Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:3735

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-09-2014
Datum publicatie
12-09-2014
Zaaknummer
200.144.419-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het verwijt van de KBvG dat de gerechtsdeurwaarders buitensporig hoge executiekosten aan schuldenaren berekenen en stelselmatig ambtshandelingen verrichten, die gericht zijn op het verhogen van de kosten van de executie, is terecht.

Geen deugdelijke grondslag voor in rekening gebrachte ontruimingskosten. Het is tuchtrechtelijk verwijtbaar dat de gerechtsdeurwaarders zich niet hebben gehouden aan de wettelijke bepalingen met betrekking tot het overbetekenen van een beslag. Gezien de standaard werkwijze van de gerechtsdeurwaarders is het niet uitgesloten dat in meer dossiers de kosten van gelijktijdig uitgebrachte overbetekeningen niet zijn beperkt tot de kosten van één overbetekening. Het is de gerechtsdeurwaarders te verwijten dat zij structureel en in een dermate groot aantal dossiers direct bij aanvang van de executie, vrijwel gelijktijdig, telkens onder twee banken beslag hebben gelegd.

Gelet op de aard en de ernst van de handelwijze van de gerechtsdeurwaarders, met name de structurele basis van het handelen gedurende een langere periode in een groot aantal zaken, ziet het hof aanleiding aan de gerechtsdeurwaarders de maatregel van schorsing voor de duur van vijf maanden respectievelijk twee maanden op te leggen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 475i, geldigheid: 2014-09-12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2014/260
RF 2014/96

Uitspraak

beslissing

_______________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.144.419/01 GDW

zaaknummer eerste aanleg : 295.2012

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 9 september 2014

inzake:

Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders,

gevestigd te ‘s-Gravenhage,

appellante,

gemachtigde: mr. J.M. Wisseborn,

t e g e n

1. [naam],

gerechtsdeurwaarder te [plaats],

2. [naam],

gerechtsdeurwaarder te [plaats],

geïntimeerden,

gemachtigde: mr. R.R.F van der Mark, advocaat te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Van de zijde van appellante (hierna: de KBvG) is bij een op 1 april 2014 ter griffie van het hof ingekomen appelschrift tijdig hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 11 maart 2014 (ECLI:NL:TGDKG:2014:37). Hierbij heeft de kamer de klacht van de KBvG tegen geïntimeerden (hierna: de gerechtsdeurwaarders) gegrond verklaard en aan hen de maatregel van schorsing voor de duur van drie maanden opgelegd.

1.2.

Van de zijde van de gerechtsdeurwaarders is op 29 april 2014 een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen.

1.3.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 1 juli 2014. Namens de KBvG is haar voorzitter, mr. Wisseborn, verschenen. De gerechtsdeurwaarders, vergezeld van hun gemachtigde, zijn eveneens verschenen. Allen hebben het woord gevoerd; de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarders en mr. Wisseborn aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities.

2 De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 In eerste aanleg

De kamer heeft bij tussenbeslissing van 5 februari 2013 (hierna: de tussenbeslissing) een nader onderzoek gelast naar de vraag of het door de KBvG geuite vermoeden juist is dat sprake is of is geweest van een door de gerechtsdeurwaarders gevoerd bestendig kantoorbeleid dat erop is gericht hoge executiekosten te maken. In dat verband heeft de kamer aan het Bureau Financieel Toezicht (hierna: het BFT) opdracht gegeven om:

a. a) op het kantoor van de gerechtsdeurwaarders over de periode van 1 januari 2010 tot en met 21 december 2012 per dossier te onderzoeken welke en hoeveel beslagen zijn gelegd;

b) over voornoemde periode te onderzoeken in hoeveel dossiers er kosten zijn gematigd en gecrediteerd; en

c) over voornoemde periode een analyse te maken of er onnodige of buitensporige kosten zijn gemaakt.

Op 10 september 2013 is het rapport van het BFT bij de kamer ingekomen. Voor de bevindingen en conclusies van het BFT wordt verwezen naar hetgeen in de beslissing van de kamer onder 2.2. is weergegeven.

4 De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de tussenbeslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

5 Het standpunt van de KBvG

De KBvG verwijt de gerechtsdeurwaarders buitensporig hoge executiekosten aan schuldenaren te berekenen en stelselmatig ambtshandelingen te verrichten, die gericht zijn op het verhogen van de kosten van de executie. Dit is in strijd met artikel 1 en artikel 10 van de Verordening beroeps- en gedragsregels gerechtsdeurwaarders.

De KBvG heeft gegronde redenen om te vermoeden dat de gerechtsdeurwaarders een bestendig kantoorbeleid hebben gevoerd dat erop is gericht hoge executiekosten te maken. Zij baseert dat vermoeden op een aantal ontvangen dossiers die de gerechtsdeurwaarders ter verdeling hebben aangemeld bij collega-gerechtsdeurwaarders. Zo blijkt uit een dossier dat vier verschillende derdenbeslagen zijn gelegd en vier afzonderlijke overbetekeningen elk aan de schuldenaar in rekening zijn gebracht. Ook lijken de gerechtsdeurwaarders de werkwijze te hanteren om standaard een derdenbeslag op periodieke betalingen te doen volgen door een beslaglegging onder de bank, nog voordat het dossier ter verdeling wordt aangeboden.

6 Het standpunt van de gerechtsdeurwaarders

De gerechtsdeurwaarders hebben de stellingen van de KBvG gemotiveerd betwist. Voor zover van belang zal hierna op dat verweer worden ingegaan.

7 De beoordeling

7.1.

Voor zover de KBvG in hoger beroep haar klacht heeft willen uitbreiden met een klacht dat de gerechtsdeurwaarders door hun handelwijze een negatieve bewaringspositie hebben verbloemd, heeft te gelden dat deze klacht buiten beschouwing wordt gelaten. Er bestaat geen mogelijkheid om de in eerste aanleg ingediende klacht in hoger beroep uit te breiden met nieuwe klachten. In zoverre zal de KBvG niet ontvankelijk worden verklaard.

7.2.1.

Het BFT heeft in zijn rapport de onderzoeksresultaten naar aanleiding van de door de kamer in de tussenbeslissing gestelde vragen opgenomen. Daarnaast is het BFT naar aanleiding van het onderzoek tot bevindingen gekomen met betrekking tot ontruimingskosten, overbetekeningen bankbeslagen en bankbeslagen.

7.2.2.

In reactie op het rapport van het BFT en in het verweerschrift in hoger beroep hebben de gerechtsdeurwaarders aangevoerd dat de kwestie van de ontruimingskosten buiten het bestek van het onderzoek valt, omdat de klacht hierop niet ziet. Daarnaast hebben de gerechtsdeurwaarders in hoger beroep aangevoerd dat de oorspronkelijke klacht niet het verwijt omvat dat zij te weinig exploten zouden hebben betekend.

7.2.3.

Het hof is van oordeel dat de ontruimingskosten door de gerechtsdeurwaarders in het kader van de executie bij debiteuren in rekening zijn gebracht en daarmee onder de reikwijdte van de klacht vallen.

Verder heeft de KBvG in haar reactie op het rapport van het BFT haar klacht uitgebreid in die zin dat in ruim dertig procent van de beoordeelde zaken er in strijd met artikel 475i van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geen overbetekening van de gelegde beslagen heeft plaatsgevonden. Het hof is van oordeel dat klachten gedurende een tuchtprocedure in eerste aanleg in beginsel door een klager mogen worden aangevuld. Dit zou anders kunnen zijn indien de wederpartij niet meer voldoende gelegenheid heeft om daarop te reageren. Dat zou immers in strijd zijn met de goede procesorde. Nu dit laatste hier niet het geval is, de gerechtsdeurwaarders hebben hierop immers op de zitting in eerste aanleg op 28 januari 2014 kunnen reageren, betekent dit dat de KBvG in haar aangevulde klachtonderdeel kan worden ontvangen. Hierbij is ook van belang dat deze kwestie niet in een ver verwijderd verband staat tot de oorspronkelijke klacht en is gebaseerd op het rechtmatig door het BFT verrichte onderzoek.

7.2.4.

Dit betekent dat het hof - evenals de kamer - ook de klachtonderdelen over de in rekening gebrachte ontruimingskosten en het achterwege laten van overbetekeningen van derdenbeslagen zal beoordelen.

Ontruimingskosten

7.3.

Uit het rapport van het BFT blijkt dat in 42 dossiers 46 keer onder de noemer “ontruimingskosten” een bedrag van € 200,00 aan debiteuren in rekening is gebracht.

De kamer heeft - samengevat weergegeven en voor zover van belang - het volgende overwogen. Ontruimingskosten kunnen eerst in rekening worden gebracht nadat zij daadwerkelijk zijn gemaakt. Indien het gaat om kosten ter voorbereiding van een ontruiming zal daarvoor een deugdelijke grondslag moeten bestaan. Een ontruimingstitel biedt geen grondslag voor de executie van dergelijke kosten. De wet biedt geen ruimte voor het doorberekenen van kosten voor het afstemmen met de gemeente en het afleggen van bijzondere huisbezoeken. In het belang van de rechtszekerheid mogen niet zonder meer willekeurige en ongespecificeerde kosten ten laste van een schuldenaar worden opgevoerd, omdat een schuldenaar op eenvoudige wijze moet kunnen nagaan of die kosten op de wet gebaseerd zijn.

Het hof deelt dit oordeel van de kamer en de gronden waarop dit oordeel berust. Hieraan wordt toegevoegd dat de door de gerechtsdeurwaarders gemaakte vergelijking met regelingskosten ter voorkoming van executie niet opgaat. Vergoeding van deze laatste kosten wordt kennelijk in de praktijk door een gerechtsdeurwaarder als voorwaarde gesteld in verband met een tussen een schuldenaar en een gerechtsdeurwaarder overeengekomen betalingsregeling. Wat hiervan ook zij, een dergelijke afspraak is hier niet aan de orde.

Overbetekingen bankbeslagen

Geen overbetekening

7.4.

Uit het rapport van het BFT blijkt dat op het kantoor te[plaats] in 2011 in totaal 10.388 loon- en bankbeslagen zijn gelegd en in slechts 2.078 gevallen het beslag is overbetekend. Met de kamer is het hof van oordeel dat voor het feit dat in een dermate groot aantal zaken geen overbetekening heeft plaatsgevonden onvoldoende verklaring is gegeven. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarders dat in een aantal gevallen het beslag is opgeheven voordat werd overbetekend, is niet nader onderbouwd en daarmee niet toereikend. Met de kamer is het hof van oordeel dat het tuchtrechtelijk verwijtbaar is dat de gerechtsdeurwaarders zich niet hebben gehouden aan de wettelijke bepalingen met betrekking tot het overbetekenen van een beslag.

Beslag en overbetekening

7.5.

De gerechtsdeurwaarders hebben aangevoerd dat het BFT in zijn rapport alleen op het risico heeft gewezen dat de door de gerechtsdeurwaarders gehanteerde werkwijze om gelijktijdig met het opstellen en aanmaken van de exploten voor een bankbeslag de bijbehorende exploten voor de overbetekening aan te maken, in een aantal dossiers bij een debiteur ten onrechte kosten van overbetekening in rekening kunnen worden gebracht. Uit een van de door de KBvG in het geding gebrachte dossiers (bijlage IV, productie 5, bij het inleidend klaagschrift) blijkt echter dat dit risico zich ook daadwerkelijk heeft verwezenlijkt. In dat dossier blijkt uit de specificatie van de executiekosten dat de betekening van het verstekvonnis wordt gevolgd door vier afzonderlijke derdenbeslagen en vier afzonderlijke overbetekeningen die alle afzonderlijk aan de debiteur in rekening zijn gebracht. Gezien de standaard werkwijze van de gerechtsdeurwaarders is het niet uitgesloten dat in meer dossiers de kosten van gelijktijdig uitgebrachte overbetekeningen niet zijn beperkt tot de kosten van één overbetekening. Dat in voorkomende gevallen de kosten zijn gecrediteerd, zoals de gerechtsdeurwaarders hebben aangevoerd, is niet gebleken. Met de kamer acht het hof de handelwijze van de gerechtsdeurwaarders ook op dit punt klachtwaardig.

Bankbeslagen

7.6.

De vraag of het leggen van verschillende beslagen ten last van één debiteur over een langere periode tot tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen leidt, zal het hof beantwoorden aan de hand van het rapport van het BFT. Uit dat rapport blijkt dat in 2010 en 2011 door de gerechtsdeurwaarders structureel en in een groot aantal zaken over een langere periode (vrijwel gelijktijdig) onder ten minste twee banken beslag is gelegd. In ruim veertig procent van alle zaken - 2.702 in totaal - is ten laste van dezelfde debiteur onder ten minste twee banken beslag gelegd.

In ruim dertien procent van de gevallen (711) hebben de gerechtsdeurwaarders loonbeslag gelegd en tevens beslag onder één bank.

In ruim dertig procent van alle zaken - 1.915 in totaal - is een samenloop van een loonbeslag en beslag onder ten minste twee banken aan de orde. De gerechtsdeurwaarders hebben de door het BFT geschetste werkwijze in voornoemde periode erkend.

Het hof is van oordeel dat de werkwijze in dergelijke zaken dient te zijn dat na voorafgaand onderzoek in het desbetreffende dossier zo nodig loonbeslag onder de werkgever van de debiteur wordt gelegd en/of beslag op een bankrekening van een debiteur. In een voorkomend geval zal beslag onder twee banken kunnen worden gelegd. Hierbij zal telkens door een gerechtsdeurwaarder moeten worden beoordeeld of die wijze van aanpak niet onredelijk is, gelet op de daarbij te maken executiekosten die in beginsel voor rekening van de schuldenaar komen. Het hof acht het de gerechtsdeurwaarders te verwijten dat zij structureel en in een dermate groot aantal dossiers direct bij aanvang van de executie, vrijwel gelijktijdig, telkens onder twee banken beslag hebben gelegd. Dat de gerechtsdeurwaarders voorafgaand aan het leggen van het beslag contact hebben gehad met diverse banken die aan hen informatie over debiteuren verschaften, wat hiervan verder ook zij, doet hieraan niet af. De gerechtsdeurwaarders hebben in dit verband namelijk ter zitting in hoger beroep verklaard dat deze beslagen veelal geen doel troffen en meer exploten en beslagen moesten worden tegengeboekt en zij om die reden deze werkwijze hebben gewijzigd.

De omstandigheid dat de gerechtsdeurwaarders in voormelde periode een orderportefeuille inclusief personeel hebben overgenomen en dat die medewerkers de gewraakte werkwijze hanteerden, maakt het voorgaande niet anders. De gerechtsdeurwaarders zijn immers verantwoordelijk voor de inrichting van hun kantoororganisatie en het handelen van hun medewerkers, ook als aan die medewerkers een zekere zelfstandigheid wordt gegeven om hun werkzaamheden te verrichten. Dit dient tuchtrechtelijk voor rekening en risico van de gerechtsdeurwaarders te komen. De gerechtsdeurwaarders hebben ter zitting in hoger beroep desgevraagd verklaard dat in de periode 2011/2012 op het kantoor in [plaats] 2 toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarders en 14 of 15 medewerkers en op het kantoor [plaats] 1 toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder en 3 medewerkers werkzaam waren. Het hof acht het onaannemelijk dat bij een kantoororganisatie van die omvang een dergelijke werkwijze (voor het kantoor te[plaats] ging het in 2011 om gemiddeld 140 bankbeslagen per week) pas na geruime tijd bij de gerechtsdeurwaarders bekend zou zijn geworden, zoals de gerechtsdeurwaarders hebben aangevoerd. Overigens doet dit aan vorenbedoelde verantwoordelijkheid van de gerechtsdeurwaarders niets af.

Verder leidt deze werkwijze logischerwijs ertoe dat er extra kosten aan de debiteur in rekening worden gebracht, ook door de desbetreffende banken onder welke de beslagen zijn gelegd. De gerechtsdeurwaarders hebben in dit verband aangevoerd dat al tijdens de behandeling van de door het BFT bekeken dossiers kosten zijn gecrediteerd en dus niet bij de desbetreffende schuldenaar in rekening zijn gebracht. Nu dit niet nader is onderbouwd, is dit echter onvoldoende aannemelijk geworden.

Conclusie en maatregel

7.7.

Op grond van hetgeen hiervoor onder 7.3. tot en met 7.6. is overwogen komt het hof tot het oordeel dat de klacht van de KBvG gegrond is.

7.8.

Gelet op de aard en de ernst van de handelwijze van de gerechtsdeurwaarders, met name de structurele basis van het handelen gedurende een langere periode in een groot aantal zaken, ziet het hof aanleiding aan elk van de gerechtsdeurwaarders een maatregel op te leggen. Het hof acht de handelwijze van de gerechtsdeurwaarders in strijd met hetgeen een behoorlijk handelend gerechtsdeurwaarder betaamt en in strijd met de gedragsregel dat de gerechtsdeurwaarder geen onnodige kosten maakt. Bovendien schaadt een dergelijk handelen het vertrouwen dat men in de praktijk in de gerechtsdeurwaarder bij de uitoefening van zijn ambt stelt. Vooropgesteld wordt dat de gerechtsdeurwaarders elk verantwoordelijk zijn voor de kantoororganisatie binnen beide kantoren. Die organisatie wordt immers onder beider naam en daarmee voor rekening van risico van beide gerechtsdeurwaarders uitgeoefend. Uit de stukken van het dossier en op grond van hetgeen partijen hebben aangevoerd is echter wel duidelijk geworden dat een en ander zich voornamelijk en ook op grotere schaal op het kantoor in [plaats] heeft afgespeeld. Dit rechtvaardigt een zwaardere maatregel voor gerechtsdeurwaarder sub 1. ten opzichte van gerechtsdeurwaarder sub 2. Het hof is van oordeel dat aan gerechtsdeurwaarder sub 1. de maatregel van schorsing in de uitoefening van zijn ambt voor de duur van vijf maanden en aan gerechtsdeurwaarder sub 2. de maatregel van schorsing in de uitoefening van zijn ambt voor de duur van twee maanden dient te worden opgelegd.

7.9.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan onbesproken blijven omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.

7.10.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

8 De beslissing

Het hof:

- verklaart de KBvG niet ontvankelijk in de in hoger beroep nieuw geformuleerde klachten;

- vernietigt de bestreden beslissing voor wat betreft de aan de gerechtsdeurwaarders opgelegde maatregel;

In zoverre opnieuw rechtdoende:

- legt aan gerechtsdeurwaarder sub 1. de maatregel op van schorsing in de uitoefening van het ambt voor de duur van vijf (5) maanden, ingaande 15 september 2014 te 0.00 uur en eindigend op 15 februari 2015 te 0.00 uur;

- legt aan gerechtsdeurwaarder sub 2. de maatregel op van schorsing in de uitoefening van het ambt voor de duur van twee (2) maanden, ingaande 15 september 2014 te 0.00 uur en eindigend op 15 november 2014 te 0.00 uur;

- bevestigt de bestreden beslissing voor het overige.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.D.R.M. Boumans, J.C.W. Rang en L.J. Saarloos en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 9 september 2014 door de rolraadsheer.