Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:3712

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-07-2014
Datum publicatie
09-09-2014
Zaaknummer
200.134.707/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg huwelijkse voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2014/132

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 1 juli 2014

Zaaknummer: 200.134.707/01

Zaaknummer eerste aanleg: 452427 / FA RK 10-1608 en 466823 / FA RK 10-6683

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. C.S.M. Ruijgrok te Amsterdam,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. E.K.E. van Herk te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2.

De vrouw is op 2 oktober 2013 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikkingen van de rechtbank Amsterdam van 18 juli 2012 en 3 juli 2013, beide met kenmerk 452427 / FA RK 10-1608 en 466823 / FA RK 10-6683.

1.3.

De man heeft op 10 december 2013 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.4.

De vrouw heeft op 22 januari 2014 een verweerschrift in het hoger beroep van de man ingediend.

1.5.

De vrouw heeft op 1 mei 2014 nadere stukken ingediend.

1.6.

De man heeft op 2 mei 2014 nadere stukken ingediend.

1.7.

De zaak is op 14 mei 2014 ter terechtzitting behandeld.

1.8.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn [in] 2005 op huwelijkse voorwaarden gehuwd. Hun huwelijk is op 11 februari 2011 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 3 november 2010 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren [zoon] [in] 2007 en [dochter] [in] 2009.

2.2.

De voormalig echtelijke woning van partijen aan de [adres a] behoorde uitsluitend aan de man in eigendom toe. Deze woning is najaar 2012 aan derden verkocht en geleverd.

Partijen waren ieder voor de helft eigenaar van het pand aan de [adres b]. Zij ontvingen huurinkomsten uit dit pand. Het pand is op 1 maart 2012 aan [B.V.1] verkocht en geleverd.

Partijen waren ieder voor de helft eigenaar van het pand aan de [adres c]. Het pand is op 3 augustus 2009 aan [B.V.1] verkocht en geleverd.

Zij zijn ieder voor de helft eigenaar van de woning aan de [adres d]. Deze woning is in de bestreden eindbeschikking van 3 juli 2013 toegedeeld aan de man.

2.3.

Partijen leven sinds 20 mei 2009 gescheiden. De vrouw heeft vanaf die datum tot 1 juni 2012 met de kinderen in de voormalig echtelijke woning aan de [adres a] gewoond. De man woont sinds het uiteengaan van partijen in de woning aan de [adres d].

2.4.

De man is directeur/enig aandeelhouder van [de onderneming], die op haar beurt 100% aandeelhouder is van [B.V.1] en 50% aandeelhouder van [B.V.2]

2.5.

De op 18 november 2005 verleden akte huwelijkse voorwaarden houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“Uitsluiting

Artikel 1

De echtgenoten sluiten elke gemeenschap van goederen uit.

(…)

Verrekening van inkomsten

Artikel 9

1. Indien één van de echtgenoten minder gaat werken in verband met kinderen die verzorgd dienen te worden zijn de echtgenoten verplicht om jaarlijks te verrekenen hetgeen van hun inkomen in de zin van artikel 6 resteert, nadat daarop de bijdrage in de kosten van huishouding in mindering is gebracht. Bij deze verrekening komt ieder de helft van het gezamenlijk bespaarde bedrag toe.

(…)

5. Er bestaat geen verplichting tot verrekening van inkomsten:

a. Gedurende de periode dat de echtgenoten niet samenwonen (…)

b. (…)

6. Wanneer een verzoek tot echtscheiding (...) wordt ingediend eindigt de verplichting tot verrekening en komen alle daarmee samenhangende vorderingen te vervallen. Tussen de echtgenoten zal in dat geval nadat de echtscheiding (...) is tot stand gekomen, worden afgerekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 10.

(...)

Verrekening bij ontbinding van het huwelijk door overlijden

Artikel 10

1. Indien het huwelijk wordt ontbonden door overlijden zal tussen de langstlevende echtgenoot en de rechtverkrijgenden van de overleden echtgenoot worden afgerekend alsof de echtgenoten in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd.

(...)

7. Er vindt geen verrekening op grond van dit artikel plaats indien (...).

Verrekening vindt voorts niet plaats:

a. (...)

b. indien op het tijdstip van de ontbinding van het huwelijk een verzoekschrift tot echtscheiding (...) is ingediend (...).

Pensioen

Artikel 11

De echtgenoten sluiten de toepasselijkheid van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding uit, zodat bij echtscheiding (…) op geen enkele wijze verevening of verrekening van rechten op ouderdomspensioen plaats vindt. (…)

Verrekening overige oude dagsvoorzieningen

Artikel 12

Bij echtscheiding (…) wordt de waarde van aanspraken op een oudedagsvoorziening, die geen pensioenrechten zijn in de zin van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding niet verrekend.

(…)”

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking van 3 juli 2013 zijn de verzoeken van de vrouw voor zover deze zien op de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van partijen afgewezen. Verder is de wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschap, te weten de woning gelegen aan de [adres d], vastgesteld, in die zin dat de woning aan de man zal worden toebedeeld onder gelijktijdige verplichting van de man om mee te werken aan het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de vrouw van de op deze woning rustende hypothecaire geldleningen en de verplichting van de vrouw om mee te werken aan de overdracht van de woning, waarna partijen dan over en weer met betrekking tot deze woning niets meer van elkaar te vorderen hebben. Voorts zijn de overige verzoeken van de man afgewezen, onder aanhouding van het verzoek van de vrouw tot het vaststellen van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen en een uitkering tot haar levensonderhoud.

3.2.

De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikkingen in zoverre:

a. voorwaardelijk, namelijk indien de uitvoering van het tussen partijen overeengekomen finaal verrekenbeding leidt tot een vordering van de vrouw op de man, te bepalen dat er tussen partijen finaal verrekend dient te worden, overeenkomstig het bepaalde in artikel 10 van de akte huwelijkse voorwaarden;

b. subsidiair te bepalen dat het periodiek verrekenbeding dat is opgenomen in art. 9 lid 1 van de huwelijkse voorwaarden alsnog dient te worden uitgevoerd;

c. de man te gelasten alle voor de uitvoering van het finale dan wel periodieke verrekenbeding benodigde stukken in het geding te brengen;

d. indien het hof dat noodzakelijk acht, een deskundige te benoemen, die het bedrag vaststelt dat tussen partijen dient te worden verrekend;

e. de man te veroordelen om binnen 14 dagen na de ten deze te wijzen beschikking een bedrag van € 47.270,99, verminderd met 50% van de door de man betaalde netto hypotheekrente, althans een zodanig bedrag als het hof juist zal achten, aan de vrouw te voldoen wegens door hem ontvangen huurpenningen met betrekking tot het pand aan de [adres b], te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het beroepschrift tot de datum der algehele voldoening;

f. de man te veroordelen om binnen 14 dagen na de ten deze te wijzen beschikking een bedrag van € 47.500,-, althans € 24.000,-, althans een zodanig bedrag als het hof juist zal achten, aan de vrouw te voldoen wegens een door hem van [B.V.1] ontvangen bedrag in verband met de verkoop van het pand aan de [adres c], te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het beroepschrift tot de datum der algehele voldoening,

kosten rechtens.

3.3.

De man verzoekt de vrouw in haar principaal hoger beroep niet ontvankelijk te verklaren, althans het door haar verzochte af te wijzen. In incidenteel hoger beroep verzoekt hij, met vernietiging van de bestreden beschikkingen in zoverre:

a. de vrouw te veroordelen om in verband met de verkoop van de [adres b] aan de man binnen 8 dagen na de ten deze te wijzen beschikking een bedrag van € 5.375,75 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 28 augustus 2012 tot aan die der algehele voldoening;

b. te bepalen dat de vrouw aan de man een vergoeding verschuldigd is voor het uitsluitend en voortgezet gebruik van de voormalig echtelijke woning aan de [adres a], met ingang van 1 juni 2009 en tot de datum (1 juni 2012) waarop de vrouw deze woning metterwoon heeft verlaten, met vaststelling van die vergoeding op een bedrag gelijk aan 2% per jaar van de waarde van de betreffende onroerende zaak, althans tenminste 50% van de totale hypotheek- en eigenaarslasten met betrekking tot deze onroerende zaak, alsmede de vrouw te veroordelen om dit bedrag ad € 52.455, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, binnen 8 dagen na de ten deze te wijzen beschikking aan de man te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 31 augustus 2012 tot aan die der algehele voldoening;

c. de vrouw te veroordelen om aan de man binnen 8 dagen na de ten deze te wijzen beschikking aan hem te betalen een bedrag ad € 5.920,25, gelijk aan de kosten die de makelaar [x] aan hem in rekening heeft gebracht wegens bemiddeling bij de verkoop van de onroerende zaak aan de [adres a], te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 8 september 2012 tot aan die der algehele voldoening;

d. de vrouw te veroordelen om uit hoofde van het meenemen van de volledige inboedel en inventaris van de [adres a], binnen 8 dagen na de ten deze te wijzen beschikking aan de man een bedrag te betalen van € 25.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 8 juni 2012 tot aan die der algehele voldoening;

e. voorwaardelijk (voor het geval de grieven van de vrouw met betrekking tot periodieke en/of finale verrekening slagen): de vrouw te veroordelen om aan de man binnen 14 dagen na de te wijzen beschikking het nader door hem te berekenen bedrag te betalen, op grond van de verdeling van de tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschap, verrekening van de kosten van de huishouding, inclusief de daarvoor gemaakte schulden, vergoedingsrechten op grond van artikel 4 huwelijkse voorwaarden en vergoeding van haar privé schulden tot voldoening waarvan de man eventueel wordt aangesproken, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 20 mei 2009, althans met ingang van 21 mei 2010 tot de dag der algehele voldoening;

f. voorwaardelijk (voor het geval de vrouw haar medewerking onthoudt aan notariële toedeling van de onroerende zaak aan de [adres d]): de vrouw te veroordelen om binnen 8 dagen na de ten deze te wijzen beschikking haar onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan notariële toedeling onder de voorwaarden als geformuleerd in het dictum van de bestreden beschikking van 3 juli 2013 ten overstaan van een notaris naar keuze van de man (en op zijn kosten) van de bewuste onroerende zaak aan de man, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag of dagdeel dat de vrouw met nakoming van de ten deze te wijzen beschikking in gebreke blijft.

3.4.

De vrouw verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn incidenteel hoger beroep, althans het door hem verzochte af te wijzen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

In principaal appel

4.1.

In de bestreden eindbeschikking van 3 juli 2013 heeft de rechtbank overwogen dat de vrouw er niet in was geslaagd tegenbewijs te leveren van de voorshands bewezen geachte stelling van de man dat de tweede zin van artikel 9 lid 6 van de huwelijkse voorwaarden niet rechtsgeldig is overeengekomen, en het verzoek van de vrouw tot verrekening alsof partijen in gemeenschap van goederen waren gehuwd afgewezen. Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw haar grief 1 voor zover tegen deze overweging en beslissing gericht ingetrokken, evenals haar verzoek in hoger beroep onder a.

4.2.

Ook het subsidiaire standpunt van de vrouw, inhoudende dat tussen partijen een periodieke verrekenplicht is ontstaan omdat is voldaan aan de voorwaarde van artikel 9 lid 1 van de huwelijkse voorwaarden, is door de rechtbank niet gevolgd. Met grief 1 voor het overige en haar grieven 2 en 3 komt de vrouw daartegen op. De vrouw meent dat zij aanspraak kan maken op verrekening als voorzien in artikel 1:141 lid 3 BW en voert daartoe het volgende aan. In de bespreking over de huwelijkse voorwaarden op het kantoor van de notaris voorafgaand aan het passeren van de akte is de vrouw verzekerd (zowel door de notaris als de man) dat niet alleen in geval van overlijden maar ook in geval van echtscheiding verrekening zou plaatsvinden. De notaris is de deskundige en de vrouw mocht erop vertrouwen dat haar uitdrukkelijk kenbaar gemaakte en door de man ingewilligde wens om te allen tijde te verrekenen op een juiste manier in de akte zou worden verwoord. De vrouw had de verklaring (het hof begrijpt: de tekst van de akte) niet geaccepteerd als zij had geweten dat er in geval van echtscheiding niet verrekend zou worden. Weliswaar staat in artikel 9 lid 6 eerste zin van de huwelijkse voorwaarden dat, wanneer een verzoek tot echtscheiding wordt ingediend de verplichting tot verrekening en alle daarmee samenhangende vorderingen komen te vervallen, maar het is niet redelijk de vrouw hieraan te houden. Naar aanleiding van het gesprek met de notaris en de man, alsmede (de opname in de huwelijkse voorwaarden van) artikel 9 lid 6 (het hof begrijpt: de tweede zin), waaruit blijkt dat compensatie zou worden geboden voor het vervallen van de met het periodiek verrekenbeding samenhangende vorderingen. heeft zij erop mogen vertrouwen dat ook bij echtscheiding verrekend zou worden. Tenslotte stelt de vrouw dat is voldaan aan de voorwaarde in artikel 9 lid 1 voor het ontstaan van de periodieke verrekenverplichting, namelijk dat zij minder is gaan werken in verband met kinderen die verzorgd dienen te worden. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat tijdens het huwelijk geen verrekening van overgespaard inkomen heeft plaatsgevonden. Zij verschillen van mening over de vraag of tussen hen een periodieke verplichting tot verrekening van overgespaard inkomen is ontstaan. Voorts is in geschil of, bij bevestigende beantwoording van de eerste vraag, de vrouw, nu tijdens het huwelijk geen verrekening heeft plaatsgevonden, alsnog een vordering tot verrekening als bepaald in artikel 1:141 lid 3 BW toekomt. Het hof ziet aanleiding laatstgenoemde vraag als eerste te bespreken. Het debat van partijen spitst zich toe op de vraag of in de huwelijkse voorwaarden finale verrekening bij echtscheiding is uitgesloten. Omdat partijen hierover van mening verschillen moet deze vraag worden beantwoord op grond van de tekst en inhoud van de huwelijkse voorwaarden, en aan de hand van hetgeen partijen ten tijde van het overeenkomen van de huwelijkse voorwaarden over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.4.

Ten aanzien van de tekst en inhoud van de huwelijkse voorwaarden stelt het hof vast dat in de op 18 november 2005 verleden akte op de eerste bladzijde onder de titel HUWELIJKSE VOORWAARDEN staat vermeld: “uitsluiting van elke gemeenschap, verrekening van inkomsten, volledige verrekening bij overlijden”. Artikel 9 bevat een regeling voor de verrekening van inkomsten. In lid 1 van dit artikel is bepaald dat, indien één van hen minder gaat werken in verband met kinderen die verzorgd dienen te worden, partijen verplicht zijn hun jaarlijks overgespaarde inkomen te verrekenen. In de eerste zin van lid 6 van hetzelfde artikel is bepaald dat, wanneer een verzoek tot echtscheiding wordt ingediend, niet alleen de verplichting tot verrekening eindigt, maar ook alle daarmee samenhangende vorderingen komen te vervallen. Tussen partijen is niet langer in geschil dat de tweede zin van dit artikel, inhoudende dat in dat geval na de echtscheiding zal worden afgerekend alsof partijen in algehele gemeenschap waren gehuwd, niet rechtsgeldig is overeengekomen. Tenslotte is in artikel 10, dat verrekening bij ontbinding van het huwelijk door overlijden regelt, in lid 7 en onder b bepaald dat geen verrekening plaatsvindt indien op het tijdstip van de ontbinding van het huwelijk (het overlijden) een verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend. De tekst van deze bepalingen, in onderling verband en samenhang beschouwd, brengt het hof tot de conclusie dat partijen zijn overeengekomen dat in geval van echtscheiding geen finale verrekening zal plaatsvinden. Dit geldt evenzeer voor verrekening als voorzien in artikel 1:141 lid 3 BW, gelet op het bepaalde in artikel 9 lid 6 eerste zin, te weten dat alle met de verplichting tot verrekening samenhangende vorderingen komen te vervallen wanneer een verzoek tot echtscheiding is ingediend. Deze conclusie vindt bevestiging in de artikelen 11 en 12 van de huwelijkse voorwaarden. Volgens die bepalingen vindt geen verevening van ouderdomspensioen en verrekening van de waarde van andere oudedagsvoorzieningen plaats in geval van echtscheiding. Partijen hebben op grond van de tekst en inhoud van de huwelijkse voorwaarden bij echtscheiding over en weer zo min mogelijk van elkaar te vorderen.

4.5.

Daarnaast zijn van belang de omstandigheden waaronder de huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen en de wederzijds kenbare bedoelingen van partijen destijds. Alvorens de akte huwelijkse voorwaarden is opgesteld hebben partijen op 19 augustus 2005 een gesprek met de notaris gehad. In de door de notaris tijdens het gesprek gemaakte notities is het volgende vermeld:

“buiten gemeenschap van goederen

en/of rekening

lasten naar rato inkomen

verrekening inkomen zodra een van beide minder gaat werken ivm de kinderen die verzorgd dienen te worden

geen pensioenverevening

geen verevening overige o.d. voorzieningen

(. . .)

finaal verrekenbeding bij overlijden”

Uit deze aantekeningen blijkt niet dat partijen tijdens het gesprek met de notaris andere afspraken hebben gemaakt dan de afspraken zoals deze in de huwelijkse voorwaarden zijn verwoord. In dit licht bezien heeft de vrouw haar stelling dat haar tijdens dit gesprek zowel door de man als door de notaris is verzekerd dat niet alleen in geval van overlijden, maar ook in geval van echtscheiding verrekening zou plaatsvinden, tegenover de gemotiveerde betwisting door de man onvoldoende onderbouwd. Aan de vrouw kan worden nagegeven dat de tekst in artikel 9 lid 6 tweede zin – waarvan inmiddels onherroepelijk is komen vast te staan dat het daarin bepaalde niet rechtsgeldig is overeengekomen – ertoe leidt dat de inhoud van de huwelijkse voorwaarden bij eerste lezing innerlijk tegenstrijdig lijkt te zijn. Daar staat evenwel tegenover dat uit alle andere hiervoor geciteerde bepalingen van de huwelijkse voorwaarden, in onderling verband en samenhang beschouwd, duidelijk naar voren komt dat finale verrekening bij echtscheiding is uitgesloten. Aan het eind van de akte is vermeld dat de inhoud van de akte aan partijen is opgegeven en toegelicht en dat partijen hebben verklaard tijdig van de inhoud van de akte te hebben kennis genomen en met de inhoud in te stemmen. Gesteld noch gebleken is dat de gang van zaken voorafgaand aan het passeren van de akte een andere is geweest. Tegen deze achtergrond heeft de vrouw onvoldoende onderbouwd dat zij niet heeft begrepen en ook niet heeft hoeven begrijpen dat bij echtscheiding niet verrekend zou worden, zoals zij lijkt te stellen.

4.6.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen heeft de vrouw niet aannemelijk gemaakt dat beide partijen, in weerwil van de tekst en inhoud van de huwelijkse voorwaarden, bedoeld hebben overeen te komen dat (ook) bij echtscheiding finale verrekening zou plaatsvinden en dat de huwelijkse voorwaarden in die zin moeten worden uitgelegd. Het betoog van de vrouw dat artikel 9 lid 6 eerste zin van de huwelijkse voorwaarden niet toepasselijk is omdat dit onder de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, kan niet slagen omdat de vrouw daarvoor onvoldoende heeft gesteld.

De conclusie luidt derhalve dat de vrouw geen aanspraak kan maken op verrekening als voorzien in artikel 1:141 lid 3 BW. Gelet daarop behoeft het betoog van de vrouw dat is voldaan aan de voorwaarde in artikel 9 lid 1 van de huwelijksvoorwaarden voor het ontstaan van de periodieke verrekenverplichting geen bespreking. Het hof passeert haar bewijsaanbod als niet ter zake dienend. De grieven falen. Het hof zal de verzoeken van de vrouw onder b, c en d afwijzen.

4.7.

In het verweerschrift in incidenteel appel heeft de vrouw haar grief 4 ingetrokken, evenals haar verzoek onder e.

4.8.

De vrouw verzoekt in hoger beroep te bepalen dat de man een bedrag aan haar dient te voldoen in verband met de verkoop van het pand aan de [adres c]. Hierop ziet grief 5. De vrouw voert daarin het volgende aan. Partijen hebben het pand gezamenlijk gekocht voor € 327.000,-. Zij hebben het in augustus 2009 verkocht aan [B.V.1] voor € 375.000,-. Met dit bedrag is de hypothecaire schuld in verband met het pand van € 201.000,- afgelost, alsmede middels verrekening van € 79.000,- een rekening-courant schuld van de man aan de vennootschap. Voorts heeft de man € 95.000,- ontvangen, waarvan de vrouw de helft, € 47.500,-, toekomt. Subsidiair komt haar de helft toe van het verschil tussen de aankoopprijs en de verkoopprijs, te weten € 24.000,- aldus de vrouw. Het hof overweegt hierover het volgende.

4.9.

In een echtscheidingsprocedure als de onderhavige, waarin bovendien de vrouw in eerste aanleg verzoekende partij is geweest, staat het de vrouw vrij in hoger beroep haar verzoek te vermeerderen. Zij heeft dit gelijk bij het instellen van hoger beroep in haar appelschrift gedaan. Het hof zal daarom het verzoek van de man om haar vermeerdering van eis buiten beschouwing te laten niet honoreren. De man heeft ter onderbouwing van zijn betoog dat partijen bij de verkoop van het pand aan [B.V.1] een verlies van circa € 5.000,- hebben geleden een aantal producties overgelegd. Daaruit valt af te leiden dat de totale investering in het pand, die naast de koopsom uit kosten in verband met de overdracht, eigenaarslasten, verzekering, rente en kosten fundering bestond, € 379.983,31 heeft bedragen, zodat het pand met een verlies van € 4.983,31 is verkocht. Voorts blijkt daaruit dat van de verkoopopbrengst totaal € 280.000,- is gebruikt voor aflossing van een overbruggingslening en een lening van de vennootschap voor de aan partijen in gemeenschappelijk eigendom toebehorende woning aan de [adres d] en dat de resterende € 95.000,- is gebruikt voor de kosten van verbouwing van deze woning. De vrouw heeft dit alles niet nader weersproken, zodat van de juistheid hiervan moet worden uitgegaan. De grief faalt en het verzoek van de vrouw onder f wordt eveneens afgewezen.

In incidenteel appel

4.10.

De man heeft in eerste aanleg verzocht te bepalen dat de vrouw een bedrag van € 9.930,51 althans € 4.965,25 aan hem dient te voldoen in verband met het aan partijen gemeenschappelijk toebehorende pand aan de [adres b]. Het bedrag van € 9.930,51 betreft het saldo van het op beider naam staande beleggingsdepot, dat gekoppeld was aan de op het pand rustende hypothecaire lening. Dit bedrag is na verkoop en overdracht van het pand en aflossing van de hypothecaire lening door de vrouw overgeboekt naar een rekening van haar. De rechtbank heeft het verzoek van de man afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de man in het licht van de betwisting door de vrouw, inhoudende dat het bedrag is aangewend ter bestrijding van kosten van het pand, onvoldoende heeft gesteld om vast te stellen dat hij nog een vordering ter zake van het pand heeft. Hiertegen komt de man op met zijn grief 1. Hij verzoekt in hoger beroep te bepalen dat de vrouw een bedrag van € 4.965,14 aan hem dient te voldoen, alsmede een bedrag van € 879,61 wegens door hem in verband met het pand betaalde kosten die nog verdeeld dienen te worden.

De vrouw stelt hier tegenover dat zij van het van de beheerder van het pand, Provast Beheer, ontvangen bedrag van € 15.924,-, € 7.962,- had dienen te ontvangen. Zij heeft evenwel € 6.000,- ontvangen, terwijl zij bovendien de combi-aanslagen 2010 en 2012 voor het pand in totaal € 3.177,60 heeft betaald. Om die reden heeft zij het bedrag van € 8.992,28 behouden. Voorts betwist zij dat de man kosten voor het pand heeft betaald. Het hof overweegt als volgt.

4.11.

Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft de man als productie 2 in hoger beroep een “Totaal Overzicht [adres b]” met onderliggende stukken in het geding gebracht. Daaruit blijkt een “resultaat rente/huur” van € 15.924,- en een totaalbedrag van door de man betaalde kosten van € 5.683,21. Voorts blijkt dat op 16 november 2011 aan partijen € 12.000,- is uitgekeerd, zodat de man per saldo € 1.729,21 te veel aan kosten heeft betaald. De vrouw heeft dit alles onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat van de juistheid hiervan dient te worden uitgegaan.

De vrouw heeft ter onderbouwing van de door haar gestelde betalingen een aantal stukken met betrekking tot gemeentelijke aanslagen in het beding gebracht. Uit deze stukken blijkt niet dat de aanslagen betrekking hebben op het pand aan de [adres b]. Evenmin blijkt daaruit dat de vrouw deze aanslagen daadwerkelijk heeft betaald. Het hof volgt de vrouw daarom niet in haar standpunt.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de grief slaagt. Het hof zal de vordering van de man in hoger beroep onder a toewijzen, met dien verstande dat de wettelijke rente eerst verschuldigd is met ingang van 31 augustus 2012, de datum waarop de man dit bij wijze van wijziging van zijn verzoek heeft verzocht.

4.12.

Met grief 2 komt de man op tegen de afwijzing door de rechtbank van zijn verzoek te bepalen dat de vrouw hem een vergoeding verschuldigd is voor het gebruik van de voormalig echtelijke woning aan de [adres a]. De man betoogt dat de vrouw van 20 mei 2009 tot eind mei 2012 het uitsluitend gebruik van de aan hem toebehorende woning heeft gehad, terwijl hij alle lasten voor de woning heeft voldaan. De vrouw heeft vanaf augustus 2012, na het verstrijken van de periode van zes maanden na de ontbinding van het huwelijk, niet of nauwelijks haar medewerking verleend aan verkoop van de woning. De vrouw heeft tot juni 2010 inkomsten uit arbeid genoten en daarna inkomsten uit onderneming en een Ziektewetuitkering. Daarnaast heeft zij in maart 2012 ruim € 50.000,- ontvangen, zijnde haar aandeel in de verkoopopbrengst van de [adres b], aldus de man.

4.13.

Het hof overweegt het volgende. Na het feitelijk uiteengaan van partijen is de vrouw met de kinderen in de aan de man in eigendom toebehorende woning aan de [adres a] blijven wonen. De man woont sindsdien in de aan partijen gezamenlijk toebehorende woning aan de [adres d]. Tussen partijen is niet in geschil dat de man steeds de volledige lasten van de beide woningen voor zijn rekening heeft genomen. Met deze omstandigheid heeft de rechtbank in de beschikking voorlopige voorzieningen van 1 september 2010 rekening gehouden bij de beoordeling van de draagkracht van de man voor de door de vrouw verzochte kinder- en partneralimentatie, hetgeen heeft geleid tot de conclusie dat de man geen draagkracht had. Weliswaar zal deze beschikking, na een eindbeslissing over de in de echtscheidingsprocedure verzochte alimentatie, (achteraf) slechts tot de datum van ontbinding van het huwelijk, 11 februari 2011, van kracht zijn geweest, maar dat neemt niet weg dat de vrouw heden, ten tijde van de beslissing van het hof, geen kinder- en partneralimentatie ontvangt. Daarnaast heeft de vrouw met de door haar in hoger beroep overgelegde stukken voldoende aannemelijk gemaakt dat zij sinds juni 2010 minder inkomen heeft dan voorheen en dat zij het door haar uit de verkoopopbrengst van de [adres b] ontvangen bedrag volledig heeft moeten aanwenden om de kosten van haar advocaat te voldoen. Gelet op de financiële omstandigheden van de vrouw acht het hof een door de vrouw aan de man te betalen gebruiksvergoeding niet op zijn plaats. De grief faalt en het verzoek van de man in hoger beroep onder b zal worden afgewezen.

4.14.

Grief 3 is gericht tegen de afwijzing van het verzoek van de man te bepalen dat de vrouw de volledige makelaarskosten voor de verkoop van de voormalig echtelijke woning aan de [adres a] aan hem dient te voldoen. De man is van mening dat deze kosten voor rekening van de vrouw dienen te komen, omdat deze kosten onnodig zijn gemaakt. De verkoop had zonder kosten kunnen geschieden door [B.V.2], maar de vrouw heeft zich daartegen verzet, aldus de man.

4.15.

Bij de beoordeling stelt het hof voorop dat, nu de woning aan de man in eigendom toebehoorde, de kosten van verkoop van de woning in beginsel voor rekening van de man dienen te zijn. In de omstandigheden van het geval acht het hof het evenwel redelijk dat ieder van partijen de helft van de kosten van de makelaar voor zijn rekening neemt. Daarbij neemt het hof enerzijds in aanmerking dat de kosten niet zouden zijn gemaakt indien de vrouw had ingestemd met verkoop door de man en/of zijn zakelijke partner, en anderzijds dat het begrijpelijk is dat de vrouw niet wenste dat de man en/of zijn zakelijke partner zowel bij haar aanwezigheid als bij haar afwezigheid de woning, waarvan zij in die periode het uitsluitend gebruik had, zouden betreden. De grief slaagt in zoverre. Het hof zal het verzoek van de man onder c toewijzen tot een bedrag van € 2.960,13. Gelet op het tijdstip waarop de man vergoeding van de kosten van de makelaar heeft verzocht, 31 augustus 2012, volgt het hof de man in zijn verzoek in hoger beroep ten aanzien van de ingangsdatum van de wettelijke rente.

4.16.

De rechtbank heeft het verzoek van de man te bepalen dat de vrouw aan hem € 25.000,- dient te voldoen wegens het meenemen van de volledige inboedel uit de voormalig echtelijke woning aan de [adres a] afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de man niet heeft aangetoond dat de inboedel alleen aan hem in eigendom toebehoorde. Gelet op de stelling van de vrouw dat de feitelijke verdeling van de gezamenlijke inboedel al is geëffectueerd, staat niet vast dat er nog te verdelen inboedel is, aldus de rechtbank. Hiertegen is grief 4 gericht.

4.17.

Het hof stelt vast dat blijkens het proces-verbaal van de zitting van de voorzieningenrechter van 11 juni 2010 partijen hebben afgesproken dat de vrouw een groot aantal van de op een aan het proces-verbaal gehechte lijst vermelde zaken aan de man zou afgegeven. Aan deze afspraak heeft de vrouw voldaan. Naast privégoederen van de man zijn ook zaken afgegeven die als inboedelzaken zijn aan te merken. De man heeft, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw, zijn stelling dat de andere inboedelzaken uitsluitend aan hem toebehoorden niet onderbouwd. Nu voorts gesteld noch gebleken is dat de vrouw door de feitelijke verdeling die na de afspraak van 11 juni 2010 heeft plaatsgevonden, is overbedeeld, zal het verzoek van de man in hoger beroep onder d worden afgewezen. De grief faalt.

4.18.

Nu de grieven van de vrouw met betrekking tot verrekening falen, is niet voldaan aan de voorwaarde voor grief 5 en het door de man in hoger beroep onder e verzochte, zodat deze grief en dit verzoek geen bespreking behoeven.

4.19.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de man grief 6 en zijn verzoek onder f ingetrokken.

4.20.

Het hof heeft voor de bespreking van de grieven geen gebruik gemaakt van de stukken die de vrouw op 1 mei 2014 heeft ingediend en komt derhalve niet toe aan het bezwaar van de man tegen de indiening daarvan.

4.21.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

In principaal en incidenteel appel

vernietigt de bestreden eindbeschikking van 3 juli 2013 voor zover daarbij is afgewezen het verzoek van de man de vrouw te veroordelen aan hem te voldoen een bedrag van € 9.930,51 althans € 4.965,25 in verband met het aan partijen gemeenschappelijk toebehorende pand aan de [adres b], en voor zover daarbij is afgewezen het verzoek van de man de vrouw te veroordelen de kosten van de makelaar voor de verkoop van de woning aan de [adres a] aan de man te betalen

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de vrouw om binnen 8 dagen na heden aan de man te betalen een bedrag van € 5.375,75 in verband met de verkoop van de [adres b], te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 31 augustus 2012 tot aan die der algehele voldoening;

veroordeelt de vrouw om binnen 8 dagen na heden aan de man te betalen een bedrag van € 2.9601,13 voor de kosten die de makelaar [x] aan hem in rekening heeft gebracht wegens bemiddeling bij de verkoop van de onroerende zaak aan de [adres a], te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 8 september 2012 tot aan die der algehele voldoening;

verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikkingen waarvan beroep voor het overige;

wijst af het in hoger beroep (meer of anders) verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.G. Kleene-Eijk, W.J. van den Bergh en A.R. Sturhoofd in tegenwoordigheid van mr. B.J. Voerman als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2014.