Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:377

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-02-2014
Datum publicatie
18-08-2014
Zaaknummer
200.125.902/01 en 200.123.292/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging hoofdverblijfplaats niet in belang minderjarige, bewuste afwijking van wettelijke maatstaven.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253a, 159, 401, geldigheid: 2014-08-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 4 februari 2014

Zaaknummers: 200.125.902/01 en 200.123.292/01

Zaaknummers eerste aanleg: C/13/501530 / FA RK 11-8415 (EP MW) en 501949 / FA RK 11‑8585 (AW NS)

in de zaken met zaaknummers 200.125.902/01 en 200.123.292/01 in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. E.D. Mensing van Charante te Amsterdam,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. J.H. van der Tol te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen in beide zaken worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

In de zaak met zaaknummer 200.125.902/01 is de man op 22 april 2013 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 23 januari 2013 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk C/13/501530 / FA RK 11-8415 (EP MW).

In de zaak met zaaknummer 200.123.292/01 is de man op 11 maart 2013 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 12 december 2012 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk 501949 / FA RK 11‑8585 (AW NS).

1.3.

In de zaak met zaaknummer – naar het hof begrijpt – 200.125.902/01 heeft de vrouw op 27 juni 2013 een verweerschrift ingediend en daarbij heeft zij incidenteel hoger beroep ingesteld. In de zaak met zaaknummer 200.123.292/01 heeft de vrouw op 3 mei 2013 een verweerschrift ingediend en daarbij heeft zij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.4.

In de zaak met zaaknummer 200.123.292/01 heeft de man op 14 juni 2013 een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep van de vrouw ingediend.

1.5.

De vrouw heeft op 20 juni 2013 nadere stukken ingediend.

1.6.

De man op 24 juni 2013 nadere stukken ingediend.

1.7.

De zaken zijn op 3 juli 2013 gezamenlijk ter terechtzitting behandeld.

1.8.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de heer C. de Wilde, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam Gooi en Vecht, locatie Amsterdam (hierna: de Raad).

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn gehuwd [in] 2003 in Frankrijk. Bij beschikking van het Tribunal de Grande Instance de Paris van 25 maart 2009 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Uit hun huwelijk is geboren […] (hierna: [de minderjarige]) [in] 2004. Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige]. De vrouw is in 2008 samen met [de minderjarige] naar [a] verhuisd. [de minderjarige] verblijft sindsdien bij de vrouw.

2.2.

Bij voormelde echtscheidingsbeschikking is een door partijen op 9 januari 2009 ondertekend echtscheidingsconvenant aangehecht, waarin – voor zover thans van belang en samengevat weergegeven – is opgenomen dat de man de volgende bijdragen aan de vrouw zal voldoen:

  • -

    een bijdrage in de studiekosten van de vrouw tot een maximumbedrag van € 8.100,-;

  • -

    een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw gedurende 72 maanden à € 700,- per maand;

  • -

    een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] van € 725,- per maand;

  • -

    de schoolkosten van [de minderjarige];

  • -

    de oppaskosten wanneer de man niet naar [a] kan komen als de vrouw verplichte schoollessen moet volgen, tot een maximum van € 200,- per maand.

Voorts is in het echtscheidingsconvenant opgenomen dat [de minderjarige] zijn gebruikelijke woonplaats in het huis van de vrouw te [a] zal hebben. Voorts is hierin bepaald dat de man recht heeft op een bezoek- en verblijfsrecht in [a] van twee weekeinden per maand van vrijdag na schooltijd tot zondagavond 19.00 uur, waarbij de man de reiskosten voor zijn rekening zal nemen en de vrouw in het begin bereid zal zijn de man in het kader van de uitoefening van zijn bezoek- en verblijfsrecht onderdak te verlenen, met dien verstande dat, indien de vrouw op een gegeven moment de man tijdens zijn twee maandelijkse bezoeken geen onderdak meer kan of wil verschaffen, zij ermee akkoord gaat dat hij [de minderjarige] met zich zal meenemen om in een hotel te overnachten, waarvan de kosten door de man zullen worden gedragen. De kleine en grote Nederlandse schoolvakanties zullen op de volgende wijze voor de helft worden gedeeld:

  • -

    eerste helft in de even jaren;

  • -

    tweede helft in de oneven jaren;

waarbij de man [de minderjarige] bij de vrouw thuis in [a] zal ophalen en terugbrengen en de reiskosten geheel voor zijn rekening zullen komen.

2.3.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1966. Hij is alleenstaand.

Hij is als docent werkzaam in loondienst. Daarnaast is hij werkzaam als zelfstandig kunstenaar.

2.4.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1965. Zij vormt samen met [de minderjarige] een eenoudergezin.

3. Het geschil in principaal en incidenteel hoger beroep met betrekking tot de hoofdverblijfplaats en de omgang

(zaaknummer 200.125.902/01)

3.1.

De man heeft in eerste aanleg – voor zover thans van belang – verzocht primair de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem in Frankrijk te bepalen en subsidiair te bepalen dat [de minderjarige] om en om twee weken bij de vrouw en twee weken bij hem zal wonen, waarbij de man bereid is gedurende de weken dat [de minderjarige] bij hem verblijft, in Amsterdam te verblijven, uitgezonderd de vakanties en feestdagen, gedurende welke hij [de minderjarige] kan meenemen buiten [a].

Naar aanleiding van een door de rechtbank gedaan verzoek heeft de Raad onderzoek gedaan en op 22 augustus 2012 rapport uitgebracht en geadviseerd, voor zover thans van belang, de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vrouw te bepalen alsmede een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen vast te stellen, waarbij de man [de minderjarige] eenmaal in de veertien dagen op vrijdagmiddag uit school zal halen en op maandagochtend naar school of naar de vrouw zal brengen en de vakanties en feestdagen bij helfte zullen worden gedeeld tussen partijen.

Bij de bestreden beschikking van 23 januari 2013 is, voor zover thans van belang, de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vrouw bepaald alsmede de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen vastgesteld:

  • -

    de man zal [de minderjarige] eenmaal per veertien dagen van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend bij zich hebben, waarbij hij [de minderjarige] op maandagochtend naar school, dan wel naar de vrouw zal brengen;

  • -

    de vakanties zullen bij helfte worden gedeeld tussen partijen, met dien verstande dat [de minderjarige] in de vakanties van één week bij de man zal verblijven.

3.2.

De man verzoekt, naar het hof begrijpt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen dat [de minderjarige] zijn hoofdverblijf bij hem in [b], dan wel in [a] zal hebben alsmede een co‑ouderschapsregeling te bepalen, waarbij [de minderjarige] om de week bij de andere ouder is, respectievelijk om de halve maand.

3.3.

De vrouw verzoekt in principaal hoger beroep de man niet‑ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, dan wel het door hem verzochte af te wijzen. In incidenteel hoger beroep verzoekt de vrouw, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen dat de vakanties tussen partijen worden verdeeld zoals vermeld in de punten 31 tot en met 35 van haar verweerschrift in hoger beroep, dan wel een zodanige regeling te bepalen als het hof juist acht, met veroordeling van de man in de kosten van het geding in beide instanties.

4. Het geschil in principaal en incidenteel hoger beroep met betrekking tot de alimentatie

(zaaknummer200.123.292/01)

4.1.

De man heeft in eerste aanleg – na wijziging van zijn verzoek – verzocht voormeld echtscheidingsconvenant te wijzigen, in die zin dat de door hem aan de vrouw verschuldigde bijdrage op nihil wordt gesteld en de door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] op € 398,- per maand wordt bepaald, of omgekeerd, en dat de rest van de posten op nihil zal worden gesteld, met ingang van 18 oktober 2011, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift, althans op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht.

Bij de bestreden beschikking van 12 december 2012 is voormeld verzoek van de man afgewezen.

4.2.

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, zijn inleidend verzoek alsnog toe te wijzen, inhoudende dat de door de man te betalen partneralimentatie op nihil wordt gesteld en de kinderalimentatie wordt gewijzigd naar € 398,- per maand, met nihilstelling van de overige bijdragen, althans dat de door de man te betalen kinderalimentatie op nihil wordt gesteld en de partneralimentatie wordt gewijzigd naar € 398, per maand, met nihilstelling van de overige bijdragen, met ingang van 18 oktober 2011, althans een zodanige datum als het hof juist zal achten, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.

4.3.

De vrouw verzoekt in principaal hoger beroep de man niet‑ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, dan wel dat verzoek af te wijzen. In incidenteel hoger beroep verzoekt de vrouw te bepalen dat de man inzage in alle bescheiden dient te verschaffen waaruit de verkoopopbrengst van de woning blijkt, alsmede kopieën van de bankafschriften van al zijn bankrekeningen vanaf het moment van uiteengaan van partijen tot heden, en de man te veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties.

4.4.

De man verzoekt het door de vrouw in incidenteel hoger beroep verzochte af te wijzen.

5. Beoordeling van het principaal en incidenteel hoger beroep met betrekking tot de hoofdverblijfplaats en de omgang

(zaaknummer 200.125.902/01)

5.1.

De man betoogt dat het in het belang van [de minderjarige] is dat hij zijn hoofdverblijf bij hem zal hebben. Hij stelt in dit verband dat de vrouw niet in het belang van [de minderjarige] handelt en dat de veilige ontwikkeling van [de minderjarige] sinds zijn verhuizing naar Nederland wordt bedreigd. De rechtbank is volgens de man ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, voorbijgegaan aan de door hem geuite zorgen ten aanzien van [de minderjarige], temeer nu het raadsrapport onvolledig is en onzorgvuldigheden en onjuistheden bevat. Voorts vreest hij dat de vrouw na een verblijf van 5 jaar in Nederland zal vertrekken naar het Verenigd Koninkrijk.

Met betrekking tot de omgang stelt de man dat een co‑ouderschap waarbij [de minderjarige] om de week bij de andere ouder is, ofwel in [b] ofwel in [a], [de minderjarige] zal doen opbloeien.

De vrouw heeft tegen deze stellingen verweer gevoerd. Zij stelt dat een wijziging van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] niet in zijn belang is, omdat hij thans een positieve ontwikkeling doormaakt en rust en stabiliteit nodig heeft. Voorts stelt zij dat een goede communicatie tussen partijen ontbreekt en partijen niet in staat zijn om afspraken te maken, hetgeen voor een co‑ouderschapsregeling essentieel is. De huidige omgangsregeling dient volgens haar dan ook te worden gehandhaafd.

In incidenteel hoger beroep stelt de vrouw – samengevat – dat de door de rechtbank vastgestelde vakantieregeling onvoldoende duidelijk is en daardoor onrust met zich brengt.

De grieven van de man in principaal hoger beroep en die van de vrouw in incidenteel hoger beroep lenen zich, gelet op hun onderlinge samenhang, voor een gezamenlijke bespreking.

5.2.

De Raad heeft ter zitting in hoger beroep – overeenkomstig zijn rapport – geadviseerd de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vrouw te bepalen. Voorts acht de Raad een co‑ouderschapsregeling niet haalbaar.

5.3.

Met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] overweegt het hof als volgt.

[de minderjarige] woont thans ruim vijf jaar in Nederland, waar hij vier jaar naar de internationale school gaat. Vaststaat dat hij veel wisselingen van zijn woonplaats en zijn school heeft meegemaakt. Met de Raad is het hof van oordeel dat [de minderjarige] gebaat is bij rust, continuïteit en stabiliteit, hetgeen op zichzelf ook door de man wordt erkend. Het hof acht nog meer wisselingen niet in het belang van [de minderjarige]. De man heeft, mede in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet aannemelijk gemaakt dat de vrouw niet in het belang van [de minderjarige] handelt. Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is voldoende aannemelijk geworden dat het op dit moment goed gaat met [de minderjarige] en dat hij zich positief ontwikkelt. Bovendien heeft de man tegenover de stellingen van de vrouw dat [de minderjarige] deelneemt aan buitenschoolse activiteiten, zoals karate en schermen, en dat [de minderjarige] hier in Nederland vriendjes heeft, zijn stelling dat [de minderjarige] bij de vrouw een te geïsoleerd leven zou leiden, onvoldoende onderbouwd.

Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat het niet in het belang van [de minderjarige] is om zijn hoofdverblijfplaats te wijzigen. De door de man geuite vrees dat de vrouw op korte termijn samen met [de minderjarige] naar het Verenigd Koninkrijk zal verhuizen, acht het hof, in het licht van de verklaring van de vrouw ter zitting in hoger beroep dat het sociale leven van haar en [de minderjarige] zich de komende jaren in Nederland zal voltrekken, onvoldoende geconcretiseerd.

Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen.

5.4.

Met betrekking tot de door de man verzochte co‑ouderschapsregeling overweegt het hof dat ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de man op dit moment geen concreet zicht heeft op huisvesting in [a] en ook geen pogingen onderneemt om een woning in [a] te vinden. Voorts is gebleken dat de verhouding tussen partijen is verstoord en dat de communicatie zeer moeizaam verloopt. In aanmerking genomen de afstand tussen de woonplaatsen van partijen alsmede hun verstoorde onderlinge communicatie acht het hof een co‑ouderschapsregeling niet in het belang van [de minderjarige]. Het hof zal derhalve de bij de bestreden beschikking vastgestelde omgangsregeling handhaven.

Ter zitting in hoger beroep hebben partijen overeenstemming bereikt over de vakantieregeling, in die zin dat in de vakanties die één week duren, de man [de minderjarige] op zaterdag om 12.00 uur bij de vrouw zal ophalen en de volgende zaterdag bij de vrouw zal terugbrengen. Daarbij zal het hof ervan uitgaan dat de man [de minderjarige] op zaterdag om uiterlijk 18.00 uur zal terugbrengen, zodat [de minderjarige] en de man op een aanvaardbaar tijdstip uit [b] kunnen vertrekken. [de minderjarige] heeft dan de zondag om weer even te wennen voordat hij naar school gaat. Voorts zijn partijen overeengekomen dat in de vakanties die twee weken duren, [de minderjarige] gedurende de eerste week bij de man zal verblijven, waarbij de man [de minderjarige] op vrijdag om 18.00 uur bij de vrouw zal ophalen en op zondag om 18.00 uur bij de vrouw zal terugbrengen, met dien verstande dat in de kerstvakantie [de minderjarige] in het ene jaar gedurende de eerste week bij de man zal verblijven en in het daaropvolgende jaar gedurende de tweede week. Ten slotte zijn partijen overeengekomen dat in de zomervakantie [de minderjarige] gedurende de eerste drie weken bij de man zal verblijven, waarbij de man [de minderjarige] op de zaterdag volgend op de laatste schooldag om 12.00 uur bij de vrouw zal ophalen en hem drie weken later op zondag om 12.00 uur bij de vrouw zal terugbrengen.

Nu het belang van [de minderjarige] zich naar het oordeel van het hof niet tegen deze vakantieregeling verzet, zal het hof deze dienovereenkomstig vaststellen. Het verzoek van de vrouw om de vakanties van één week bij helfte te verdelen tussen partijen, voor zover de man in Nederland zou komen wonen, behoeft geen bespreking reeds omdat dit een toekomstige, onzekere gebeurtenis betreft, waarop niet vooruit dient te worden gelopen. Het hof zal de bestreden beschikking voor het overige bekrachtigen.

6. Beoordeling van het principaal en incidenteel hoger beroep met betrekking tot de alimentatie

(zaaknummer 200.123.292/01)

6.1.

De man stelt primair dat het echtscheidingsconvenant tot stand is gekomen met grove miskenning van de wettelijke maatstaven en dat de rechtbank ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft overwogen dat partijen bij het sluiten daarvan bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. Hiertoe voert hij aan dat hij bij de totstandkoming van het echtscheidingsconvenant onvoldoende dan wel onjuist is geïnformeerd, dat zijn financiële positie noch de financiële positie van de vrouw hierbij is betrokken en dat hij het convenant onder druk heeft getekend. Voorts is volgens de man sprake van een evidente wanverhouding tussen de in het echtscheidingsconvenant opgenomen bijdragen en hetgeen op basis van de wettelijke maatstaven zou moeten en kunnen worden betaald, omdat hij door de betaling van die bijdragen onder het bestaansminimum van 90% van de op hem toepasselijke bijstandsnorm zou komen te verkeren. Subsidiair stelt hij dat de rechtbank ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft overwogen dat geen sprake is van een wijziging van omstandigheden.

De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd en gesteld dat van misleiding of druk geen sprake is, omdat de man voldoende is geïnformeerd en door de rechter in Frankrijk is gehoord. Voorts stelt zij dat de man ten tijde van de ondertekening van het echtscheidingsconvenant, naast inkomsten uit loondienst, inkomsten uit verkoop van kunst en inkomsten uit verhuur had, waarmee bij het opmaken van het convenant rekening is gehouden. Tevens zijn partijen daarbij uitgegaan van hoge schoolkosten voor [de minderjarige], aldus de vrouw. Zij betwist voorts dat sprake is van een wijziging van omstandigheden.

In incidenteel hoger beroep stelt de vrouw dat de man op geen enkele wijze de noodzaak van de procedure heeft aangetoond, zodat een proceskostenveroordeling op zijn plaats is. Voorts verzoekt de vrouw te bepalen dat de man inzage dient te verschaffen in de bescheiden met betrekking tot de verkoop van het appartement in [b] en afschriften van zijn bankrekeningen. De man heeft deze stellingen betwist.

6.2.

Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de man de stelplicht heeft en, zo nodig, de bewijslast draagt van zijn stellingen. Hij beroept zich immers op het rechtsgevolg daarvan, te weten nihilstelling en/of wijziging van de bijdragen ten behoeve van [de minderjarige] en de vrouw.

Anders dan de man stelt, acht het hof op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep voldoende aannemelijk geworden dat partijen in 2008, voorafgaand aan het sluiten van het echtscheidingsconvenant, uitgebreid met elkaar hebben gesproken over de daarin opgenomen afspraken alsmede over de inkomsten van de man destijds. In dit verband hecht het hof belang aan een door de vrouw in het geding gebracht en ter zitting getoond notitieboek. Hierin worden niet alleen de bijdragen voor [de minderjarige] en de vrouw vermeld, welke bijdragen ook in het convenant zijn opgenomen, maar tevens de inkomsten van de man, waaronder inkomsten in verband met de verhuur van twee appartementen, en de onderscheidenlijke lasten van partijen welke destijds tot uitgangspunt hebben gediend. De stelling van de man dat dit notitieboek door de vrouw zou zijn vervalst, acht het hof onvoldoende onderbouwd, temeer nu de man ter zitting in hoger beroep heeft bevestigd dat hierin tevens aantekeningen in zijn handschrift staan vermeld.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat niet is gebleken dat partijen ten tijde van de totstandkoming van het echtscheidingsconvenant hebben beoogd de wettelijke maatstaven – zoals die toen in Frankrijk golden – toe te passen. De vrouw heeft haar stelling dat partijen destijds de bedoeling hadden om, op basis van hun beider financiële situatie en gezien de omstandigheid dat zij samen met [de minderjarige] in Nederland zou gaan wonen, een redelijke regeling te treffen, dan ook voldoende aannemelijk gemaakt. Hiertegenover heeft de man niet aannemelijk gemaakt dat hij destijds onvolledig dan wel onjuist is geïnformeerd en dat hij heeft gedwaald ten aanzien van de toepasselijke wettelijke maatstaven.

De man heeft, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw, evenmin aannemelijk gemaakt dat hij destijds heeft gedwaald ten aanzien van haar vermogen. De vrouw heeft in dit verband gesteld dat de man ten tijde van de totstandkoming van het echtscheidingsconvenant ervan op de hoogte was dat zij met eigen middelen, afkomstig uit de nalatenschap van haar moeder, een woning in [a] zou financieren dan wel reeds had gefinancierd. De man heeft deze stelling zowel in eerste aanleg als in hoger beroep niet, althans onvoldoende gemotiveerd, weersproken. De omstandigheid dat de zuster van de vrouw haar erfdeel deels ten behoeve van de aankoop van die woning aan de vrouw heeft geschonken, maakt dit niet anders. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat blijkens het hiervoor vermelde notitieboek partijen destijds zijn uitgegaan van woonlasten aan de zijde van de vrouw van in totaal ongeveer € 150,- per maand, waarmee de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat partijen ervan uitgingen dat zij geen hypotheeklasten, althans lage woonlasten zou hebben. De vrouw heeft naar het oordeel van het hof voorts voldoende toegelicht hoe zij destijds de aankoop van die woning heeft gefinancierd met haar erfdeel en met het aan haar geschonken erfdeel van haar zuster. Zij heeft in dit verband gesteld dat de totale nalatenschap van haar moeder £ 322.665,- bedroeg en haar erfdeel £ 166.322,-, terwijl de koopprijs van de woning € 271.082,- bedroeg. De man heeft deze stellingen niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist.

Evenmin kan de omstandigheid dat de zuster van de vrouw (een gedeelte van) haar erfdeel – naar door de man niet is betwist – in september 2009 aan de vrouw heeft geschonken, tot een succesvol beroep op dwaling leiden, reeds omdat deze omstandigheid zich eerst na het sluiten van het echtscheidingsconvenant heeft voorgedaan. Voor zover de man overige wilsgebreken heeft gesteld, heeft hij deze naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd, hetgeen op zijn weg had gelegen, zodat het hof hieraan zal voorbijgaan.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat het hof de stelling van de man dat het tussen partijen opgemaakte echtscheidingsconvenant tot stand is gekomen met grove miskenning van de wettelijke maatstaven verwerpt. Voor zover de man in dit verband nog heeft gesteld dat de vrouw inmiddels voldoende tijd heeft gehad om inkomen te genereren en aldus in haar eigen levensonderhoud te voorzien, overweegt het hof dat de man ten tijde van het sluiten van het echtscheidingsconvenant reeds wist dat de vrouw sinds 2000 niet had gewerkt en dat partijen dit destijds ook onder ogen hebben gezien, nu in het convenant staat vermeld dat de vrouw geen enkel salaris ontvangt, terwijl partijen (onder meer) zijn overeengekomen dat de man gedurende een beperkte periode van zes jaar een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw zou voldoen.

6.3.

Met betrekking tot de subsidiaire stelling van de man dat sprake is van een wijziging van omstandigheden overweegt het hof als volgt. De man heeft in dit verband aangevoerd dat het verlies van zijn onderneming in de kunsthandel sinds het sluiten van het echtscheidingsconvenant is toegenomen. Tegenover de uitdrukkelijke betwisting door de vrouw heeft de man die stelling echter onvoldoende – aan de hand van inzichtelijke, financiële stukken betreffende zijn onderneming – onderbouwd, hetgeen op zijn weg had gelegen. Het hof zal derhalve aan die stelling voorbijgaan. Evenmin heeft de man, tegenover de uitdrukkelijke betwisting door de vrouw, zijn stelling dat hij vanwege de gerechtelijke procedures minder inkomsten als kunstenaar heeft kunnen genereren, voldoende onderbouwd.

Ook de stelling dat sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden vanwege de hoge advocaatkosten die de man heeft moeten maken verwerpt het hof. Afgezien van de omstandigheid dat hij de hoogte van deze kosten onvoldoende heeft geconcretiseerd, acht het hof het maken van dergelijke kosten in het algemeen geen omstandigheid die tot een herbeoordeling van een uitkering tot levensonderhoud moet leiden.

Voorts heeft de man als wijzigingsgrond gesteld dat hij zijn appartementen heeft moeten verkopen om de overeengekomen bijdragen te kunnen voldoen en dat hij thans huurlasten heeft van € 556,- per maand. Voor zover de man betoogt dat zijn woonlasten zijn gestegen, acht het hof die stelling, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende onderbouwd, nu de man niet inzichtelijk heeft gemaakt welke woonlasten hij ten tijde van het sluiten van het echtscheidingsconvenant had. Voorts is het hof met de rechtbank van oordeel dat de man onvoldoende inzichtelijk gemaakt waar die huurlasten betrekking op hebben. Ter zitting in hoger beroep heeft de man verklaard dat hij woonachtig is op het adres […] te [b], […], hetgeen niet hetzelfde adres is als het adres vermeld op de in het geding gebrachte huurspecificaties.

De man stelt tevens dat de omstandigheid dat de vrouw over vermogen beschikte en beschikt, een relevante wijziging van omstandigheden betreft. Zoals hiervoor onder 6.2 is overwogen, is ten tijde van het sluiten van het echtscheidingsconvenant rekening gehouden met de omstandigheid dat de vrouw haar vermogen zou aanwenden voor de financiering van haar woning in [a] en was het uitgangspunt van partijen dat de vrouw geen hypotheeklasten, althans lage woonlasten zou hebben. De vrouw stelt dat zij na het sluiten van het echtscheidingsconvenant, in september 2009 van haar zuster het resterende erfdeel heeft ontvangen ten bedrage van £ 88.648,- en dat zij daarmee de verbouwing van haar woning, waarvan de kosten € 23.114,- bedroegen, heeft gefinancierd. De man heeft deze stellingen niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist, zodat het hof voldoende aannemelijk acht dat de vrouw ook dit resterende erfdeel deels heeft aangewend ten behoeve van haar woning. Nu partijen ten tijde van het sluiten van het echtscheidingsconvenant ervan zijn uitgegaan dat de vrouw geen hypotheeklasten, althans lage woonlasten zou hebben, is het hof van oordeel dat de besteding van voormelde schenking ten behoeve van de woning van de vrouw geen relevante wijziging van omstandigheden betreft.

De man heeft voorts gesteld dat het vermogen van de vrouw in 2010 in één jaar tijd met € 10.000,- toegenomen. Hiertegenover heeft de vrouw gesteld dat zij hetgeen na de aankoop en verbouwing van haar woning van haar vermogen resteerde, heeft moeten aanwenden ten behoeve van de in Nederland en in Frankrijk gevoerde gerechtelijke procedures ten bedrage van in totaal € 24.217,- alsmede ten behoeve van haar levensonderhoud en dat van [de minderjarige] en dat zij thans niet beschikt over enig vermogen. Ter nadere onderbouwing hiervan heeft zij een overzicht van voormelde proceskosten in het geding gebracht alsmede recente afschriften van haar onderscheidenlijke bankrekeningen in Nederland. Gelet hierop heeft de man zijn stelling dat de vrouw nog steeds over een substantieel vermogen beschikt, onvoldoende onderbouwd, hetgeen op zijn weg had gelegen. Evenmin heeft hij, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw, zijn stelling dat de vrouw in 2013 uit de nalatenschap van haar vader vermogen heeft ontvangen, voldoende onderbouwd.

Uit het vorenstaande volgt dat de man onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zich sinds het sluiten van het echtscheidingsconvenant een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan als bedoeld in artikel 1:401, eerste lid Burgerlijk Wetboek. Voor zover de man met zijn stelling dat de vrouw inmiddels voldoende tijd heeft gehad om inkomen te genereren en aldus zelf in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, bedoelt te betogen dat de vrouw geen behoefte meer had en heeft aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, dan wel geacht wordt een hogere bijdrage te leveren in de behoefte van [de minderjarige], overweegt het hof dat aan een inhoudelijke bespreking van die stelling niet wordt toegekomen, nu partijen er gezien de beperkte duur van de alimentatieplicht van de man jegens de vrouw van zes jaar ervan zijn uitgegaan dat de vrouw gedurende deze periode behoefte heeft aan de overeengekomen bijdrage..

Voor zover de man stelt dat de schoolkosten van [de minderjarige] te hoog zijn en dat de vrouw zonder zijn toestemming de inschrijving van [de minderjarige] op de internationale school jaarlijks heeft verlengd, overweegt het hof dat de vraag of de man al dan niet heeft ingestemd met verlenging van het verblijf van [de minderjarige] op de internationale school in de onderhavige procedure niet aan de orde is, maar in een procedure omtrent het gezag aan de orde dient te worden gesteld. Daarbij komt dat blijkens het door de vrouw in het geding gebrachte notitieboek partijen ten tijde van de totstandkoming van het echtscheidingsconvenant reeds rekening hebben gehouden met hoge schoolkosten voor [de minderjarige].

6.4.

Het hof ziet in het kader van deze procedure geen aanleiding de man te verplichten bescheiden ter inzage te verschaffen zoals door de vrouw in incidenteel hoger beroep is verzocht. Dit verzoek wordt afgewezen.

6.5.

Het hof ziet onvoldoende aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken, zoals door beide partijen is verzocht. Deze kosten dienen op de gebruikelijke wijze te worden gecompenseerd.

6.6.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

7 Beslissing in principaal en incidenteel hoger beroep

Het hof:

in de zaak met zaaknummer 200.125.902/01:

bepaalt dat in de vakanties die één week duren [de minderjarige] bij de man verblijft, waarbij de man [de minderjarige] op zaterdag om 12.00 uur bij de vrouw zal ophalen en de volgende zaterdag om 18.00 uur bij de vrouw zal terugbrengen, dat in de vakanties die twee weken duren, [de minderjarige] gedurende de eerste week bij de man zal verblijven, waarbij de man [de minderjarige] op vrijdag om 18.00 uur bij de vrouw zal ophalen en op zondag om 18.00 uur bij de vrouw zal terugbrengen, met dien verstande dat in de kerstvakantie [de minderjarige] in het ene jaar gedurende de eerste week bij de man zal verblijven en in het daaropvolgende jaar gedurende de tweede week, en dat in de zomervakantie [de minderjarige] gedurende de eerste drie weken bij de man zal verblijven, waarbij de man [de minderjarige] op de zaterdag volgend op de laatste schooldag om 12.00 uur bij de vrouw zal ophalen en hem drie weken later op zondag om 12.00 uur bij de vrouw zal terugbrengen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte;

in de zaak met zaaknummer 200.123.292/01:

bekrachtigt de beschikking van beroep;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. van de Beek, R.G. Kemmers en L.M. Coenraad in tegenwoordigheid van mr. J.H.M. Kessels als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2014.