Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:3788

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-09-2014
Datum publicatie
21-01-2015
Zaaknummer
200.116.557-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg van tussenarrest 25 maart 2014. Vordering van verzekeraar deels toewijsbaar, deel fout begroot. Gedingkosten in hoger beroep gecompenseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.116.557/01

zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 1304761 / HA EXPL 11-640

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 september 2014

inzake

[APPELLANT],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat mr. R.V.H. Jonker te Amsterdam;

de naamloze vennootschap
ZILVEREN KRUIS ACHMEA ZORGVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Utrecht,

geïntimeerde,

advocaat: mr. G.A. van den Berg te Utrecht.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna opnieuw [appellant] en Zilveren Kruis Achmea genoemd.

Het hof heeft op 25 maart 2014 in deze zaak een tussenarrest uitgesproken.

Voor het verloop van het geding tot die dag verwijst het hof naar dat arrest.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- Zilveren Kruis Achmea een akte van uitlating tevens akte vermindering eis,
- [appellant] een antwoordakte.

Ten slotte is arrest gevraagd.


2.Verdere beoordeling

2.1.

Het hof blijft bij hetgeen het in zijn tussenarrest van 25 maart 2014 heeft
overwogen en beslist.

2.2.

In het tussenarrest heeft het hof geconstateerd dat zich een complicatie voordoet met betrekking tot de premie die Zilveren Kruis Achmea heeft gevorderd over de periode september tot en met december 2010.
Zilveren Kruis Achmea mocht toelichten of zij over de periode september tot en met december 2010 nog gerechtigd is premie van [appellant] in te vorderen, alsmede of en in hoeverre een bedrag groot € 2.187,52 in mindering dient te strekken op het door haar gevorderde bedrag.
Zij kreeg de gelegenheid zich daarover bij akte uit te laten. [appellant] mocht bij antwoordakte op de door Zilveren Kruis Achmea verstrekte inlichtingen reageren.

2.3

Zilveren Kruis Achmea heeft in haar akte na het tussenarrest uiteengezet dat haar slechts premie toekomt over de maanden januari tot en met augustus van het jaar 2010. Zij heeft om die reden haar premievordering verminderd met een bedrag groot
€ 1.168,32. Het voor de jaren 2009 en 2010 openstaande saldo is € 5.667,84, aldus Zilveren Kruis Achmea. Dat bedrag vordert zij thans in hoofdsom van [appellant].

2.4

[appellant] heeft zich van zijn kant op het standpunt gesteld dat de schermuitdraai die Zilveren Kruis Achmea bij haar akte in het geding heeft gebracht, aangaande de omvang van de vordering van Zilveren Kruis Achmea nog andere vragen oproept. Die vragen zouden volgens [appellant] meebrengen dat van de vordering van Zilveren Kruis Achmea een bedrag groot € 2.187,52 niet dient te worden toegewezen. Subsidiair heeft [appellant] betoogd dat de fout die Zilveren Kruis Achmea heeft gemaakt bij de berekening van de haar toekomende premie over de jaren 2009 en 2010 gevolgen moet hebben voor de proceskostenveroordeling.

2.5.

Het hof overweegt als volgt.
De premiecorrectie van € 1.168,32 is in mindering gebracht op de gevorderde hoofdsom en behoeft dus verder geen afzonderlijke bespreking meer.
De premiecorrecties van € 1.683,32, € 11,24 en € 4.040,04 waarop [appellant] zich beroept, hebben blijkens de schermuitdraai betrekking op het jaar 2011. Aan die correcties kan [appellant] in dit geding, waarin het gaat om de premiejaren 2009 en 2010 (zonder toelichting, die ontbreekt) geen argument ontlenen.
De stellingen van [appellant] houden tot slot onvoldoende in om aan te nemen
dat [appellant] met betrekking tot de maanden september tot en met december 2010 door Zilveren Kruis Achmea voor een te laag bedrag is gecrediteerd. Van Voorthuizen lijkt er in zijn betoog ten onrechte aan voorbij te zien dat de bestuursrechtelijke premie voor die maanden aan CVZ was verschuldigd en door CVZ is geïnd alsmede dat deze hoger is dan de aan Zilveren Kruis Achmea verschuldigde premie.

2.6.

De grieven I, III, IV en V slagen gedeeltelijk. Het bestreden vonnis kan niet in stand blijven.
Aan hoofdsom zal het hof een bedrag groot € 5.667,84 toewijzen.
Op de voet van de beslissing van het hof in het tussenarrest aangaande de toe te wijzen rente moet thans worden geoordeeld dat de door Zilveren Kruis Achmea gevorderde rente toewijsbaar is over een bedrag groot € 5.667,84.
De gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen worden afgewezen, een en ander overeenkomstig de beslissing van het hof in zijn tussenarrest.
Bewijslevering kan bij gebreke van ter zake dienende stellingen achterwege blijven. Bij deze stand van zaken moet [appellant] voor het geding in eerste aanleg worden aangemerkt als de overwegend in het ongelijk gestelde partij. Hij heeft daarom de proceskosten van het geding in eerste aanleg te dragen. Vanwege de door Zilveren Kruis Achmea gemaakte fout bij de begroting van de omvang van haar vordering kan [appellant] in hoger beroep niet langer als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Het hof zal dan ook de proceskosten van het hoger beroep compenseren in die zin dat ieder van hen de eigen kosten moet dragen.

3 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellant] tot betaling aan Zilveren Kruis Achmea van een bedrag groot € 5.667,84, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldag van de facturen tot de dag van de voldoening;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van de eerste aanleg en begroot deze kosten aan de zijde van Zilveren Kruis Achmea op € 523,81 voor verschotten en
€ 250,- voor salaris gemachtigde;

compenseert de proceskosten van het hoger beroep tussen partijen in die zin dat ieder van partijen de eigen proceskosten moet dragen:

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.B.C.M. van der Reep, P.W.A. van Geloven en M. Kremer en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 9 september 2014.