Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:3724

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-09-2014
Datum publicatie
10-09-2014
Zaaknummer
200.142.942-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het fenomeen ‘freelance gerechtsdeurwaarder’: de toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder verricht als zelfstandige ambtshandelingen op basis van een overeenkomst van opdracht. Deze werkwijze is in strijd met de bepalingen van de Gerechtsdeurwaarderswet. Klacht is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.142.942/01 GDW

zaaknummer in eerste aanleg : 605.2013

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 9 september 2014

inzake:

KONINKLIJKE BEROEPSORGANISATIE VAN GERECHTSDEURWAARDERS,

gevestigd te ‘s-Gravenhage,

gemachtigde: mr. J.M. Wisseborn,

APPELLANTE,

t e g e n

[toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder],

toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder,

kantoorhoudende te [vestigingsplaats],

GEÏNTIMEERDE.

1 Het geding in hoger beroep

1.1

Van de zijde van appellante, verder de KBvG, is bij een op 5 maart 2014 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift – met bijlagen – tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder de kamer, van 4 februari 2014, verzonden op 11 februari 2014. Bij die beslissing heeft de kamer de klacht van de KBvG tegen geïntimeerde, verder de toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder, ongegrond verklaard.

1.2

De toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder heeft een verweerschrift ingediend, ter griffie ontvangen op 16 april 2014.

1.3

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 1 juli 2014. De toegevoegd kandidaat gerechtsdeurwaarder en de gemachtigde van de KBvG zijn verschenen. Beiden hebben het woord gevoerd, de gemachtigde aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.

2 De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 De feiten

De toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder is werkzaam als zelfstandig ondernemer en drijft een eenmanszaak onder de naam [X].
De toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder verricht voor en namens verschillende gerechtsdeurwaarders aan wie hij is toegevoegd ambtshandelingen op basis van een overeenkomst van opdracht.

4 Het standpunt van de KBvG

4.1

De KBvG stelt dat de werkwijze van de toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder, een fenomeen dat omschreven kan worden als de ‘freelance deurwaarder’, waarbij een kandidaat-gerechtsdeurwaarder zich laat toevoegen aan twee of meer verschillende gerechtsdeurwaarders en voor hen werkzaamheden uitoefent buiten loondienst en zonder op hun kantoor werkzaam te zijn, in strijd is met de Gerechtsdeurwaarderswet (Gdw) en meer algemeen artikel 1 van de Verordening beroeps- en gedragsregels gerechtsdeurwaarders.

4.2

Volgens de KBvG kan uit de wet noch uit de totstandkoming daarvan worden afgeleid dat het de bedoeling van de wetgever was dat een toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder zelfstandig zou opereren zoals de huidige freelance deurwaarders. Blijkens de wetshistorie is de wetgever uitgegaan van een toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder die voor een gerechtsdeurwaarder werkt op diens kantoor en onder diens gezag. Dit komt ook tot uitdrukking in artikel 26 lid 1 Gdw, waarin is bepaald de mogelijkheid tot aanwijzing door de gerechtsdeurwaarder van “een kandidaat-gerechtsdeurwaarder die op zijn kantoor werkzaam is” als toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder. De terminologie van het werkzaam zijn op het kantoor wordt in artikel 28 Gdw herhaald, waaruit naar voren komt dat de wetgever de uitdrukkelijke bedoeling heeft gehad dat de toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder daadwerkelijk een vast verband heeft met de gerechtsdeurwaarder aan wie hij is toegevoegd en uit hoofde van dat verband ook feitelijk werkzaam dient te zijn op dat kantoor van die gerechtsdeurwaarder.

4.3

De toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder die opereert als een zelfstandig beroepsbeoefenaar heeft geen daadwerkelijke band met het kantoor van de gerechtsdeurwaarder aan wie hij is toegevoegd, laat staan dat gezegd kan worden dat hij “op het kantoor werkzaam” is. De toevoeging van de kandidaat-gerechtsdeurwaarder aan de gerechtsdeurwaarder vormt in het onderhavige geval niet meer dan de legitimatie voor de gerechtsdeurwaarder om met de toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder losse overeenkomsten van opdracht aan te gaan, hetgeen tot een onwenselijke praktijk leidt, aldus de KBvG.

4.4

De KBvG benadrukt dat de door haar geïnitieerde procedure een principieel karakter heeft. Zij wenst een helder oordeel over de grenzen van de wijze waarop het ambt van de gerechtsdeurwaarder in de praktijk kan worden uitgeoefend en is derhalve niet uit op een tuchtrechtelijke maatregel.

5 Het standpunt van de toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder

De toegevoegd kandidaat gerechtsdeurwaarder heeft de stellingen van de KBvG betwist en gemotiveerd weersproken. Hij heeft benadrukt dat, anders dan in de stukken is gesuggereerd, de gerechtsdeurwaarder aan wie hij momenteel is toegevoegd wel degelijk te allen tijde op de hoogte is geweest van alle onder zijn toevoeging verrichte ambtshandelingen.

6 De beoordeling

6.1

In deze procedure is aan het hof de vraag ter beantwoording voorgelegd of uit de wet en de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat de wijze waarop de toegevoegd kandidaat gerechtsdeurwaarder het beroep uitoefent, dat wil zeggen: het als zelfstandige verrichten van ambtshandelingen op basis van een overeenkomst van opdracht, toelaatbaar is.
Het hof overweegt daartoe als volgt.

6.2

De toevoeging van een kandidaat deurwaarder aan een gerechtsdeurwaarder is thans geregeld in artikel 26 GDW. In het oorspronkelijke wetsontwerp luidde de tekst van lid 1 van dat artikel als volgt:

“Een gerechtsdeurwaarder kan, met goedkeuring van Onze Minister, een kandidaat-gerechtsdeurwaarder die bij hem in dienst is en op zijn kantoor werkzaam is, aanwijzen als toegevoegd kandidaat-deurwaarder.”

In de bij dit wetsvoorstel behorende memorie van toelichting wordt als toelichting op dit artikel onder meer het volgende vermeld:

“De toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder is geen ambtenaar in de zin der wet. De wetgever belast hem niet met de openbare taak, doch schept de mogelijkheid voor een gerechtsdeurwaarder om een kandidaat-gerechtsdeurwaarder te belasten met de uitvoering van ambtshandelingen. De toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder treedt evenwel namens de betrokken gerechtsdeurwaarder op en onder diens verantwoordelijkheid; de wettelijke taak kan derhalve niet worden overgedragen, het instituut van de toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder maakt het slechts mogelijk dat de gerechtsdeurwaarder deze taak niet persoonlijk behoeft uit te voeren.”

(TK 1991-1992, 22 775, nr. 3, blz. 21-22)

6.3

Vanuit de Tweede Kamer zijn bezwaren geuit tegen de redactie van voormeld artikellid. De tekst ging uit van een (loon)dienstverband, terwijl de praktijk uitwees dat ook de situatie bestond dat de toegevoegd kandidaat-deurwaarder deel uitmaakte van de maatschap of directie van zijn kantoor. De bezwaren werden vervolgens door de regering gehonoreerd:

“Overeenkomstig het verzoek van de leden van de VVD-fractie zijn de woorden in deze bepaling «bij hem in dienst is» geschrapt. De bepaling dient er immers niet aan in de weg te staan dat een kandidaat-gerechtsdeurwaarder die geen dienstbetrekking heeft maar wel werkzaam is op het desbetreffende gerechtsdeurwaarderskantoor, niet als toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder kan worden aangewezen.”

(TK 1993-1994, 22 775, nr. 5, blz. 24)

Dat heeft geresulteerd in de volgende, ook nu nog geldende wettekst (artikel 26, lid 1 GDW), die op 15 juli 2001 in werking is getreden:

“Een gerechtsdeurwaarder kan, met goedkeuring van Onze Minister, een kandidaat-gerechtsdeurwaarder die op zijn kantoor werkzaam is, aanwijzen als toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder.”

6.4

Het hof leidt uit de wettekst en de wetsgeschiedenis af dat de kandidaat-deurwaarder daadwerkelijk verbonden dient te zijn aan het kantoor van de gerechtsdeurwaarder aan wie hij is toegevoegd. Daarbij gaat het er niet zozeer om dat de toegevoegd kandidaat-deurwaarder fysiek aanwezig is op dat kantoor. Veelal zullen immers de ambtelijke werkzaamheden niet op kantoor, maar juist buiten dat kantoor worden verricht. Het gaat wel om de vaste verbondenheid met de organisatie van de desbetreffende gerechtsdeurwaarder.

6.5

Het hof komt tot dat oordeel allereerst op grond van de tekst van de wet. Indien geen verbondenheid met een kantoor verlangd zou zijn, dan zou het onderdeel “die op zijn kantoor werkzaam is” niet alleen zinledig, maar zelfs misplaatst zijn.

Daarnaast komt in artikel 28 lid 1 GDW dezelfde zinsnede voor:

“De toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder kan namens en onder verantwoordelijkheid van de gerechtsdeurwaarder op wiens kantoor hij werkzaam is, de ambtshandelingen verrichten waartoe deze bevoegd is (…)”

Als de verbondenheid met een kantoor niet noodzakelijk zou zijn, dan zou de wetgever hier hebben kunnen volstaan met “de gerechtsdeurwaarder aan wie hij is toegevoegd”.

6.6

Ook hetgeen in het kader van de beraadslagingen over bovengenoemd wetsvoorstel is besproken bevestigt dat een bepaalde verbondenheid met het kantoor van de gerechtsdeurwaarder moet bestaan. Dat kan een loondienstverband zijn, maar ook (financiële) deelnemingsvormen als deelname in een maatschap of vennootschap kunnen daaronder vallen.

6.7

Naar het oordeel van het hof is het vereiste van een werkelijke verbondenheid van de toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder met het kantoor van de gerechtsdeurwaarder aan wie hij is toegevoegd ook in overeenstemming met de strekking van de wet, omdat het een basis schept voor de gerechtsdeurwaarder om door middel van toezicht daadwerkelijk inhoud te geven aan zijn verantwoordelijkheid voor het handelen van de aan hem toegevoegde kandidaat-gerechtsdeurwaarder.

6.8

Het hof realiseert zich dat het zich hierboven heeft beroepen op opvattingen van de wetgever uit de jaren ’90 van de vorige eeuw, toen de problematiek van de freelance deurwaarder nog helemaal niet aan de orde was. Die opvattingen worden echter in ieder geval door de regering ook in 2009 aangehangen, hetgeen blijkt uit de reactie van de regering op het rapport van de Commissie evaluatie Koninklijke beroepsorganisatie van gerechtsdeurwaarders Noblesse Oblige uit 2009:

“Daarnaast acht ik het van belang te bezien of bijvoorbeeld door aanpassing van regelgeving ertoe kan worden bijgedragen dat de ongewenste ontwikkeling van de zogenaamd freelancers en het gebrekkig toezicht op hun functioneren een halt wordt toegeroepen.”

(bijlage bij het Kabinetsstandpunt op het rapport Aanbevelingen van de Commissie evaluatie Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders, 3 november 2009)

6.9

De positie van de freelance deurwaarder is in strijd met de hiervoor omschreven vaste verbondenheid aan een kantoor. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de onder 3 (de feiten) omschreven werkwijze in strijd is met de bepalingen van de Gerechtsdeurwaarderswet. Dat houdt in dat het verrichten van ambtshandelingen op freelance basis door de toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder tuchtrechtelijk laakbaar handelen oplevert. De klacht is daarom gegrond.

6.10

Gelet op het principiële karakter van de procedure zal het hof de suggestie van de KBvG volgen en aan de toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder geen tuchtrechtelijke maatregel opleggen.

6.11

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.

6.12

Nu het hof tot een ander oordeel is gekomen dan de kamer kan de beslissing van de kamer niet in stand blijven.

7 De beslissing

Het hof:

 vernietigt de beslissing van de kamer van 4 februari 2014;

 verklaart de klacht gegrond;

 ziet af van het opleggen van een maatregel.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.D.R.M. Boumans, J.C.W. Rang, L.J. Saarloos en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 9 september 2014 door de rolraadsheer.