer rekening gehouden met het feit dat de verdachte zal moeten leven met het feit dat aan zijn schuld te wijten is dat zijn broer is overleden en met het leed dat hij zijn familie en zichzelf heeft aangedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-001470-14

datum uitspraak: 12 september 2014

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 31 maart 2014 in de strafzaak onder parketnummer 13-666679-12 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
29 augustus 2014, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

Feit 1 primair:


hij op of omstreeks 17 juni 2012 te Amsterdam opzettelijk (zijn broer) [broer verdachte] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een door hem bestuurde personenauto (witte Mercedes-Benz C 220 Cdi met kenteken [kenteken]), terwijl voornoemde [broer verdachte] aan de bestuurderszijde van voornoemde personenauto (aan het portier) hing, meermalen, althans eenmaal, over een (geruime) afstand (van ongeveer 127 meter) afwisselend (hard) opgetrokken en/of gas gegeven en/of (vervolgens) (hard) geremd, ten gevolge waarvan voornoemde [broer verdachte] eenmaal of meermalen ten val is gekomen, en/of (vervolgens) (met hoge, althans aanzienlijke, snelheid) met voornoemde personenauto tegen en/of over voornoemde [broer verdachte] aan/heen gereden, ten gevolge waarvan voornoemde [broer verdachte] is overleden;

Feit 1 subsidiair:


hij op of omstreeks 17 juni 2012 te Amsterdam aan (zijn broer) [broer verdachte] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een of meer zeer uitgebreide schedelbreuk(en) en/of een fors gezwollen brein en/of diverse hersenbloedingen), heeft toegebracht, door opzettelijk met een door hem bestuurde personenauto (witte Mercedes-Benz C 220 Cdi met kenteken [kenteken]), terwijl voornoemde [broer verdachte] aan de bestuurderszijde van voornoemde personenauto (aan het portier) hing, meermalen, althans eenmaal, over een (geruime) afstand (van ongeveer 127 meter) afwisselend (hard) op te trekken en/of gas te geven en/of (vervolgens) (hard) te remmen, ten gevolge waarvan voornoemde [broer verdachte] eenmaal of meermalen ten val is gekomen, en/of (vervolgens) (met hoge, althans aanzienlijke, snelheid) met voornoemde personenauto tegen en/of over voornoemde [broer verdachte] aan/heen te rijden, ten gevolge waarvan voornoemde [broer verdachte] is overleden;

Feit 1 meer subsidiair:


hij op of omstreeks 17 juni 2012 te Amsterdam, door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, met een door hem bestuurde personenauto (witte Mercedes-Benz C 220 Cdi met kenteken [kenteken]), terwijl (zijn broer) [broer verdachte] aan de bestuurderszijde van voornoemde personenauto (aan het portier) hing, meermalen, althans eenmaal, over een (geruime) afstand (van ongeveer 127 meter) afwisselend (hard) op te trekken en/of gas te geven en/of (vervolgens) (hard) te remmen, tengevolge waarvan voornoemde [broer verdachte] eenmaal of meermalen ten val is gekomen, en/of (vervolgens) (met hoge, althans aanzienlijke snelheid) met voornoemde personenauto tegen en/of over voornoemde [broer verdachte] aan/heen te rijden, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat voornoemde [broer verdachte] zodanig letsel, te weten een of meer zeer uitgebreide schedelbreuk(en) en/of een fors gezwollen brein en/of diverse hersenbloedingen, heeft bekomen, dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden;

Feit 2:


hij op of omstreeks 17 juni 2012 te Amsterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto (witte Mercedes-Benz C 220 Cdi met kenteken [kenteken])), daarmede rijdende over de weg, het Zaandammerplein, zich zodanig, te weten roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [broer verdachte] (zijn broer)) zodanig zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen dat hij kort erna aan de gevolgen daarvan is overleden;

bestaande dat gedrag hieruit: verdachte heeft gereden over het Zaandammerplein;

- terwijl hij niet in het bezit was van een geldig rijbewijs en/of

- terwijl hij ter plaatse bekend was;

verdachte heeft met voornoemde personenauto, terwijl voornoemde [broer verdachte] aan de bestuurderszijde van voornoemde personenauto (aan het portier) hing, meermalen, althans eenmaal, over een (geruime) afstand (van ongeveer 127 meter) afwisselend (hard) opgetrokken en/of gas gegeven en/of (vervolgens) (hard) geremd, tengevolge waarvan voornoemde [broer verdachte] eenmaal of meermalen ten val is gekomen, en/of (vervolgens) (met hoge, althans aanzienlijke, snelheid) met voornoemde personenauto tegen en/of over voornoemde [broer verdachte] aan/heen gereden, waardoor voornoemde [broer verdachte] zodanig zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen dat hij kort erna aan de gevolgen daarvan is overleden;

Feit 3:


hij op of omstreeks 17 juni 2012 te Amsterdam als bestuurder van een motorrijtuig (witte Mercedes-Benz C 220 Cdi personenauto met kenteken [kenteken]) betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op het Zaandammerplein, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl door hem, verdachte, een ander ((zijn broer) [broer verdachte]), die bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achter gelaten.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring, te weten van het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde, en een andere strafoplegging komt dan de rechtbank.

Bewijsoverweging

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt het hof de volgende gang van zaken af.

Op 17 juni 2012 omstreeks 01.00 uur ’s nachts stond het latere slachtoffer [broer verdachte] (hierna: [broer verdachte]) in de buurt van de woning van diens ouders aan de bestuurderszijde van de witte Mercedes-Benz met kenteken [kenteken], zijnde een voertuig dat op naam van verdachte is geregistreerd, door het open raam te praten met de bestuurder van die auto. Het gesprek verliep toen rustig.

Op een gegeven moment reed de bestuurder van de Mercedes stapvoets weg, waarbij [broer verdachte] met de auto mee liep en zich vast hield aan de deurstijl, ter hoogte van het open raam. De bestuurder van de Mercedes vermeerderde vervolgens snelheid. [broer verdachte] rende met de auto mee, terwijl hij zich bleef vasthouden. De bestuurder van de Mercedes stopte en reed weer verder. [broer verdachte] is vervolgens gevallen en weer opgestaan, waarna hij achter de rijdende auto aan rende en de auto opnieuw bij de stijl van het linker voorportier vastpakte. De bestuurder van de auto gaf weer gas bij. Op een bepaald moment heeft [broer verdachte] de auto vanwege de snelheid waarmee deze reed, moeten loslaten en is hij nogmaals gevallen. De auto is hierna met verhoogde snelheid weggereden.

[broer verdachte] werd direct daarna bewusteloos op de grond aangetroffen met veel bloed bij zijn hoofd. [broer verdachte] is overgebracht naar het VU ziekenhuis, alwaar bij hem verschillende schedelbreuken en hersenbeschadigingen zijn geconstateerd, ten gevolge waarvan hij is komen te overlijden. Het bij [broer verdachte] geconstateerde letsel is te verklaren door een of meer geweldsincidenten aan de schedel, een beeld dat kan passen bij een scenario waarbij [broer verdachte] eenmaal of meermalen is geraakt aan het hoofd door een voertuig of door contact met de grond (zie rapport NFI d.d. 20 november 2012, arts patholoog drs. [deskundige]). De bewuste Mercedes-Benz is op 18 juni 2012 aangetroffen op het Jan Goeverneurhof in Amsterdam West. De auto was op dat moment afgesloten en er zijn geen bijzonderheden waargenomen (proces-verbaal aantreffen signaleerbaar motorvoertuig, p. 70 e.v.). Tevens was het voertuig voorzien van een extra stuurslot, dat om het stuurwiel was bevestigd en middels een cilinderslot afgesloten was (proces-verbaal van bevindingen, p. 183 e.v.). Een sleutel passend op dit stuurslot is later in de woning van de (ouders van de) verdachte aangetroffen (processen-verbaal van bevindingen, p. 192 e.v. en p. 204 e.v.).

Gelet op het voorgaande gaat het hof er van uit dat [broer verdachte] met zijn hoofd hard tegen en/of onder de Mercedes-Benz en/of op de grond terecht is gekomen, toen hij door het rijgedrag van de bestuurder van de auto voor de tweede keer ten val is gekomen. Door de toen ontstane letsels is [broer verdachte] overleden.

De vraag die thans aan het hof voorligt is of op basis van de stukken in het dossier kan worden vastgesteld of het de verdachte was die op het bewuste moment voornoemde Mercedes-Benz bestuurd heeft, hetgeen de verdachte ten stelligste ontkent. Het hof beantwoordt die vraagt bevestigend en overweegt dienaangaande als volgt.

De Mercedes-Benz staat op naam van de verdachte en hij kon beschikken over de sleutels van deze auto en van het extra stuurslot. Het dodelijke ongeval heeft op 17 juni 2012 omstreeks 01.00 uur ’s nachts plaatsgevonden. Op dat moment was de verdachte, blijkens onder meer de historische telefoongegevens, in de buurt van de plaats van het delict. Om omstreeks 01.43 uur peilde de telefoon van de verdachte uit op de locatie Henrik van Veldekehof, zijnde een locatie in de directe omgeving van het Jan Goeverneurhof, alwaar de volgende dag de Mercedes-Benz is aangetroffen (proces-verbaal van bevindingen, p. 89 e.v.). Deze feiten vormen er een sterke aanwijzing voor dat de verdachte de bestuurder van de auto was op het moment van het ongeval. Daar komt nog bij dat het gesprek tussen [broer verdachte] en de bestuurder van de Mercedes-Benz voorafgaande aan het ongeval aanvankelijk rustig van aard was. Op grond hiervan is het waarschijnlijk dat [broer verdachte] en de bestuurder elkaar kenden.

De verdachte ontkent de bestuurder te zijn geweest van zijn Mercedes-Benz ten tijde van het ongeval en heeft het volgende alternatief scenario geschetst. Tijdens het ongeval sliep de verdachte in de woning van zijn ouders aan het Zaandammerplein. Na het ongeval is hij door zijn moeder gewekt. Zij deelde hem mee dat [broer verdachte] geslagen was en dat de Mercedes-Benz gestolen was. Vervolgens heeft de verdachte zich aangekleed en is hij op zijn Vespa gestapt om deze auto te gaan zoeken. Hij heeft rondgereden door de stad, met name in het centrum en in Amsterdam West. Rond 05.00 uur is de verdachte door zijn vader gebeld met de mededeling dat [broer verdachte] in het ziekenhuis lag en dat het erg slecht met hem ging. De verdachte heeft daarop de scooter op slot gezet en is met de taxi naar het ziekenhuis gegaan, aldus nog steeds de verdachte.

Het hof acht dit alternatieve scenario uiterst onaannemelijk en overweegt dienaangaande als volgt. Uit niets blijkt dat de Mercedes-Benz gestolen zou zijn. De auto wordt zonder enige braakschade, afgesloten aangetroffen, waarbij tevens het extra afgesloten stuurslot op het stuur blijkt te zitten. Ook de genoemde omstandigheid dat de bestuurder en [broer verdachte] voorafgaande aan het ongeval aanvankelijk rustig met elkaar spraken, wijst geenszins in de richting van diefstal. Overigens is door de familie van de verdachte ook geen aangifte van diefstal gedaan.

Ook waar het de zoektocht van de verdachte naar zijn Mercedes-Benz betreft, acht het hof het scenario onaannemelijk. Omstreeks 01.09 uur is bij de ambulancedienst de melding van het ongeval binnengekomen. De ambulance arriveerde omstreeks 01.16 uur op het Zaandammerplein en is omstreeks 01.37 uur met het slachtoffer naar het ziekenhuis vertrokken, waar zij omstreeks 01.47 uur arriveerden (proces-verbaal van bevindingen, p. 287). Volgens de verklaring van de verdachte en zijn moeder zou zijn moeder na het vertrek van de ambulance naar de woning zijn gegaan en hem hebben wakker gemaakt, dus na ongeveer 01.37 uur. De verdachte zou zich hebben aangekleed en op zijn Vespa met zijn zoektocht zijn begonnen. Blijkens de eerder aangehaalde telefoongegevens peilde de telefoon van de verdachte om 01.43 uur uit nabij het Jan Goeverneurhof in Amsterdam West. Het is een feit van algemene bekendheid dat het Jan Goeverneurhof zich op ongeveer zes kilometer afstand van de woning van de ouders van de verdachte bevindt. Het hof verwijst hiervoor naar ‘Googlemaps’. Dat de verdachte zich heeft aangekleed en op zijn scooter al zoekend naar zijn auto binnen zes minuten in de buurt van het Jan Goeverneurhof zou zijn beland, is, voor zover al mogelijk, uiterst onwaarschijnlijk en onaannemelijk.

Daar komt nog bij dat het hof het onaannemelijk acht dat de moeder van de verdachte hem, kort nadat de ambulance was vertrokken, heeft gewekt met de mededeling dat [broer verdachte] was geslagen. Aan de moeder van de verdachte was namelijk reeds door de politie meegedeeld dat [broer verdachte] door een Mercedes-Benz was aangereden (proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], pagina 1). Voorts blijkt uit de historische telefoongegevens dat de verdachte omstreeks 01.44 uur, dus kort nadat hij door haar gewekt zou zijn, door zijn moeder is gebeld, welk gesprek 14 seconden geduurd heeft. Vervolgens heeft zijn moeder tussen 01.55.10 uur en 03.26.50 uur zeven keer de voicemail van de verdachte ingesproken, waarvan vijf keer tussen 01.55.10 uur en 02.03.11 uur, derhalve kort na het ongeval. Het eerste voicemail bericht had een duur van 43 seconden. De frequentie van de pogingen van zijn moeder om de verdachte te spreken, zeer kort na het wegrijden van de ambulances en de duur van het eerste voicemail bericht, maken het onwaarschijnlijk dat de moeder van de verdachte kort na het ongeval rechtstreeks, “fysiek”, met hem heeft gesproken.

Het alternatieve scenario zoals door de verdachte geschetst, wordt gelet op het voorgaande door het hof verworpen. De verdachte heeft geen ander alternatief scenario opgeworpen dat door het hof kan worden onderzocht. Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, komt het hof komt dan ook tot de conclusie dat de verdachte de bestuurder van de Mercedes-Benz met kenteken [kenteken] is geweest ten tijde van het dodelijke ongeval.

Het is dus de verdachte geweest die door zijn rijgedrag de veroorzaker is geweest van het letsel van [broer verdachte], waaraan deze is overleden. De gedragingen van de verdachte, hoe verwijtbaar ook, waren echter niet van dien aard dat hierdoor de aanmerkelijke kans op de dood van [broer verdachte] bestond. De verdachte dient dan ook van het onder 1 primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken wegens het ontbreken van het voor dat delict vereiste (voorwaardelijk) opzet.

Het hof zal de verdachte ook vrijspreken van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde, eveneens wegens het ontbreken van het vereiste (voorwaardelijk) opzet, te weten (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Weliswaar bestond er door het handelen van de verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer [broer verdachte], gelet op het feit dat de verdachte met een zodanige snelheid heeft gereden dat [broer verdachte] de auto niet meer lopend kon bijhouden, terwijl deze zich aan het portier van die auto vasthield, maar het hof acht niet aannemelijk dat de verdachte die kans ook heeft aanvaard.

Het hof is van oordeel dat de verdachte zich door meermalen gas te geven, op te trekken en vervolgens te remmen, terwijl zijn broer [broer verdachte] zich aan het portier van de auto vast hield, zeer onvoorzichtig heeft gedragen. Het hof acht het dan ook aan zijn schuld te wijten dat [broer verdachte] ten val is gekomen en dusdanig letsel heeft opgelopen, dat hij daaraan is komen te overlijden. Mogelijke medeschuld van het slachtoffer bestaande in het op een bepaald moment vastpakken en vasthouden van het linker voorportier van de rijdende auto en achter de rijdende auto aan rennen om de auto opnieuw vast te pakken, sluit de schuld van de verdachte niet uit. Het hof is derhalve van oordeel dat het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde feit bewezenverklaard kan worden.

Gezien de verkeersgedragingen van verdachte en het feit dat verdachte niet over een geldig rijbewijs beschikte, is het hof voorts van oordeel dat verdachte zich in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 als verkeersdeelnemer zeer onvoorzichtig heeft gedragen en acht het hof ook het onder 2 ten laste gelegde feit bewezen.

Tevens is het hof van oordeel dat de verdachte de plaats van het ongeval heeft verlaten, waarbij hij zijn broer in hulpeloze toestand heeft achtergelaten. Gezien het feit dat zijn broer eerst de portierstijl aan de bestuurderskant, dus aan de kant van de verdachte, vasthield en met de auto mee rende en later niet meer, is niet aannemelijk dat het de verdachte was ontgaan dat door zijn gedragingen zijn broer was gevallen. Het hof is van oordeel dat de verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat zijn broer door in voornoemde situatie te vallen letsel had opgelopen. Ook het onder 3 ten laste gelegde feit kan derhalve worden bewezenverklaard.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair en 1 subsidiair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Ten aanzien van feit 1 meer subsidiair:


hij op 17 juni 2012 te Amsterdam, door zeer onvoorzichtig met een door hem bestuurde personenauto (witte Mercedes-Benz C 220 Cdi met kenteken [kenteken]), terwijl zijn broer [broer verdachte] aan de bestuurderszijde van voornoemde personenauto aan het portier hing, over een geruime afstand afwisselend op te trekken en gas te geven en vervolgens te remmen, ten gevolge waarvan voornoemde [broer verdachte] ten val is gekomen, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat voornoemde [broer verdachte] zodanig letsel, te weten een zeer uitgebreide schedelbreuk en een fors gezwollen brein en hersenbloedingen, heeft bekomen, dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden.

Ten aanzien van feit 2:


hij op 17 juni 2012 te Amsterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto (witte Mercedes-Benz C 220 Cdi met kenteken [kenteken]), daarmede rijdende over de weg, het Zaandammerplein, zich zodanig, te weten zeer onvoorzichtig, heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor [broer verdachte] (zijn broer), zodanig zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen dat hij kort erna aan de gevolgen daarvan is overleden;

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over het Zaandammerplein;

- terwijl hij niet in het bezit was van een geldig rijbewijs en

- terwijl hij ter plaatse bekend was;

verdachte heeft met voornoemde personenauto, terwijl [broer verdachte] aan de bestuurderszijde van voornoemde personenauto aan het portier hing, over een geruime afstand afwisselend opgetrokken en gas gegeven en vervolgens geremd, ten gevolge waarvan [broer verdachte] ten val is gekomen, waardoor [broer verdachte] zodanig zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen dat hij kort erna aan de gevolgen daarvan is overleden.

Ten aanzien van feit 3:


hij op 17 juni 2012 te Amsterdam als bestuurder van een motorrijtuig (witte Mercedes-Benz C 220 Cdi personenauto met kenteken [kenteken]) door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op het Zaandammerplein, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl door hem zijn broer [broer verdachte], die bij dat ongeval naar hij redelijkerwijs moest vermoeden letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achter gelaten.

Hetgeen onder 1 meer subsidiair, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 meer subsidiair, 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 meer subsidiair en 2 bewezen verklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn

en

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair, 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren en voor het onder 2 en 3 ten laste gelegde tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 5 jaren.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 20 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van de periode die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en voor het onder 2 en 3 ten laste gelegde tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 5 jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft als bestuurder van een auto zeer onvoorzichtig gehandeld, waardoor bij zijn broer dusdanig letsel is toegebracht dat deze daaraan is komen te overlijden. De verdachte heeft bovendien de plaats van het ongeval verlaten, terwijl hij zijn broer in hulpeloze toestand achterliet.

Het hof realiseert zich dat de verdachte zich in een bijzondere positie bevindt, nu het slachtoffer zijn broer is en de nabestaanden van het slachtoffer zijn eigen familieleden zijn. Enerzijds kan geen enkele straf het grote leed dat door de gevolgen van dit ongeval aan de nabestaanden van [broer verdachte] is toegebracht compenseren. Anderzijds is de verdachte ook zelf nabestaande van het slachtoffer. De verdachte zal altijd moeten leven met de wetenschap dat het aan zijn schuld te wijten is dat zijn broer is overleden en met het leed dat hij daarmee zichzelf en zijn eigen familieleden heeft aangedaan. Het hof zal daarmee bij de strafoplegging rekening houden.

De rechtbank en de advocaat-generaal zijn, zoals reeds is vermeld, bij het bepalen van de strafmaat respectievelijk strafeis uitgegaan van bewezenverklaring van het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, de dood tot gevolge hebbend. Nu het hof dit niet bewezen acht, maar bewezen verklaart dat de verdachte zeer onvoorzichtig heeft gehandeld, zal in hoger beroep ook om die reden een lagere straf worden opgelegd dan in eerste aanleg is opgelegd en dan door de advocaat-generaal is geëist.

Het hof houdt er rekening mee dat de verdachte reeds drie maanden in voorarrest heeft doorgebracht. Het hof acht het, gelet op alle bijzondere omstandigheden, niet passend de verdachte thans nog een onvoorwaardelijke straf op te leggen die de duur van zijn voorarrest overschrijdt.

Het hof acht, alles afwegende, een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf, een taakstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 55, 57 en 307 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 7, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 meer subsidiair, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 2, 3 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 (twee) jaren.

Gelast de teruggave aan de nabestaanden van [broer verdachte] van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1.

horlogeband, kleur zilver (4318254)

2.

horloge, kleur zilver, betreft het uurwerk (4318257)

4.

autosleutel, Mercedes (4318261)

5.

sportkleding, kleur wit, Gucci, in beslag genomen bij VU-MC (4318273)

6.

lederen jas, kleur zwart (4318274)

7.

ondergoed, in beslag genomen bij VU-MC (4318275)

8.

sportkleding, kleur blauw (4318276)

9.

broek, kleur groen, in beslag genomen bij VU-MC (4318279)

10.

zaktelefoon, Blackberry Bold, in beslag genomen bij VU-MC (4318289)

11.

sleutel, vierkante baard (4326703)

12.

slot, kleur geel, stuurklem (4325759)

13.

sleutel (4325702).

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. G.S. Crince Le Roy, mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. H.A. Holthuis, in tegenwoordigheid van mr. N. van Dijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
12 september 2014.

Mr. Holthuis is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...]

[...][...][...]

[...]

[...][...]

[...][...][...][...]

[...]