Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:3669

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-09-2014
Datum publicatie
07-11-2014
Zaaknummer
200.125.233-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toezegging vertrekregeling en voorziening pensioenopbouw? Kennelijk onredelijk ontslag ex art. 7:681 lid 2 aanhef en sub b BW?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0942

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.125.233/01

zaaknummer rechtbank (Amsterdam): 1348967 CV EXPL 12-15840

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 2 september 2014

inzake

[appellante],

wonend te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. D. Simons te Amsterdam,

tegen

het publiekrechtelijke lichaam

UITVOERINGSINSTITUUT WERKNEMERSVERZEKERINGEN,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. C. Nekeman te Amsterdam.

Partijen worden hierna [appellante] en UWV genoemd.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

Bij dagvaarding van 7 januari 2013 is [appellante] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam (verder: de kantonrechter) van 8 oktober 2012, in deze zaak onder bovengenoemd zaaknummer gewezen tussen [appellante] als eiseres en UWV als gedaagde.

[appellante] heeft bij memorie vier grieven geformuleerd, producties in het geding gebracht, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en de vordering van [appellante] alsnog zal toewijzen, met veroordeling van UWV in de proceskosten van beide instanties.

UWV heeft bij memorie de grieven van [appellante] bestreden, producties in het geding gebracht, bewijs aangeboden en geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten van het geding in hoger beroep.

[appellante] heeft een akte uitlating producties genomen, waarop UWV bij antwoordakte heeft gereageerd.

Ten slotte is arrest gevraagd op de stukken van beide instanties.

2 De feiten

De kantonrechter heeft in het vonnis waarvan beroep onder 1.1 tot en met 1.11 een aantal feiten vermeld en tot uitgangspunt genomen. Omdat die feiten tussen partijen niet in geschil zijn, zal ook het hof daarvan uitgaan.

3 De beoordeling

3.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

( i) [appellante] ([geboortedatum]) is met ingang van 1 januari 1989 in dienst gekomen bij de rechtsvoorganger van UWV. Zij was laatstelijk werkzaam in de functie van vestigingsmanager CWI te Amsterdam Noord. Haar loon bedroeg laatstelijk € 5.211,06 bruto per maand.

(ii) [appellante] heeft in 2008 dreigbrieven ontvangen waarvan werd vermoed dat deze afkomstig waren van medewerkers van het CWI. Het CWI heeft daar een onderzoek naar ingesteld, maar het bewijs wie de afzenders waren kon niet volledig worden gevonden. Het CWI/UWV heeft naar aanleiding hiervan maatregelen genomen. Partijen duiden deze kwestie aan als ‘de integriteitskwestie’.

(iii) De functie van [appellante] is komen te vervallen als gevolg van een fusie tussen CWI en UWV per 1 januari 2009. Met ingang van 5 januari 2009 is zij tijdelijk elders binnen UWV gedetacheerd.

(iv) UWV heeft bij brief van 1 maart 2009 aan [appellante] bevestigd dat zij boventallig was verklaard.

( v) [appellante] heeft op verzoek van [A], haar voormalig leidinggevende en op dat moment de regiomanager van UWV voor de regio Alkmaar (verder: [A]), vanaf medio september 2009 tot 1 januari 2010 op detacheringsbasis werkzaamheden verricht.

(vi) [B] (verder: [B]) was leidinggevende van [A] en directeur van UWV-Werkbedrijf.

(vii) In een e-mailbericht van 23 november 2009 van [C] (verder:[C]), een medewerkster HR van UWV, aan een andere medewerker HR van UWV wordt met betrekking tot [appellante] onder meer het volgende meegedeeld (waarbij [A] wordt aangeduid met ‘[A]’):

“Wat betreft de regeling voor haar. Gezien de nare ervaringen in Noord (heel ernstig) en de afhandeling van het daaropvolgende integriteitsonderzoek (zeer traag daarna veel foutieve handelingen/besluiten) is [A] van mening dat er voor [appellante] wel iets gedaan moet worden. Ik ben daarover met haar in gesprek gegaan maar had niet meer voldoende tijd om het af te handelen. Daarom had ik aan jou gevraagd uit te zoeken wat 10 jaar pensioenbijdrage zou kosten en dat dat de compensatie voor [appellante] zou zijn, mits [B]daarmee akkoord gaat. [B] is op de hoogte van de hele situatie en heeft ook diverse malen met [appellante] hierover gesproken en haar ook beloftes gedaan dat zij geen nadeel van de situatie in Noord zou ondervinden (ook op schrift via de email).”

(viii) [appellante] heeft in januari 2010 met [B] over deze kwestie gesproken.

(ix) Nadat deze vanaf medio augustus 2010 een aantal gesprekken met [appellante] had gevoerd, heeft medewerker HR [D] namens UWV bij brief van 7 december 2010 aan [appellante] een voorstel gedaan dat was gericht op beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2011, onder toekenning aan [appellante] van een vergoeding van twaalf maandsalarissen, inclusief emolumenten, vermeerderd met maximaal € 2.000,= aan kosten van een extern bureau. Daarnaast bleef [appellante] aanspraak houden op de bovenwettelijke regeling voor (ex-)UWV-werknemers (verder: BWU). [appellante] heeft dit voorstel niet aanvaard.

( x) UWV heeft op 9 augustus 2011 aan de Ontslagcommissie UWV toestemming gevraagd voor opzegging van de arbeidsovereenkomst met :[appellante], welke toestemming op 14 november 2011 is verleend.

(xi) UWV heeft op 27 december 2011 de arbeidsovereenkomst met [appellante] opgezegd per 1 mei 2012.

3.2.

[appellante] heeft in eerste aanleg gevorderd, kort gezegd, UWV te veroordelen tot een schadevergoeding op te maken bij staat (met wettelijke rente), met veroordeling van UWV in de proceskosten. Zij heeft daartoe gesteld, kort gezegd, dat UWV haar een vertrekregeling heeft toegezegd op grond waarvan haar inkomen zou worden aangevuld tot 90% van haar laatstverdiende loon tot de leeftijd van 65 jaar en voorts een voorziening zou worden getroffen in verband met het tekort aan pensioenopbouw tot die leeftijd. Nu zij dit voorstel heeft aanvaard was de opzegging door UWV van haar arbeidsovereenkomst zonder die regeling te effectueren, kennelijk onredelijk. Dit zou overigens ook het geval zijn indien nog geen volledige overeenstemming over een vertrekregeling was bereikt, omdat de door UWV aangeboden voorziening (genoemd onder 3.1 sub (ix)) een aanzienlijk lagere waarde had dan die welke partijen in augustus 2009 kennelijk redelijk achtten. UWV heeft hiertegen verweer gevoerd.

3.3.

De kantonrechter heeft in het vonnis waarvan beroep, kort samengevat, als volgt overwogen. Uit hetgeen [appellante] aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd volgt niet dat sprake is geweest van wilsovereenstemming tussen [appellante] en UWV over een (extra) vertrekregeling en evenmin dat UWV de verplichting is aangegaan om een voorziening te treffen van een (financiële) orde van grootte als de door [appellante] bedoelde suppletieregeling. Voor zover [appellante] stelt dat de verplichting tot het treffen van een (extra) voorziening in elk geval volgt uit de gang van zaken in verband met de integriteitskwestie, heeft zij onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat UWV daarin zodanig jegens haar is tekortgeschoten dat daardoor een dergelijke verplichting is ontstaan. Wel kan uit de gang van zaken in 2009 en 2010 worden afgeleid dat partijen toen van oordeel waren dat het redelijk was om een extra voorziening voor [appellante] te treffen, en heeft UWV daaraan gevolg gegeven door [appellante] de (hiervoor onder 3.1 sub (ix)) genoemde voorziening aan te bieden die, alle overige omstandigheden in aanmerking nemend, niet zodanig gering van (financiële) betekenis was dat dit voorstel niet meer als een redelijk voorstel kon worden aangemerkt. Dat [appellante] dit voorstel vervolgens niet heeft aanvaard, komt voor haar risico. Op grond van een en ander heeft de kantonrechter de vordering van [appellante] afgewezen en [appellante] veroordeeld in de proceskosten.

3.4.

De eerste grief strekt ten betoge dat wel degelijk overeenstemming is bereikt tussen alle betrokkenen over een vertrekregeling voor [appellante] die (aanzienlijk) beter is dan de regeling die haar bij brief van 7 december 2010 door UWV is aangeboden althans dat aan haar is toegezegd dat een vertrekregeling met die betere inhoud (als omschreven bij memorie van grieven onder 26) met haar zou worden gesloten. Het hof oordeelt hieromtrent als volgt.

3.5.

[appellante] heeft, in het licht van de betwisting daarvan door UWV, haar stelling dat een vertrekregeling als door haar bedoeld met UWV is overeengekomen althans haar door UWV is toegezegd dat een dergelijke regeling met haar zou worden getroffen, onvoldoende onderbouwd. [appellante] heeft voor die stelling onder meer verwezen naar gesprekken die zij met [A] hieromtrent heeft gevoerd. Schriftelijke stukken die de stellingen van [appellante] ter zake van de inhoud van deze gesprekken ondersteunen, zijn echter niet door haar in het geding gebracht, terwijl uit de door [A] als getuige afgelegde verklaring op 4 februari 2013 evenmin kan worden afgeleid dat de stellingen van [appellante] in dit opzicht juist zijn:

“Ik heb nooit aan mw. [appellante] een concrete regeling voorgesteld, in de zin dat er stukken op tafel lagen, wel heb ik haar als mijn mening te kennen gegeven dat ik vond dat de organisatie haar wel wat verschuldigd was. (…) Ik hoor u zeggen dat er volgens mw. [appellante] sprake is van een afspraak tussen het UWV en haar over een vertrekregeling. Een dergelijke afspraak is mij niet bekend. Wat ik wel weet, heb ik hierboven verklaard.”

Daar komt bij dat [A] bij diezelfde gelegenheid heeft verklaard dat aan [appellante] bekend was althans bekend moest zijn dat een dergelijke regeling altijd nog zou moeten worden gefiatteerd door de raad van bestuur van UWV:

“Dat een vertrekregeling langs de Raad van Bestuur moest, was volgens mij algemeen bekend in de organisatie.”

De conclusie dat een (betere) vertrekregeling als door [appellante] gesteld met UWV is overeengekomen althans door UWV aan haar is toegezegd, kan evenmin worden getrokken uit de verklaring die [B] als getuige heeft afgelegd:

“Ik kan u verklaren dat er in gesprekken met mij geen afspraken over een beëindigingsregeling zijn gemaakt. Ik ben wel degene die tot het maken van dergelijke afspraken bevoegd is. (…) Ik heb nooit met haar [[appellante], hof] een afspraak gemaakt over een vertrekregeling.”

Voorts blijkt uit het hiervoor onder 3.1 sub (vii) genoemde e-mailbericht dat er op dat moment in elk geval nog geen concreet aanbod aan [appellante] was gedaan en evenmin kon worden gedaan omdat daarvoor nader onderzoek met betrekking tot de kosten nodig was en [B] daarmee bovendien akkoord zou moeten gaan. Juist is, zoals [A] heeft verklaard en [D] bij de hiervoor onder 3.1 sub (ix) genoemde brief van 7 december 2010 heeft geschreven, dat zowel [A] als [D] te kennen heeft gegeven, kort gezegd, het – in verband met het verleden van [appellante] bij UWV (met name de integriteitskwestie) – redelijk te vinden dat UWV iets extra’s voor [appellante] zou doen, wat ook besloten lag in de door UWV aan [appellante] voorgestelde regeling als vervat in de brief van 7 december 2010. Voor het aannemen van het bestaan van een vertrekregeling voor [appellante] die (aanzienlijk) beter is dan deze regeling of van een toezegging met betrekking tot het sluiten daarvan bestaat echter onvoldoende grond. Dit betekent dat grief 1 faalt.

3.6.

De tweede grief is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat er geen causaal verband bestaat tussen de integriteitskwestie en de werkloosheid van [appellante]. [appellante] voert in dit verband met name aan dat haar werkloosheid het gevolg is van de integriteitskwestie en dat hieruit voor UWV de verplichting voortvloeit haar de vertrekregeling aan te bieden (als omschreven bij memorie van grieven onder 26) die (aanzienlijk) beter is dan de regeling die haar bij brief van 7 december 2010 door UWV is aangeboden. Voor zover [appellante] in dit verband heeft gesteld dat de integriteitskwestie ervoor heeft gezorgd dat zij niet meer in staat is geweest om (binnen of buiten UWV) te werken vanwege met name psychische klachten, heeft zij onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit een dergelijke conclusie kan worden getrokken. Vaststaat bovendien dat de functie die [appellante] bekleedde is komen te vervallen als gevolg van een reorganisatie bij UWV. Haar stelling dat niet uitgesloten is dat zij wel zou zijn geselecteerd voor de (nieuwe) functie van vestigingsmanager van UWV-Werkbedrijf als de integriteitskwestie niet aan de orde was geweest, wordt door het hof eveneens verworpen. UWV heeft gemotiveerd gesteld wat voor type manager voor die nieuwe functie werd gezocht en dat en waarom [appellante] niet aan de eisen daarvoor voldeed. Die stellingen heeft [appellante] onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat niet aannemelijk is geworden dat [appellante] de nieuwe functie in dat geval had kunnen verwerven. Daar komt nog bij dat vaststaat dat UWV [appellante] de nodige (professionele) ondersteuning heeft aangeboden bij het verwerken van de integriteitskwestie en haar, behoudens een (korte) periode van ongeveer drie maanden, ruim drie jaar lang heeft vrijgesteld van het verrichten van arbeid met behoud van salaris. Bovendien staat vast dat [appellante] sinds haar boventalligheid geen sollicitaties meer binnen of buiten UWV heeft verricht. Uit een en ander volgt dat ook grief 2 tevergeefs is voorgesteld.

3.7.

De derde grief betreft de vraag of de opzegging op 27 december 2011 door UWV van de arbeidsovereenkomst met [appellante] per 1 mei 2012 kennelijk onredelijk is geweest. Bij de behandeling van deze grief stelt het hof voorop dat voor de beantwoording van de vraag of het ontslag ingevolge het 'gevolgencriterium' van artikel 7:681 lid 2 aanhef en sub b BW – waarop [appellante] zich beroept – kennelijk onredelijk is, alle omstandigheden ten tijde van het ontslag in aanmerking moeten worden genomen. Hiervan uitgaande oordeelt het hof als volgt.

3.8.

De omstandigheid dat opzegging van de arbeidsovereenkomst voor [appellante], mede gelet op haar leeftijd ten tijde van het ontslag (55 jaar), wellicht een minder sterke positie op de arbeidsmarkt meebracht en dat sprake is geweest van een relatief lang dienstverband (van 23 jaar, overigens wel inclusief de periode van ruim drie jaar waarin zij nagenoeg geen werkzaamheden heeft verricht), leggen, alle overige omstandigheden ten tijde van het ontslag mede in aanmerking genomen, noch op zichzelf, noch in onderling verband beschouwd voldoende gewicht in de schaal om op grond daarvan tot het oordeel te komen dat de gevolgen van de opzegging voor [appellante] te ernstig zijn in vergelijking met het belang van UWV daarbij. Tot die overige omstandigheden rekent het hof in het bijzonder dat [appellante] na haar boventalligheidverklaring haar salaris gedurende 38 maanden (volgens het Sociaal Plan had [appellante] ter zake recht op 15 maanden) doorbetaald heeft gekregen tot een totaalbedrag van (door UWV gesteld, niet door [appellante] betwist) € 230.357,14 bruto – waartegenover zij slechts gedurende ongeveer drie maanden daadwerkelijk werkzaamheden heeft verricht –, terwijl [appellante] vervolgens aanspraak heeft op een buitenwettelijke uitkering tot de pensioenrichtleeftijd van 62,5 jaar, als gevolg waarvan zij een inkomen zal genieten van 70% van haar laatstverdiende salaris, wat – na aftrek van de WW-uitkering – neerkomt op een bedrag van in totaal (door UWV gesteld, niet door [appellante] betwist) € 299.247,08, welke compensatie al met al veel ruimer is dan de rechten die voor haar voortvloeien uit het Sociaal Plan zoals dat met de representatieve bonden is overeengekomen. Een en ander impliceert dat de opzegging door UWV van de arbeidsovereenkomst met [appellante] niet als een kennelijk onredelijke opzegging van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:681 lid 1 BW kan worden gekwalificeerd, en dat grief 3 evenmin slaagt.

3.9.

De vierde grief heeft geen zelfstandige betekenis, zodat, gelet op de uitkomst van de vorige grieven, kan worden geconcludeerd dat ook grief 4 faalt.

3.10.

[appellante] heeft voor het overige geen feiten of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel moeten leiden, zodat haar bewijsaanbod, dat bovendien al onvoldoende is gespecificeerd, wordt gepasseerd.

3.11.

De slotsom luidt als volgt. De grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het geding in hoger beroep.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het geding in hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van UWV gevallen, op € 683,= aan verschotten en € 894,= aan salaris advocaat;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.J. van der Kwaak, M.A. Goslings en M.L.D. Akkaya, en is in het openbaar uitgesproken op 2 september 2014 door de rolraadsheer.