Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:3699

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-06-2014
Datum publicatie
08-09-2014
Zaaknummer
200.119.676/01
Rechtsgebieden
Internationaal privaatrecht
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Grieks huwelijksvermogensrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 24 juni 2014

Zaaknummers: 200.119.676/01

Zaaknummer eerste aanleg: 498391 / FA RK 11-7180

in de zaak in hoger beroep van:

[…]

wonende te […],

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. M.M. van Maanen te Amsterdam [onttrokken],

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. A.E. Vogels te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

De man is op 18 september 2012 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 22 februari 2012 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk 498391 / FA RK 11-7180. Dit hoger beroep was met name gericht tegen de vaststelling van een uitkering tot levensonderhoud ten behoeve van de vrouw. In deze zaak, met zaaknummer 200.113.460/01, is op 26 maart 2013 een eindbeschikking gewezen.

1.3.

De vrouw heeft op 3 januari 2013 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld. Dit incidenteel hoger beroep, met zaaknummer 200.119.676/01, richt zich tegen de afwijzing door de rechtbank van de verzoeken van de vrouw ter zake van de afwikkeling van het huwelijkse vermogen.

1.4.

De man heeft op 14 januari 2013 en 22 maart 2013 gereageerd op het verzoek van de vrouw in incidenteel hoger beroep.

1.5.

De vrouw heeft op 4 april 2013 nadere stukken ingediend.

1.6.

De zaak is op 17 april 2013 ter terechtzitting behandeld alwaar zijn verschenen:

- de man;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

1.7.

De vrouw is ter zitting in de gelegenheid gesteld haar standpunt nader toe te lichten. Het hof heeft ter zitting geconstateerd dat de man, die niet vergezeld was van een advocaat of tolk, de Nederlandse taal niet (voldoende) machtig is. Het hof heeft de man meegedeeld dat het niet mogelijk is om de zaak ter terechtzitting in de Engelse dan wel de Duitse taal te behandelen en heeft de man niet toegestaan zijn in de Engelse taal opgestelde pleitnota voor te dragen. Wel heeft het hof de man voorgesteld de zaak drie maanden aan te houden, teneinde hem in de gelegenheid te stellen alsnog voor een advocaat dan wel een tolk zorg te dragen, die zijn zaak ter zitting nader kan toelichten. Aan de man is een termijn van veertien dagen verleend om het hof te informeren of hij van die gelegenheid gebruikt wenst te maken. De man heeft het hof bij faxbericht van 29 april 2013 meegedeeld wegens geldgebrek geen gebruik te (kunnen) maken van deze gelegenheid.

2 De feiten

Partijen zijn [in] 1980 te Kaval (Griekenland) gehuwd. Bij de bestreden beschikking is de echtscheiding uitgesproken. De vrouw heeft de Nederlandse en de Griekse nationaliteit en de man heeft de Griekse nationaliteit. Uit het huwelijk van partijen zijn twee thans meerderjarige kinderen geboren.

Partijen hebben in mei 2000 een woning gekocht te [a]. Zij hebben tot augustus 2000 in gezinsverband in [b] (Griekenland) gewoond, waarna de vrouw met de kinderen naar [a] is verhuisd. De kinderen wonen thans zelfstandig in Nederland. De man verbleef ten tijde van het huwelijk deels in [b] en deels in [a].

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is, zover thans van belang, het verzoek van de vrouw (onder III) om haar aandeel in de vermogensaanwas van de man vast te stellen en te bepalen dat de man het betreffende bedrag binnen twee weken na deze beschikking aan haar zal betalen, afgewezen. Dit geldt eveneens voor haar verzoek (onder IV) te bepalen dat de man zal meewerken aan de levering van zijn aandeel in de eigendom van het huis aan de [adres echtelijke woning] (hierna: de echtelijke woning) aan haar als onderdeel van het haar ingevolge het onder III verzochte aandeel in de vermogensaanwas toekomende, alsmede te bepalen dat deze beschikking in de plaats zal treden van de door de notaris op te stellen akte van levering met betrekking tot deze onroerende zaak met toebehoren, voor zover het betreft het verlenen van toestemming van de man tot de levering ervan.

3.2.

De vrouw verzoekt in incidenteel appel, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre:

- te bepalen dat de man zal meewerken aan de levering van zijn aandeel in de eigendom van de echtelijke woning aan haar als onderdeel van haar aandeel in de vermogensaanwas, alsmede te bepalen dat deze beschikking in de plaats zal treden van de door de notaris op te stellen akte van levering met betrekking tot deze onroerende zaak met toebehoren, voor zover het betreft het verlenen van toestemming van de man tot de levering ervan;

- te bepalen dat de man haar een bedrag van € 136.130,- ter beschikking zal stellen ter aflossing van de aan de echtelijke woning verbonden hypothecaire lening;

- te bepalen dat de man aan haar als haar resterende aandeel in de vermogensaanwas van partijen een bedrag van minimaal € 375.000,- zal betalen, dan wel een zodanig hoger of lager bedrag als het hof juist zal achten;

- te bepalen dat de man de in zijn bezit zijnde pensioengegevens van haar, als bedoeld onder punt 45 van het verweerschrift, zal verstrekken op straffe van een dwangsom van € 100,- voor iedere dag dat hij daarmee in gebreke blijft vanaf de datum van deze beschikking, dan wel het in kracht van gewijsde gaan van deze beschikking;

- te bepalen dat de man de wettelijke rente over de door hem aan haar uit te keren bedragen en/of waarde van de te leveren vermogensbestanddelen zal betalen vanaf de datum van deze beschikking, dan wel het in kracht van gewijsde gaan van deze beschikking.

4 De verdere beoordeling van het hoger beroep

Rechtsmacht

4.1.

In de eindbeschikking van 26 maart 2013 in de zaak met zaaknummer 200.113.460/01 heeft het hof uitvoerig uiteen gezet dat en waarom de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt ter zake van de door de vrouw verzochte echtscheiding. Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding, heeft de Nederlandse rechter tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen. Het verzoek van de man om te bepalen dat de zaak in Griekenland wordt behandeld, wordt dan ook verworpen.

Toepasselijk recht

4.2.

Wat betreft het toepasselijk recht is van belang dat partijen, zoals hiervoor onder 2 is vermeld, in 1980 in Griekenland zijn gehuwd. Op dat moment had de man de Griekse, de vrouw de Nederlandse nationaliteit. Ingevolgde de verwijzingsregels, zoals geformuleerd in de uitspraak van de Hoge Raad van 10 december 1977, NJ 1977, 325 (Chélouche/Van Leer) is, nu niet is gebleken dat partijen een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht, toepasselijk het recht van het land van het eerste huwelijksdomicilie, zijnde Griekenland. Op het huwelijksvermogensregime van partijen is derhalve Grieks recht van toepassing.

Incidenteel hoger beroep van de vrouw

4.3.

De vrouw komt in haar verweerschrift houdende incidenteel appel, met één grief op tegen de afwijzing van haar verzoeken in eerste aanleg ter zake de afwikkeling van het huwelijkse vermogen. Volgens de vrouw hebben partijen geen huwelijkscontract of voorwaarden opgesteld en is sprake van een stelsel van scheiding van goederen/gemeenschap van aanwinsten ex artikel 1397-1402 van het Grieks Burgerlijk Wetboek (GBW). Partijen hadden aan het begin van het huwelijk geen vermogen – aldus de vrouw - en hebben dat tijdens het huwelijk opgebouwd, met name op naam van de man. De vrouw stelt zich op het standpunt dat zij aan deze vermogensopbouw een zodanige bijdrage geleverd heeft, dat haar in redelijkheid 50% van de vermogensaanwas toekomt. Het gaat daarbij volgens haar om de volgende vermogensbestanddelen:

  • -

    het bedrijf [bedrijf 1], gevestigd op [b] en opgericht in 1994;

  • -

    [bedrijf 2] gevestigd op [b] en opgericht in 2002;

  • -

    huis met grond aan [adres 1] op [b];

  • -

    huis aan [adres 2] op [b];

  • -

    twee percelen bouwgrond te [plaatsnaam] op [b];

  • -

    huis aan [adres echtelijke woning], staat op beider naam;

  • -

    hypothecaire lening bij de ABN AMRO van € 136.130,-, staat op beider naam;

  • -

    levensverzekering die waarschijnlijk in najaar 2012 is uitgekeerd;

  • -

    spaargelden.

4.4.

De man heeft de stellingen van de vrouw ten aanzien van het toepasselijk recht dan wel het toepasselijke stelsel niet betwist. In zijn reactie op het incidenteel hoger beroep stelt hij dat de volgende vermogensbestanddelen op zijn naam staan:

  • -

    een huis in [adres 1] op [b] (tijdens huwelijk verkregen);

  • -

    een stuk grond in [plaatsnaam] op [b] van 9000 m² (tijdens huwelijk verkregen);

  • -

    een huis in de stad van [b] (gekocht door de moeder van de man en van wie hij dit in 1990 gekregen heeft);

  • -

    een hypothecaire geldlening, rustende op het huis in [adres 1] ten bedrage van € 117.388,11.

Grieks huwelijksvermogensstelsel

4.5.

Het Griekse huwelijksvermogensstelsel kent twee systemen: het stelsel van scheiding van goederen/gemeenschap van aanwinsten (artikel 1397-1402 GBW) en het stelsel van gemeenschap van goederen (artikel 1403-1415 GBW). Het eerste stelsel is van toepassing wanneer de echtgenoten geen huwelijkscontract/huwelijkse voorwaarden hebben opgesteld en houdt in dat de vermogens die de echtgenoten hadden voor het huwelijk en die zij verwerven na het sluiten van het huwelijk deel blijven uitmaken van hun eigen vermogen. Wanneer het huwelijk wordt ontbonden heeft elk van beide echtgenoten echter recht op deelname in de toename van het vermogen van de andere echtgenoot die is ontstaan na het sluiten van het huwelijk indien hij/zij aan deze toename heeft bijgedragen. Deze bijdrage wordt geacht overeen te komen met een derde van de meerwaarde, tenzij anders aangetoond. Het stelsel van gemeenschap van goederen houdt – kort gezegd - in dat de echtgenoten ervoor kiezen een gemeenschappelijk vermogen in te stellen met gelijke aandelen in elkaars vermogen.

4.6.

Nu de man niet heeft betwist dat partijen nimmer een huwelijkscontract dan wel huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen, dient bij de afwikkeling van het huwelijkse vermogen van partijen te worden uitgegaan van het stelsel van scheiding van goederen/gemeenschap van aanwinsten. Het geschil tussen partijen spitst zich vervolgens allereerst toe op de vraag of de vrouw aan de vermogensopbouw door de man tijdens het huwelijk van partijen een zodanige bijdrage geleverd heeft, dat haar in redelijkheid 50% van de vermogensaanwas toekomt. Daarnaast twisten partijen over de omvang van het huwelijkse vermogen en de waarde van de verschillende bestanddelen daarvan.

Bijdrage van de vrouw aan de vermogensaanwas

4.7.

De vrouw onderbouwt haar stelling dat de vermogensaanwas van partijen voor minimaal de helft door haar toedoen is ontstaan als volgt. Partijen hadden aan het begin van hun huwelijk geen vermogen. Tijdens het huwelijk is vermogen opgebouwd, met name door de man. De vrouw heeft ten volle bijgedragen aan de vermogensaanwas. Zij heeft van 1983 tot 1996 als chief hostess gewerkt in dienst van [... Reizen]. Haar inkomen kwam partijen ten goede. In deze functie heeft zij veel Nederlandse toeristen getrokken naar de bar/bistro [h], die partijen tezamen met een Nederlandse collega van de vrouw op [b] exploiteerden. Het is met name door toedoen van de vrouw dat [h] zeer goed liep. De vrouw heeft [h] in de jaren 1986-1996 zonder enige vergoeding als bedrijfsleider gerund. [h] is later verkocht. Het tijdens het huwelijk door partijen opgerichte [bedrijf 1] was aanvankelijk op naam van de vrouw geregistreerd, nu alleen zij beschikte over de benodigde vergunningen. De vrouw heeft vanaf het begin actief meegewerkt in dit bedrijf zonder dat zij daarvoor een vergoeding ontving. [bedrijf 1] is altijd een goed lopend bedrijf geweest, waarin veel omzet werd gemaakt. Ook sinds de vrouw in Nederland woont, voorziet zij met haar inkomen in eigen levensonderhoud, waarmee zij derhalve ook aan de vermogensvermeerdering heeft bijgedragen. Zij heeft bovendien de gehele opvoeding en verzorging van de kinderen op zich genomen.

De man heeft de stellingen van de vrouw in zijn als productie 12 overgelegde ‘samenvatting van de zaak’ weersproken. Hij stelt dat haar bijdrage aan [h] beperkt is gebleven en dat zij slechts één jaar als bedrijfsleidster heeft gefunctioneerd (in 1996), toen de man zich bezig hield met het net opgerichte [bedrijf 1]. De reden dat [bedrijf 1] gedurende de eerste acht jaar op naam van de vrouw heeft gestaan, is dat de man bang was voor een faillissement en de mogelijke inbeslagname van zijn vermogen als gevolg hiervan. Volgens hem heeft de vrouw slechts gedurende de eerste twee zomers in de onderneming gewerkt, en dan nog slechts parttime. Het hof begrijpt een en ander aldus, dat de man zich op het standpunt stelt dat de vrouw geen recht heeft op deelname in de toename van het vermogen van de man, omdat zij niet (substantieel) heeft bijgedragen aan deze toename.

De vrouw heeft voormelde stellingen van de man op haar beurt tijdens de zitting in hoger beroep wederom betwist. Zij stelt nogmaals dat zij vanuit haar positie bij [... Reizen] voor een grote klandizie heeft gezorgd voor de bar/bistro [h] en dat met name door haar toedoen deze bar een groot succes is geworden, dat zij gedurende een jaar daarover de leiding heeft gehad, waarvoor zij geen vergoeding heeft ontvangen, dat zij een groot aandeel heeft gehad in het succes van [bedrijf 1], dat exploitatie van het bedrijf alleen mogelijk was met de vergunningen waarover zij beschikte, dat zij vanaf het begin dagelijks in dit bedrijf heeft gewerkt. Haar stellingen worden bevestigd door de door haar als productie 13 overgelegde getuigenverklaringen, waaruit blijkt dat zij voor haar werk in [bedrijf 1] ook nooit een vergoeding heeft ontvangen, en dat zij vanaf 2000 (gedeeltelijk) voorziet in haar kosten van levensonderhoud, waarmee zij dus ook een bijdrage aan de vermogensvermeerdering heeft geleverd, aldus de vrouw.

Op grond van hetgeen partijen over en weer hebben gesteld, komt het hof tot de conclusie dat de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij een bijdrage heeft geleverd aan de toename van het vermogen van de man, doch dat zij niet heeft aangetoond dat zij recht heeft op een groter aandeel dan een derde van de vermogensaanwas. Het hof zal hiermee derhalve bij de afwikkeling van het huwelijkse vermogen rekening houden.

De bestanddelen van het vermogen en de waarde daarvan.

4.8.

De vrouw stelt allereerst dat partijen tijdens het huwelijk een woning aan de [adres 1] op [b] hebben laten bouwen op grond die zij in 1986 hadden gekocht. Volgens haar bedroegen de bouwkosten destijds rond NLG 500.000,-. De man erkent dat de woning aan de [adres 1] tijdens het huwelijk is aangekocht, maar hij weerspreekt de door de vrouw gestelde bouwkosten. In zijn als productie 12 overgelegde ‘samenvatting van de zaak’ voert hij aan dat de grond inclusief de bouwvergunning en fundering in 1986 is gekocht voor een bedrag van € 7.500,- en dat met de bouw ‘up to completion’ 12 jaar gemoeid zijn geweest, waarbij het volledige jaarlijkse inkomen van de man is opgesoupeerd. In zijn reactie van 14 maart 2013 schat de man de waarde van de woning op een bedrag € 180.000,-, waarvoor hij verwijst naar de taxatie van Dimitris Anastasiou van het kantoor ‘Myproperty Real Estate’ d.d. 22 februari 2012, welke als productie aan zijn reactie van 14 maart 2013 is gehecht. De man voegt daaraan toe dat hij, gelet op de economische crisis niet zeker ervan is, dat deze vastgestelde waarde overeenkomt met de huidige marktwaarde. Eerder (in de ‘samenvatting van de zaak’) ging de man nog uit van een waarde van € 200.000,-. De vrouw heeft vervolgens een taxatierapport van George Chrysoulakis d.d. 30 maart 2013 in het geding gebracht (productie 14 in hoger beroep), waarin de waarde per datum taxatie wordt geschat op € 270.000,-. Ter zitting in hoger beroep heeft zij verder nog aangevoerd dat de door de man overgelegde taxatie van € 180.000,- onwaarschijnlijk is, zowel wegens het grote verschil met de taxatie van de vrouw, als vanwege de onjuiste gegevens wat betreft de oppervlakte en het ontbreken van een omschrijving. De man heeft een en ander niet meer weersproken. Het hof is van oordeel dat de man aldus de door hem gestelde waarde van de woning onvoldoende heeft onderbouwd en dat de door de vrouw genoemde waarde, mede op basis van het door haar overgelegde taxatierapport, aannemelijk voorkomt. Het hof gaat derhalve uit van een waarde van de woning aan de [adres 1] van € 270.000,-, waarvan een derde aan de vrouw toekomt, hetgeen neerkomt op een bedrag van € 90.000,-.

4.9.

Volgens de man rust op voormelde woning sinds 3 augustus 2001 een hypotheek ten bedrage van € 117.388,11, welke is afgesloten voor een periode van 15 jaar. Voormeld bedrag is – aldus de man - gebruikt voor de aankoop van het huis van partijen in [a], in welk verband hij tot augustus 2016 een bedrag van € 969,40 per maand betaalt. De vrouw ontkent het bestaan van deze hypotheeklening bij gebrek aan wetenschap en nadere stukken, en voert aan dat deze lening voor de aankoop van het huis in [a] niet nodig is geweest, aangezien de koopsom van NLG 450.000,- is gefinancierd door middel van een hypotheeklening bij ABN Amro van NLG 300.000 (€ 136.000,-), in welk verband zij stukken in het geding brengt, de opbrengst van een stuk land op [b] ad NLG 80.000,- en een lening van de broer van de vrouw ad NLG 100.000,-. Indien de man destijds al een hypotheeklening zou hebben afgesloten voor terugbetaling van deze lening dan zou dat NLG 100.000,- moeten zijn geweest, aldus de vrouw.

4.10.

Het hof stelt vast dat de man geen stukken in het geding heeft gebracht, waaruit de door hem opgevoerde lening, laat staan de gestelde aanwending daarvan, valt af te leiden. Het hof is van oordeel dat de man aldus niet inzichtelijk heeft gemaakt dat op de waarde van de woning aan de [adres 1] een bedrag in mindering moet worden gebracht wegens een op deze woning rustende hypothecaire geldlening, laat staan om welk bedrag het thans nog gaat, nu uit de namens de man als productie 12 overgelegde ‘samenvatting van de zaak’ valt af te leiden dat de gehele lening per augustus 2016 zal zijn afgelost. Het hof zal dan ook geen rekening houden met een op het huis aan de [adres 1] rustende lening.

4.11.

Volgens de vrouw beschikt de man verder over twee percelen bouwgrond te [plaatsnaam]. Het gaat hier – aldus de vrouw – om bouwgrond aan de zee en dus waardevol.

De man heeft in zijn ‘samenvatting van de zaak’ aangevoerd dat hij nog slechts één perceel bezit, en dat het andere perceel in 1987 is verkocht voor (omgerekend) circa € 29.000,-, dus niet voor het door de vrouw genoemde bedrag van NLG 80.000,-. Volgens de man is er slechts één geïnteresseerde voor het nog in zijn bezit zijnde perceel grond geweest, die een bedrag van € 10.000,- voor de grond heeft geboden, hetgeen nog voor de financiële crisis was. In zijn reactie van 22 maart 2013 stelt de man vervolgens dat de waarde van genoemd perceel bouwgrond € 30.000,- bedraagt, waarvoor hij verwijst naar eerdergenoemd taxatierapport van Dimitris Anastasiou.

De vrouw heeft daarop gesteld dat van een waarde van € 50.000,- moet worden uitgegaan, waarbij zij heeft gewezen op het taxatierapport van George Chrysoulakis.

Nu de man een en ander niet meer heeft weersproken, zal het hof ook hier uitgaan van de door de vrouw genoemde waarde. Een en ander houdt in dat de vrouw aanspraak kan maken op een bedrag van (afgerond) € 16.667,-.

4.12.

In haar verweerschrift tevens houdende incidenteel appel heeft de vrouw vervolgens gesteld dat tot het vermogen van de man ook behoort een huis op [b] aan de [adres 2]. De man heeft in zijn reactie van 14 januari 2013 niet betwist dat hij eigenaar is van bedoelde woning. Hij voert echter aan dat het gaat om een huis dat door zijn moeder is gekocht en dat tijdens haar leven door hem is verkregen middels schenking/erfenis. De vrouw heeft dit ter zitting in hoger beroep betwist. Volgens haar heeft de man dit huis tijdens het huwelijk van partijen samen met zijn moeder ieder voor 50% verkregen door koop, waarna de moeder van de man haar helft aan de man geschonken heeft. Het is – aldus de vrouw – niet mogelijk gebleken om als niet-eigenaar informatie uit het kadaster te [b] over dit huis te verkrijgen en de man laat na informatie te verstrekken. De vrouw schat de huidige waarde van het huis op € 100.000,-.

4.13.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Beide partijen gaan ervan uit dat volgens het op het huwelijksvermogenregime van partijen toepasselijke recht schenkingen buiten de gemeenschap van aanwinsten blijven. Gelet op de gemotiveerde betwisting van het standpunt van de man door de vrouw, was het aan hem om zijn stellingen omtrent de wijze van eigendomsverkrijging van bedoelde woning aan te tonen. Hoewel de man hiertoe in de gelegenheid is gesteld, heeft hij dit nagelaten. Nu de man ook de door de vrouw gestelde waarde van de woning niet heeft betwist, zal het hof uitgaan van een bedrag van (€ 50.000,- : 3 = ) € 16.667,-, dat de vrouw toekomt in het kader van de afwikkeling van dit bestanddeel van het huwelijksvermogen van partijen.

4.14.

De vrouw maakt voorts aanspraak op de helft van de waarde van de ondernemingen van de man [bedrijf 1] en [bedrijf 2]. In haar verweerschrift houdende incidenteel appel heeft zij gesteld dat het tijdens het huwelijk door partijen opgerichte [bedrijf 1] altijd een zeer goed lopend bedrijf is geweest, waarin grote omzetten werden gemaakt. De man zal – aldus de vrouw – de jaarstukken over de afgelopen drie jaar moeten overleggen en de waarde van deze onderneming zal moeten worden vastgesteld.

De man heeft in zijn ‘samenvatting van de zaak’ een aantal feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan hij stelt dat de financiële situatie van de onderneming en van hem zelf bijzonder slecht is.

De vrouw heeft vervolgens uittreksels uit het handelsregister met betrekking tot de onderneming [bedrijf 1] en de onderneming [bedrijf 2] in het geding gebracht, alsmede een uitdraai van de website [bedrijf 1] en een “waardering per april 2013 [bedrijf 1]” als producties 16 t/m 18 in hoger beroep. Voormelde waardering, waarbij niet duidelijk is of deze ook op [bedrijf 2] betrekking heeft, komt uit op een waarde van de onderneming van € 769.292,-. De in de waardering gehanteerde cijfers heeft de vrouw in een bijlage toegelicht. Ter zitting heeft de vrouw in dit verband nog meegedeeld dat de man stelselmatig weigert jaarstukken van [bedrijf 1] te verstrekken en dat zij daarom een schatting van de waarde heeft laten maken door haar broer, die fiscalist bij KPMG is, en waarbij is uitgegaan van gegevens uit een bron uit de directe omgeving van de man betreffende het seizoen 2012 en de boekingen voor 2013.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt. In zijn tussenbeschikking van 26 maart 2013, heeft het hof met betrekking tot het bepalen van de draagkracht van de man vastgesteld dat de man volstrekt onvoldoende inzicht in zijn huidige financiële situatie heeft gegeven en dat het hof niet kan beoordelen wat zijn huidige financiële positie is. Ook thans heeft te gelden dat de man nalaat zijn stellingen omtrent zijn financiële positie ook maar enigszins te onderbouwen. Sterker nog, de man laat zelfs na de door de vrouw geproduceerde waardering te weerspreken, hoewel hij daartoe in de gelegenheid is gesteld. Het hof zal de vrouw dan ook volgen in haar schatting, doch het aandeel van de vrouw in de waarde van [bedrijf 1] bepalen op een derde gedeelte daarvan, zijnde € 256.430,-. Nu geen gegevens met betrekking tot [bedrijf 2] bekend zijn, althans niet duidelijk is of de door de vrouw geproduceerde cijfers tevens op die onderneming betrekking hebben, laat het hof een verrekening ten aanzien van deze onderneming hier buiten beschouwing.

4.15.

Partijen hebben op 20 juni 2000 een woning in [a] gekocht aan de [adres echtelijke woning] voor een bedrag van NLG 450.000,-. De WOZ-waarde bedroeg in 2012 € 321.000,-. Partijen zijn beiden voor de onverdeelde helft eigenaar van deze woning.

De vrouw verzoekt het hof in haar verweerschrift houdende incidenteel appel te bepalen dat de man zal meewerken aan de levering van zijn aandeel in de eigendom van de echtelijke woning aan haar als onderdeel van haar aandeel in de vermogensaanwas alsmede dat de man haar een bedrag van € 136.130,- ter beschikking zal stellen ter aflossing van de aan de echtelijke woning verbonden hypothecaire lening bij de ABN Amro.

De man voert in zijn ‘samenvatting van de zaak’ aan dat de door de vrouw gehanteerde waarde van € 321.000,- geen recht doet aan de grondige renovering van de woning, waartoe de man meer dan € 200.000,- heeft geïnvesteerd. In zijn reactie van 22 maart 2013 stelt de man vervolgens dat de huidige waarde van de woning in [a] hoger is dan de waarde van zijn bezittingen in Griekenland. Naast het (hiervoor onder 4.9 reeds genoemde) bedrag van € 117.388,- dat hij in 2001 heeft overgemaakt voor de aankoop van 60% van deze woning, heeft hij – zo stelt de man - al zijn inkomsten vanaf 2000 in deze woning geïnvesteerd. Het gaat daarbij volgens hem om ten minste een bedrag van € 150.000,-.

Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw betwist dat de man het door hem genoemde bedrag in de woning heeft geïnvesteerd. Volgens haar is slechts sprake geweest van gering renovatiewerk, dat is betaald door middel van een lening en schenking van de ouders van de vrouw. Verder stelt zij dat de woning voor een bedrag € 136.130,- gefinancierd is met een hypothecaire lening bij de ABN Amro, welke op beider naam staat. De financiering van de rest is voor € 36.370,- geschied uit de verkoopopbrengst van een stuk land en voor € 45.378,- uit de lening van de broer van de vrouw. Voor zover de financiering van de woning uit middelen van de man is geschied, dient deze – aldus de vrouw – voor haar aandeel als een schenking aan haar te worden beschouwd, zodat haar aandeel buiten de verdeling valt. Aan haar komt mitsdien toe de helft van het aandeel van de man in de waarde van het huis, zijnde € 80.250,-.

4.16.

Het hof stelt vast dat de man noch de vrouw hun stellingen omtrent de financiering van de woning op enige wijze hebben aangetoond, met uitzondering van de hypothecaire lening van € 136.130,- bij de ABN Amro. Volgens het door de vrouw overgelegde jaaroverzicht 2011 van de ABN Amro staat deze hypothecaire lening op naam van beide partijen. In de tussenbeschikking van dit hof van 26 maart 2013 is vastgesteld dat de in verband met deze lening verschuldigde rente thans door de vrouw wordt voldaan. Onduidelijk blijft echter hoe de financiering van de woning voor het overige heeft plaatsgevonden en ten laste van wiens inkomsten/vermogen. Nu de vrouw nog steeds in de woning woont en de man geen bezwaar maakt tegen toedeling aan de vrouw, zal het hof de woning aan de vrouw toedelen, en wel – bij gebrek aan onderbouwde betwisting door de man - voor de door de vrouw genoemde waarde. De vrouw dient in dat kader een bedrag van (€ 321.000,- minus € 136.130,- : 2 =) € 92.435,- aan de man te betalen ten titel van overbedeling. Tevens zal het hof bepalen dat de vrouw ervoor dient te zorgen dat de man uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld wordt ontslagen. Het hof zal bepalen dat de man dient mee te werken aan de levering van zijn aandeel in de eigendom van de woning aan de vrouw. Het hof is van oordeel dat voldoende aanleiding bestaat te bepalen dat de beschikking van het hof in de plaats zal treden van de toestemming van de man bij de toedeling van de woning aan de vrouw, indien de man weigert mee te weken aan voormelde levering. Het hof zal verder bepalen dat de vrouw het door haar aan de man verschuldigde bedrag wegens overbedeling eerst bij de levering van de woning dient te betalen.

4.17.

De vrouw maakt voorts nog aanspraak op de helft van (de waarde) van een door de man tijdens het huwelijk gesloten levensverzekering, die in september 2012 tot uitkering zou zijn gekomen en stelt dat de man van deze verzekering opgave en bewijs dient te verstrekken. De man is in zijn reactie van 22 maart 2013 hierop niet ingegaan. Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw gesteld dat de man in de echtscheidingsprocedure de waarde van deze levensverzekering heeft geschat op € 15.000,-. De vrouw betwist deze waarde en stelt dat zij, gelet op de jarenlange premiebetaling, ervan overtuigd is dat de waarde aanzienlijk hoger is. Zij acht het onder deze omstandigheden redelijk uit te gaan van een waarde van € 50.000,-. Nu de vrouw haar stellingen omtrent de waarde van de polis op geen enkele wijze nader heeft onderbouwd, zal het hof uitgaan van het door de man in zijn ‘samenvatting van de zaak’ genoemde bedrag van € 15.000,-, waarvan de vrouw een bedrag van € 5.000,- toekomt.

4.18.

In haar verweerschrift houdende incidenteel appel verzoekt de vrouw het hof tot slot te bepalen dat de man de in zijn bezit zijnde gegevens met betrekking tot de door de vrouw in Griekenland opgebouwde pensioenrechten aan de vrouw dient te verstrekken, een en ander op straffe van een dwangsom. De vrouw stelt in dit verband dat zij een AOW-tekort heeft van 44%, dat deels kan worden aangevuld wanneer in Nederland wordt aangetoond dat zij in Griekenland heeft gewerkt. Volgens de vrouw heeft de man tot nu toe afgifte geweigerd. Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw nader toegelicht om welke stukken (‘verzekeringsbewijzen’ van haar dienstverband bj […] hotel te [b], en haar werk voor [bedrijf 1] en [h]) het gaat. Het hof zal dit – niet weersproken – verzoek toewijzen inclusief de door de vrouw verzochte dwangsom.

Slotsom

4.19.

De bestreden beschikking zal worden vernietigd, doch uitsluitend voor zover het de afwijzing van de verzoeken van de vrouw onder III en (een gedeelte van) IV betreft. Het hof zal het aandeel van de vrouw in de vermogensaanwas van de man vaststellen op een bedrag van € 384.764,- en bepalen dat de man dit bedrag aan de vrouw dient te betalen binnen twee weken na betekening van deze beschikking, bij gebreke waarvan hij wettelijke rente over het nog uitstaande bedrag verschuldigd wordt. Het hof zal daarnaast de woning aan de [adres echtelijke woning] aan de vrouw toedelen, onder de verplichting aan de man bij levering ten titel van overbedeling een bedrag te betalen van € 92.435,- en onder de verplichting de man de ontslaan uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de op deze woning rustende hypotheek. Het hof zal bepalen dat de man dient mee ter werken aan de levering van zijn aandeel in de eigendom van de woning aan de vrouw en dat de beschikking van het hof in de plaats zal treden van de toestemming van de man bij de toedeling van de woning aan de vrouw, indien de man weigert mee te weken aan voormelde levering. Tevens zal het hof bepalen dat de man is gehouden de in 4.18 hiervoor genoemde verzekeringsbewijzen aan de vrouw af te geven, en wel binnen twee weken na betekening van deze beschikking, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,- voor iedere dag dat de man daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 25.000,-.

5 Beslissing

Het hof:

In incidenteel hoger beroep (zaaknummer 200.119.676/01):

vernietigt de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 30 januari 2013 voor zover het hof de verzoeken van de vrouw onder III en IV heeft afgewezen, en, opnieuw rechtdoende:

deelt de woning aan de [adres echtelijke woning] toe aan de vrouw onder de verplichting aan de man bij levering ten titel van overbedeling een bedrag te betalen van € 92.435,- en onder de verplichting de man te ontslaan uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de op deze woning rustende hypotheek;

bepaalt dat de man dient mee te werken aan de levering van zijn aandeel in de eigendom van voormelde woning aan de vrouw alsmede dat deze beschikking in de plaats zal treden van de toestemming van de man bij de toedeling van de woning aan de vrouw, indien de man weigert mee te werken aan voormelde levering;

stelt het aandeel van de vrouw in de vermogensaanwas van de man vast op een bedrag van € 384.764,- en bepaalt dat de man dit bedrag aan de vrouw dient te betalen binnen twee weken na betekening van deze beschikking, bij gebreke waarvan hij wettelijke rente over het nog uitstaande bedrag verschuldigd wordt;

bepaalt dat de man is gehouden de onder 4.18 hiervoor genoemde verzekeringsbewijzen aan de vrouw af te geven, en wel binnen twee weken na betekening van deze beschikking, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,- voor iedere dag dat de man daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 25.000,-;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.R. Sturhoofd, R.G. Kemmers en W.K. van Duren in tegenwoordigheid van mr. S.E. Harenberg als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2014.