Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:3742

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-09-2014
Datum publicatie
21-01-2015
Zaaknummer
200.002.738-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg van tussenarrest 11 februari 2014. Begroting heeft plaatsgevonden, maar is nog niet onherroepelijk, dit laatste komt echter voor rekening en risico van de cliënt. Alsnog veroordeling van de cliënt tot betaling van het begrote bedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer: 200.002.738/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam: 341212/HA ZA 06-1250

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 september 2014

inzake

[APPELLANT],

wonend te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. E.M. [appellante], te Amsterdam,

t e g e n

[GEÏNTIMEERDE],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in of buiten Nederland,

geïntimeerde,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, te Amsterdam.

Partijen worden hierna [appellante] en [geïntimeerde] genoemd.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het hof heeft op 11 februari 2014 een (vijfde) tussenarrest gewezen. Voor het verloop van het geding tot die datum verwijst het hof naar dat arrest.

Vervolgens heeft [appellante] een akte genomen en daarbij producties overgelegd, waarna [geïntimeerde] een antwoordakte heeft genomen.

Ten slotte is wederom arrest gevraagd.

2 De verdere beoordeling in hoger beroep

2.1.

Bij het laatste tussenarrest is [appellante] wederom in de gelegenheid gesteld de onherroepelijke resultaten van de in artikel 32 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken bedoelde begroting van zijn salaris door de Raad van Toezicht bij akte in het geding te brengen. Daarbij is hem een nadere termijn van een half jaar gegund.

2.2.

[appellante] heeft bij zijn vervolgens genomen akte een aantal stukken overgelegd die door [geïntimeerde] niet zijn betwist, te weten:

- een brief van de Amsterdamse Orde van Advocaten van 18 februari 2014, waaruit blijkt dat de Raad van Toezicht de declaratie van [appellante] heeft begroot op € 12.992,74;

- een beschikking ex artikel 33 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 27 maart 2014, waarbij - voor zover thans van belang - de declaratie van [appellante] ter grootte van € 12.992,74 is goedgekeurd en de tenuitvoerlegging van die beschikking is bevolen;

- een exploot van 28 april 2014, waaruit blijkt dat [appellante] voormelde beschikking aan [geïntimeerde] heeft doen betekenen, zulks aan het parket van het Openbaar Ministerie te Amsterdam omdat [geïntimeerde] geen bekende woon- of verblijfplaats heeft.

[appellante] heeft, voorts, gesteld dat, voor zover hem bekend, [geïntimeerde] van die beschikking niet in verzet is gekomen.

2.3.

In zijn antwoordakte heeft de advocaat van [geïntimeerde] opgemerkt dat het contact tussen [geïntimeerde] en hem is verbroken omdat hij geen contact meer kan krijgen met de moeder van [geïntimeerde] (via wie het contact met [geïntimeerde] verliep), dat [geïntimeerde] daardoor geen kennis heeft kunnen nemen van het resultaat van de begrotingsprocedure noch van de zojuist genoemde beschikking en dat verzet tegen die beschikking nog mogelijk is.

2.4.

Het hof oordeelt als volgt. Hoewel [appellante] bij het tussenarrest van 10 januari 2012 was bevolen de onherroepelijke resultaten van de begrotingsprocedure in het geding te brengen en, zoals de advocaat van [geïntimeerde] heeft opgemerkt, mogelijk is dat [geïntimeerde] (alsnog) tegen de beschikking van 27 maart 2014 in verzet zal komen, zal het hof thans uitgaan van die beschikking en de daaraan ten grondslag liggende begroting door de Raad van Toezicht van 18 februari 2014. Aan het reeds lang lopende geschil tussen partijen dient immers een einde te komen en het komt voor rekening en risico van [geïntimeerde] dat het contact met zijn advocaat is verbroken en dat hij als gevolg daarvan niet op de hoogte is van de inhoud van voormelde begroting en beschikking.

2.5.

Gelet op het zojuist overwogene en op de eerdere arresten in deze zaak, zal het hof de bestreden vonnissen vernietigen, de vordering van [appellante] toewijzen tot een bedrag van € 12.992,74, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 26 januari 2006, en het meer of anders gevorderde afwijzen. [geïntimeerde] zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden verwezen in de kosten van het geding in beide instanties.

3 Beslissing

Het hof:

vernietigt de vonnissen van de rechtbank Amsterdam van 17 januari 2007 en 14 november 2007 (met het in de kop van dit arrest vermelde zaaknummer) waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] tot de betaling aan [appellante] van een bedrag van € 12.992,74, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 26 januari 2006 tot de dag der voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [appellante] gevallen en begroot op € 361,32 aan verschotten en € 1.356,= aan salaris gemachtigde;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [appellante] gevallen en tot op heden begroot op € 480,80 aan verschotten en € 2.682,= aan salaris advocaat;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, C. Uriot en J.W. Hoekzema en is in het openbaar uitgesproken op 9 september 2014 door de rolraadsheer.