Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:3622

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-08-2014
Datum publicatie
13-07-2017
Zaaknummer
23-005486-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

doodslag. oplegging GEV 5 jaren met aftrek voorarrest en TBS met voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-005486-12

datum uitspraak: 11 april 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 december 2012 in de strafzaak onder parketnummer 13-525620-09 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1976,

thans gedetineerd in Psychiatrisch Centrum Sint Willibrord,

[adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 27 maart 2014 en 28 maart 2014, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

primair:
hij op of omstreeks 3 augustus 2009 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] een of meermalen, met een schaar, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp, in zijn keel, en/of hals en/of borst en/of (linker)zijde/flank en/of (linker)arm in elk geval in zijn lichaam, gestoken en/of gesneden, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;


subsidiair:
hij op of omstreeks 3 augustus 2009 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer], een of meermalen met een schaar, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp, in zijn keel en/of hals en/of borst en/of (linker)zijde/flank en/of (linker)arm, in elk geval in zijn lichaam, gestoken en/of gesneden, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

meer subsidiair:
hij op of omstreeks 3 augustus 2009 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel te weten een (diepe) (steek) wond
in de keel en/of hals, in elk geval in het lichaam, en/of 35 in elk geval, één of meer (steek)wonden in de borst en/of (linker)zijde/flank en/of (linker) arm, in elk geval in het lichaam heeft toegebracht, door opzettelijk die [slachtoffer] een of meermalen met een schaar, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp in zijn keel, en/of hals en/of borst en/of (linker)zijde flank en/of (linker) arm in elk geval in zijn lichaam, te steken en/of te snijden, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Vrijspraak ten aanzien van het primair ten laste gelegde

Het hof is met de rechtbank, de advocaat-generaal en de raadsman van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bespreking ter terechtzitting gevoerde verweren met betrekking tot het bewijs

Bruikbaarheid van de verklaringen van de verdachte

De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat de door de verdachte afgelegde verklaringen niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Ten tijde van de eerste verhoren van de verdachte bij de politie in augustus 2009 en ook in november 2009 was duidelijk sprake van ernstige problemen in diens psychisch functioneren. De verdachte is begin 2010 onderzocht door verschillende gedragsdeskundigen in het kader van Pro Justitia onderzoeken. De deskundigen kwamen tot de conclusie dat de verdachte naast psychische problemen, ook serieuze beperkingen in het cognitieve functioneren ondervond, in de zin van traag tempo van mentale processen en geheugenproblemen. Ook de deskundigen van het Pieter Baan Centrum hebben in hun rapporten van februari 2012 en december 2013 aangegeven dat de verdachte leed aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens (schizofrenie) en op (zeer) zwak begaafd niveau functioneerde. Zijn verklaringen kunnen om die redenen niet zonder meer voor het bewijs worden gebruikt. Dit geldt met name ook ten aanzien van de verklaring van de verdachte dat hij in de nacht van 2 op 3 augustus 2009 alleen met het slachtoffer in diens woning was, nu deze verklaring niet wordt ondersteund door enig ander bewijsmiddel, aldus de raadsman.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de verdachte, gelet op zijn persoon, weliswaar met voorzichtigheid moeten worden bezien, maar dat niet valt uit te sluiten dat de verdachte goed weet wat er is gebeurd, maar ervoor kiest daarover niet te praten. De advocaat-generaal meent dat slechts beperkt waarde kan worden gehecht aan de verklaringen van de verdachte, in die zin dat deze – met gepaste voorzichtigheid – bruikbaar zijn voor zover deze aansluiten bij andere bewijsmiddelen. Bovendien is zij van mening dat bij de waardering van de verklaringen van de verdachte rekening mag worden gehouden met de sinds het najaar van 2012 verbeterde communicatiemogelijkheden van de verdachte.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Ter beoordeling van de betrouwbaarheid van een afgelegde verklaring staan in het algemeen diverse wegen open. Zo kan worden gekeken of hetgeen is verklaard overeenkomt met dan wel steun vindt in - zo te noemen - objectieve feitelijke gegevens, of de betreffende verklaring ‘uit zichzelf’ (dat wil zeggen, zonder wetenschap vooraf aan hetgeen uit het onderzoek reeds naar voren is gekomen) is afgelegd, of de verklaring op andere onderdelen steeds consistent is en of onderdelen van de verklaring zich verdragen met andere in het onderzoek naar voren gekomen gegevens (zie Hof Amsterdam 25 juli 2003, LJN AM1503). Daarnaast kunnen de ouderdom en de complexiteit van de feiten, waarover is verklaard, bij de beoordeling een rol spelen, evenals het motief voor het afleggen van de verklaring.

Met de raadsman en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de verklaringen van de verdachte met behoedzaamheid moeten worden bezien. Vast staat op basis van de omtrent de persoon van de verdachte in februari, maart en april 2010 uitgebrachte Pro Justitia rapportages dat de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde en daarna ten gevolge van een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de vorm van (destijds) hersenorganisch letsel en een niet uit te sluiten schizofrenie van het gedesorganiseerde type ernstige problemen ondervond in zijn psychisch, cognitief en gedragsmatig functioneren. Zo bleek de verdachte voortdurend weinig besef te hebben van zijn eigen gedrag en van hetgeen om hem heen gebeurde en bleek hij de strekking van hetgeen hem gevraagd werd niet te bevatten en niet adequaat daarop te reageren. Op grond van zijn psychische gesteldheid werd de verdachte destijds niet in staat geacht terecht te staan. Het hof zal gelet op deze omstandigheden geen acht slaan op de verklaringen van de verdachte die hij in 2009 bij de politie heeft afgelegd.

Vaststaat evenwel dat de situatie van de verdachte sinds de onderzoeken in 2010 aanmerkelijk is verbeterd. Uit het meest recente rapport van het Pieter Baan Centrum van 23 december 2013 en het Reclasseringsadvies van 14 maart 2014 blijkt dat ten opzichte van de situatie in 2010 een positieve ontwikkeling gaande is met betrekking tot de psychische gezondheidstoestand van de verdachte ten gevolge van zijn opname in de FPA Heiloo en de aldaar ingezette medicatietherapie. Zo is volgens de deskundigen zichtbaar dat de verdachte minder emotioneel afgevlakt, spraakzamer en coherenter is geworden, geen bijzonder gedrag meer vertoont en adequater kan vertellen wat er in hem omgaat. Ook het hof heeft bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting waargenomen dat de verdachte thans in staat is hem gestelde vragen te begrijpen en te beantwoorden. Hoewel de verdachte ontkent het slachtoffer [slachtoffer] om te leven te hebben gebracht, acht het hof zijn ter terechtzitting afgelegde verklaring overigens voldoende consistent en betrouwbaar. Het hof acht het onder deze omstandigheden verantwoord de door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring voor het bewijs te gebruiken voor zover deze (op onderdelen) steun vindt in ander bewijsmateriaal.

Alternatief scenario: onbekend gebleven persoon zou het feit hebben gepleegd

De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat het slachtoffer mogelijk door een onbekend gebleven persoon om het leven is gebracht. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de raadsman erop gewezen dat het sporenbeeld dat uit het technisch onderzoek naar voren komt in tegenspraak is met de aanname dat de verdachte alleen met het slachtoffer in de woning was. Zo is een DNA-spoor van een onbekende persoon aangetroffen op de schaar die met de dodelijke verwonding in verband wordt gebracht, zijn haren op het slachtoffer aangetroffen die niet afkomstig zijn van de verdachte, diens moeder of het slachtoffer zelf en is voorts niet uit te sluiten dat een derde toegang tot de woning heeft verkregen.

De advocaat-generaal acht het door de raadsman geschetste alternatieve scenario niet aannemelijk en stelt zich op het standpunt dat het niet anders kan dan dat de verdachte de dader is.

Het hof overweegt als volgt.

Gelet op de bewijsmiddelen, die hierna zullen worden vermeld, stelt het hof vast dat het slachtoffer [slachtoffer] door middel van een schaar om het leven is gebracht. Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat een onbekende derde persoon het slachtoffer met die schaar om het leven heeft gebracht. Niet alleen zijn voor deze lezing onvoldoende aanknopingspunten in het dossier te vinden, ook de verdachte zelf rept in zijn verklaring ter terechtzitting van het hof op geen enkele wijze over de aanwezigheid van een derde persoon op enig moment in de woning. De enkele aanwezigheid van een niet geïdentificeerd DNA-spoor op de schaar en haren van een onbekende op de kleding van het slachtoffer maken dit niet anders. Het hof verwerpt het verweer dat een onbekende derde het slachtoffer [slachtoffer] om het leven heeft gebracht.

Toebrengen letsel

Voor zover de verdachte zelf nog heeft betoogd dat het slachtoffer zichzelf zou hebben verwond doordat hij in een mes is gevallen, dat hij in zijn hand had om brood mee te smeren, is ook deze toedracht niet aannemelijk geworden. Niet alleen is in de directe nabijheid van het slachtoffer geen mes of brood aangetroffen, uit de bewijsmiddelen blijkt dat in de keel van het slachtoffer een punt van een schaar is aangetroffen, die afkomstig is van de schaar die naast het slachtoffer is aangetroffen. Voorts blijkt uit het rapport van pathologisch onderzoek dat, daargelaten de volgorde waarin de diverse verwondingen zijn toegebracht, gelet op de hoeveelheid verwondingen en kennelijke kracht die nodig was voor het toebrengen daarvan, niet aannemelijk is dat het slachtoffer dit zelf heeft gedaan of dat deze verwondingen het gevolg van een ongeval zijn geweest.

Ook dit verweer wordt verworpen.

Hetgeen door de raadsman overigens nog is betoogd tot vrijspraak van de verdachte vindt zijn weerlegging in de door het hof gebezigde en hierna weergegeven bewijsmiddelen.

Bewezenverklaring

Het hof acht – evenals de rechtbank en met de advocaat-generaal – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 3 augustus 2009 te Amsterdam, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] met een schaar in zijn keel en hals gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde



Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de, hieronder weergegeven, bewijsmiddelen zijn vervat.

Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2009211212-4 van 31 augustus 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [naam 1] en [naam 2] [doorgenummerde pagina’s A0023 tot en met A0029 met bijlagen].

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op 3 augustus 2009 omstreeks 11.40 uur werd het stoffelijk overschot van een man aangetroffen in perceel [adres 2] te Amsterdam. Op het strottenhoofd van het stoffelijk overschot was een verwonding waarneembaar.

De plaats delict betrof een woonhuis en was gelegen op de begane grond aan de [adres 2] te Amsterdam. Rechts achterin het trappenhuis bevond zich de toegangsdeur van perceel [adres 2]. Op deze toegangsdeur waren geen sporen van braak zichtbaar. Achterin de keuken bevond zich een deur welke toegang tot een binnentuin verschafte. Deze deur was van binnenuit middels zogenaamde hefboomsluitingen afgesloten.

Gezien de zeer verwaarloosde en vervuilde staat van de woning hebben wij ons onderzoek in eerste instantie gericht rondom het stoffelijk overschot.
Het stoffelijk overschot lag ruggelings met opgetrokken knieën rechts van de stoel en links van de bank in de woonkamer. De stoel rechts van het stoffelijk overschot hebben wij onderzocht op de aanwezigheid van sporen. Rechts naast het stoffelijk overschot zagen wij een stoffer en blik. Onder het blik zagen wij
een schaar. De punt van een van de knipzijdes van de schaar was afgebroken. Wij zagen op de keel van het stoffelijk overschot een verwonding. Rondom deze verwonding zagen wij op bloed gelijkende vlekken en vegen. Vanuit deze wond zagen wij zowel aan de linker- als aan de rechterzijde van de nek van het stoffelijk overschot op bloed gelijkende vlekken en vegen naar de achterzijde van de nek lopen, aangetroffen in de richting van de zwaartekracht. Onder de nek van het stoffelijk overschot zagen wij een concentratie op bloed gelijkende stof liggen. In deze concentratie zagen wij geen verstoring. Op het voorhoofd van het stoffelijk overschot zagen wij rode vlekken en vegen gelijkend op bloed. Wij zagen meer stroompatronen, aangetroffen in de richting van de zwaartekracht, van een op bloed gelijkende stof.

Ter bepaling van het tijdstip van overlijden werd door ons met behulp van een vloeistofthermometer zowel de lichaamstemperatuur van het stoffelijk overschot alsmede de omgevingstemperatuur in de woonkamer gemeten. De lichaamstemperatuur werd rectaal gemeten en was om 17.50 uur 30 graden Celsius. De omgevingstemperatuur was op bovengenoemd tijdstip 21 graden Celsius. Na het invullen van deze getallen in het Nomogram van Henssge werd een postmortale tijdsinterval bepaald. Het tijdstip van overlijden ligt tussen 3 augustus 2009 03.47 en 09.34 uur.

Wij zagen aan de linkerzijde van de borstkas en rug van het stoffelijk overschot meerdere soortgelijke perforaties.

Op 15 augustus 2009 hebben wij, verbalisanten, een onderzoek ingesteld aan de schaar [AAAF6793NL] welke is aangetroffen op de plaats delict en een driehoekig metaaldeeltje [AAAN6212NL] welke is veilig gesteld tijdens de sectie op het slachtoffer [slachtoffer].

Vervolgens hebben wij het driehoekige metaaldeeltje gepast met de schaar. Hierbij zagen wij dat de breuklijnen, gezien vanaf de buitenzijde, binnenzijde en snijzijde passend waren. Vervolgens hebben we het breukvlak van de schaar afgevormd middels forensische sil. Deze sil vervolgens vergeleken met het breukvlak van het metalen puntje. Hierbij zagen wij dat deze breukvlakken identiek waren.

Conclusie

- de schaar, aangetroffen naast het stoffelijk overschot op de plaats delict, en het aangetroffen driehoekige metaaldeeltje, veiliggesteld vanuit de nekwervel tijdens de sectie, oorspronkelijk een (1) geheel hebben gevormd,

- gezien de bevindingen van de sectie alsmede het soucheonderzoek de verwonding in de keel middels deze schaar is toegebracht.

Een geschrift, te weten een Deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 1 december 2009 betreffende een pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood omtrent de overledene [slachtoffer], opgesteld door arts en patholoog [patholoog] [doorgenummerde pagina’s A0145 tot en met A0155].

Dit rapport houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

De overledene [slachtoffer], geboren 25 mei 1960, woonde [adres 2] te Amsterdam en is dood aangetroffen aldaar op 3 augustus 2009 omstreeks 11.30 uur.

Bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer] is het navolgende gebleken:
A3 Er was middenvoor aan de hals een overdwars verlopend scherprandig huidletsel van 4 x 1,5 cm.

A4 Er waren verspreid over de linkerzijde van de borst en de linkerflank circa 33 scherprandige huidperforaties welke alle een soortgelijk aspect hadden.

A5 Er waren aan de zijkant van de linker bovenarm 2 soortgelijke huidperforaties met daarbij perforatie van de weke delen van de arm en begeleidende bloeduitstorting.

B1 Er was in relatie met het letsel aan de hals beschreven onder A3 een steekkanaal van circa 6 cm lang van links naar rechts en rugwaarts te herleiden. Er was daarbij een perforatie van de schildklier, de weke delen van de hals rechts, een dwarsuitsteeksel van de halswervel, de rechter wervelslagader en een wervellichaam. Er was veel bloed in de omgevende weke delen in relatie met dit steekkanaal. Er was een driehoekig metalen voorwerp in het wervellichaam aan het eind van het steekkanaal met een aspect van een schaarpunt. Van het strottenhoofd was het linker hoorntje gebroken.
B2 Er waren in relatie met de letsels links aan de borst beschreven over A4 meerdere perforaties in de borstkast met daarbij perforatie van de 4e rib links en breuken van de 6e tot en met 9e rib links zijwaarts. Er was meermalen oppervlakkige perforatie van de onderkwab van de linkerlong. De lengte van de steekkanalen varieerde van 1 tot 5 cm.

C2 Op 25 september 2009 vond op verzoek van de officier van justitie overleg plaats waarbij mij een dertiental foto’s werd getoond van een schaar en de bij sectie in het lichaam aangetroffen schaarpunt. Gevraagd werd om te beoordelen of de bij de heer [slachtoffer] gevonden perforaties en letsels met deze schaar zouden kunnen zijn toegebracht.
Het is aannemelijk dat het letsel waarbij aan het eind van het steekkanaal een metalen voorwerp met het aspect van een schaarpunt is aangetroffen is veroorzaakt door de schaar. De overige letsels kunnen passen bij een schaar.

Interpretatie

Bij sectie werd het lichaam van een man gezien met multiple perforaties gelokaliseerd in de hals, in de borst links, links in de flank en aan de linker bovenarm. In de hals was er een steekkanaal te herleiden in relatie met een perforatie in de hals. Deze verliep van links naar rechts en reikte tot in de halswervel. Aan het eind van het steekkanaal, dat circa 6 cm lang was, bevond zich een metalen voorwerp met het aspect van de punt van een schaar. In het steekkanaal was de rechter wervelslagader geperforeerd en er was veel bloed verloren. In de borst was de linkerlong meermalen oppervlakkig geraakt en er was bloed in de linkerborstholte. In relatie met de steekletsels waren diverse ribben gebroken en het linkerhoorntje van het strottenhoofd. De letsels zijn alle bij leven opgelopen door steken met een scherp en puntig voorwerp. Ze passen bij steken met een schaar. Het halsletsel kan goed passen bij steken met de door de officier van justitie getoonde schaar. De begeleidende breuken van de ribben en van het strottenhoofd kunnen worden verklaard door bij het steken toegepaste krachtsinwerking.
Het overlijden kan goed worden verklaard door functieverlies van vitale organen als gevolg van het opgetreden bloedverlies.

Conclusie

[slachtoffer] is overleden als gevolg van meermalen opgelopen perforerend geweld in het lichaam.

Een proces-verbaal en kennisgeving van inbeslagneming met nummer 2009211212-5 van 4 augustus 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 3] [doorgenummerde pagina I 005].

Dit proces-verbaal houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

Volgnummer 3: categorie omschrijving huishoudelijke gebruiksvoorwerpen, schaar met serienummer AAAF6793NL, bijzonderheden: met bloed links naast hoofd slachtoffer.

Een proces-verbaal en kennisgeving van inbeslagneming (sporen) met nummer 2009211212-4 van 11 augustus 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 3] [doorgenummerde pagina I 026].

Dit proces-verbaal houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

Spoor 1239, referentie AAAS6639NL, natte swap (tetrabase positief), wattenstaafje, tijdstip veiligstellen is 11 augustus 2009 om 13.58 uur en plaats veiligstellen is buitenzijde ogen schaar [AAAF6793NL].

Spoor 1240, referentie AAAS6637NL, droge swap (licht tetra positief), wattenstaafje, tijdstip veiligstellen is 11 augustus 2009 om 14.00 uur en plaats veiligstellen is buitenzijde ogen schaar [AAAF6793NL].

Een proces-verbaal en kennisgeving van inbeslagneming met nummer 2009211212-24 van 5 augustus 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 4] [doorgenummerde pagina I 029].

Dit proces-verbaal houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

Volgnummer 1: categorie omschrijving (edel-) metalen, object metaal, bijzonderheden punt van een schaar aangetroffen in het slachtoffer [slachtoffer] [AAAN6212NL].

Een proces-verbaal en kennisgeving van inbeslagneming met nummer 2009211212-18 van 4 augustus 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 1] [doorgenummerde pagina I 044].

Dit proces-verbaal houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

Volgnummer 1: categorie omschrijving kleding en schoeisel, jas, 1 monster, serienummer AAAN6202NL, bijzonderheden uitgeknipt deel linker manchet jas van de verdachte [verdachte].

Een proces-verbaal en kennisgeving van inbeslagneming (sporen) met nummer 2009211212-14 van 4 augustus 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 1] [doorgenummerde pagina I 048].

Dit proces-verbaal houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

Spoor 1160, referentie AAAF6843NL, bloed, wijze veiligstellen wattenstaafje, tijdstip veiligstellen 4 augustus 2009 om 14.00 uur, plaats veiligstellen binnenzijde linker pols van de verdachte [verdachte].

Een geschrift, te weten een Deskundigenrapport van 6 augustus 2009 omtrent het onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een steekincident met dodelijke afloop gepleegd in Amsterdam op 3 augustus 2009, opgesteld door [naam 5] van het Nederlands Forensisch Instituut [doorgenummerde pagina’s A0122 tot en met A0127].



Dit rapport houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

De bemonstering [AAAF6843NL] van de binnenzijde van de linker pols van de verdachte [verdachte] is onderzocht op de aanwezigheid van bloed. Hierbij is bloed aangetroffen. De bemonstering is veilig gesteld voor DNA-onderzoek.

Het stukje van het linker manchet [AAAN6202NL] van een jas van de verdachte [verdachte] is onderzocht op de aanwezigheid van bloed. Hierbij is bloed aangetroffen. Een gedeelte van het stukje van het linkermanchet (met bloed) is veilig gesteld voor DNA-onderzoek.

Van het referentiemonster bloed van het slachtoffer [slachtoffer] en van het DNA in de bemonsteringen AAAF6843NL en AAAN6202NL zijn DNA-profielen verkregen. De verkregen DNA-profielen zijn met elkaar en met het DNA-profiel van de verdachte [verdachte] vergeleken.

Interpretatie en conclusie

Uit de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek wordt het volgende geconcludeerd:

Van het DNA in de bemonstering AAAF6843NL van de binnenzijde van de linker pols van de verdachte [verdachte] is een DNA-profiel verkregen van een man. Het DNA-profiel van het slachtoffer [slachtoffer] matcht met dit DNA-profiel. Dit betekent dat het bloed/celmateriaal in deze bemonstering afkomstig kan zijn van het slachtoffer [slachtoffer]. De berekende frequentie van dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard. Ofwel, de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.

Van het DNA in de bemonstering AAAN6202NL van de linker manchet van een jas van de verdachte [verdachte] is een DNA-profiel verkregen van een man. Het DNA-profiel van het slachtoffer [slachtoffer] matcht met dit DNA-profiel. Het DNA-profiel van de verdachte [verdachte] matcht niet met dit DNA-profiel. Dit betekent dat het bloed in deze bemonstering afkomstig kan zijn van het slachtoffer [slachtoffer] en niet afkomstig is van de verdachte [verdachte]. De berekende frequentie van dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard. Ofwel, de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.

Een geschrift, te weten een Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 11 november 2013 betreffende aanvullend DNA-onderzoek naar aanleiding van een steekincident met dodelijke afloop in Amsterdam op 3 augustus 2009, opgesteld door ing. [naam 6] [ongenummerd].

Dit rapport houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

Op grond van de eerste resultaten van het standaard DNA-onderzoek zijn de bemonsteringen AAAS6637NL#01 en AAAS6639NL#01 van de buitenzijde van de ogen van de schaar onderworpen aan een zogenoemde LCN DNA-analyse.

De DNA-profielen van het slachtoffer [slachtoffer], de verdachte [verdachte] en de getuige [getuige] zijn betrokken bij het vergelijkend DNA-onderzoek.

Op 7 november 2013 is per e-mail van de advocaat-generaal informatie ontvangen betreffende het onderzoek aan de schaar. Op basis van deze informatie wordt aangenomen dat een deel van de schaar (een punt) zich in het lichaam van het slachtoffer bevond. Daarom wordt ook aangenomen, dat het slachtoffer in contact is geweest met de schaar.
Vanwege de match met het DNA-profiel van het slachtoffer en de verkregen informatie is aangenomen dat de bemonstering AAAS6637NL#01 celmateriaal bevat van drie personen waarvan een deel van het celmateriaal afkomstig is van het slachtoffer [slachtoffer].

De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn beschouwd onder het volgende hypothesepaar.

Hypothese I: de bemonstering AAAS6637NL#01 bevat celmateriaal van drie personen: het slachtoffer [slachtoffer], de verdachte [verdachte] en één onbekende persoon (niet verwant aan het slachtoffer [slachtoffer] en de verdachte [verdachte]).

Hypothese II: de bemonstering AAAS6637NL#01 bevat celmateriaal van drie personen: het slachtoffer [slachtoffer] en twee willekeurige onbekende personen (niet verwant aan elkaar en niet verwant aan het slachtoffer [slachtoffer] of de verdachte [verdachte]).

De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker als hypothese I juist is, dan als hypothese II juist is.

Bewijswaarde van de resultaten van vergelijkend DNA-onderzoek met complexe DNA-mengprofielen.

De DNA-deskundige van het NFI maakt gebruik van de volgende reeks van waarschijnlijkheidstermen, met bijbehorend likelihood ratio interval:

De bevindingen van het onderzoek zijn:

  • -

    ongeveer even waarschijnlijk (1)

  • -

    iets waarschijnlijker (>1-10)

  • -

    waarschijnlijker (10-100)

  • -

    veel waarschijnlijker (100-10.000)

  • -

    zeer veel waarschijnlijker (10.000-1.000.000)

  • -

    extreem veel waarschijnlijker (>1.000.000)

wanneer hypothese I (of) juist is, dan wanneer hypothese II (of I) juist is.

De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 27 maart 2014.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:



Ik heb vastgezeten in Ter Apel. Toen ik vrijkwam (het hof begrijpt gelet op de omtrent de verdachte verstrekte detentiegegevens (A0444): op vrijdag 31 juli 2009) ben ik naar Amsterdam gegaan naar de woning van [slachtoffer]. [slachtoffer] woonde daar alleen. Mijn moeder verbleef bij [slachtoffer] in zijn woning. Het was de bedoeling dat ik daar ook in de woning bij [slachtoffer] en mijn moeder zou verblijven. Ik weet nog dat mijn moeder die zondagavond (het hof begrijpt: 2 augustus 2009) weg ging. Ik wilde wel met haar mee, maar ik ben uiteindelijk in de woning gebleven. Ik ben op maandagochtend (het hof begrijpt: 3 augustus 2009) rond een uur of 9 of 10 uit de woning gegaan. Ik was geschrokken. [slachtoffer] had bloed aan zijn hals tussen zijn sleutelbeenderen. Het was veel bloed, dat liep op de grond. Het was in de woonkamer. Ik ben de volgende dag aangehouden op het Centraal Station in Amsterdam. Het bloed op mijn mouw en hand is van [slachtoffer] gekomen.

Bewijsoverweging

Het hof is van oordeel dat de bewijsmiddelen geen andere conclusie toelaten dan dat het de verdachte is geweest die in de vroege ochtend van 3 augustus 2009 met een schaar het slachtoffer [slachtoffer] heeft gestoken ten gevolge waarvan deze is overleden.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Rapporten

Het hof heeft kennis genomen van de volgende rapporten die zich in het dossier bevinden:
- Rapport van 13 oktober 2009, opgesteld door prof. dr. [naam 7], bijzonder hoogleraar Forensische Psychologie te Maastricht;
- Klinische Observatie Pro Justitia van 16 februari 2010 (datum ondertekening 12 maart 2010), opgesteld door [naam 8], psychiatrisch verpleegkundige, [naam 9], psychiatrisch verpleegkundige en [naam 10], GGZ verpleegkundig specialist;
- Pro Justitia gedragsneurologisch rapport van 25 maart 2010, opgesteld door prof. dr. [naam 11], gedragsneuroloog;
- Pro Justitia multidisciplinair gedragskundig triple-onderzoek van 1 april 2010, opgesteld door dr. [naam 12], forensisch psychiater en drs. [naam 13], forensisch psycholoog;
- Pro Justitia rapport van het Pieter Baan Centrum van 24 februari 2012, opgesteld door [naam 14], psychiater en [naam 15], klinisch psycholoog;
- Rapport van 26 juli 2012 met aanvullend psychologisch en psychiatrisch onderzoek, opgesteld door [naam 14], psychiater en [naam 15], klinisch psycholoog;
- Pro Justitia rapport van 31 augustus 2012 inhoudend aanvullend multidisciplinair gedragskundig onderzoek, opgesteld door prof. dr. [naam 11], gedragsneuroloog, dr. [naam 12], psychiater en drs. [naam 13], GZ-psycholoog;
- Pro Justitia rapport van 2 november 2012 inhoudend aanvullend gedragsneurologisch onderzoek, opgesteld door prof. dr. [naam 11], gedragsneuroloog;
- Klinische Observatie en Voortgang van 12 november 2012, opgesteld door [naam 10], verpleegkundig specialist GGZ;
- Pro Justitia rapport van het Pieter Baan Centrum van 23 december 2013, opgesteld door [naam 14], psychiater, en [naam 15], klinisch psycholoog;
- Reclasseringsadvies van 14 maart 2014, opgesteld door [naam 16] en [naam 17].

Hoewel de over de verdachte uitgebrachte gedragskundige rapporten zich niet expliciet uitlaten over de mate van toerekeningsvatbaarheid van de verdachte zijn alle deskundigen van oordeel dat de verdachte niet volledig toerekeningsvatbaar geacht kan worden vanwege een chronische vorm van schizofrenie van het ongedifferentieerde type (PBC) of vanwege schizofrenie in combinatie met letsels in de hersenen ([naam 11], [naam 12] en [naam 13]). Het hof zal de rapporten omtrent de bij de verdachte aanwezige ziekelijke stoornissen onder het kopje ‘oplegging maatregel’ nader belichten.

Voorts blijkt niet uit de rapporten dat verdachte als volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. De deskundigen van het PBC relateren de mate van toerekeningsvatbaarheid aan het delictscenario. De rapporteurs [naam 11], [naam 12] en [naam 13] zijn van mening dat waarschijnlijk sprake is van een vermindering van de toerekeningsvatbaarheid, maar dat onduidelijk is gebleven in welke mate dit het geval is.

Gelet op de inhoud van deze rapporten gaat het hof er vanuit dat het feit aan de verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend. Anderzijds ziet het hof geen aanleiding het feit in het geheel niet aan de verdachte toe te rekenen.

Het hof acht de verdachte derhalve strafbaar ten aanzien van het bewezen verklaarde.

Er is voorts geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van de tijd die voor de tenuitvoerlegging in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht. Daarnaast heeft de rechtbank gelast dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld en dat hij van overheidswege zal worden verpleegd. Voorts heeft de rechtbank beslissingen omtrent het beslag genomen en de FPA Heiloo, krachtens art. 15 van de Penitentiaire Beginselenwet, aangewezen als meest geschikte plek van detentie voorafgaand aan de plaatsing in een inrichting voor terbeschikkinggestelden.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het Openbaar Ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van de tijd die voor de tenuitvoerlegging in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht en oplegging van de maatregel TBS met voorwaarden.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft op brute wijze met een schaar het slachtoffer om het leven gebracht. Het misdrijf heeft plaatsgevonden in de woning van het slachtoffer, de plek waar deze zich bij uitstek veilig moet voelen. Een misdrijf als het onderhavige behoort tot de ernstigste misdrijven die het wetboek van strafrecht kent. Het slachtoffer is het meest kostbare bezit, het leven, ontnomen en aan de familie van het slachtoffer, in het bijzonder zijn broer en schoonzuster, is een onherstelbaar verlies en groot verdriet toegebracht.

De ervaring leert voorts dat een ernstig misdrijf als waarvan hier sprake is ook in de samenleving gevoelens van angst en onveiligheid teweeg brengt. De oplegging van straf strekt ertoe uiting te geven aan de maatschappelijke verontwaardiging die volgt op het opzettelijk doden van een medemens en tot erkenning van het leed dat door de nabestaanden wordt gevoeld.

Bij het opleggen van de straf dienen niet alleen bovenstaande aspecten betrokken te worden, maar tevens dient rekening te worden gehouden met de persoon van de verdachte en het verwijt dat hem van het strafbare feit kan worden gemaakt.


Ten aanzien van de persoon van de verdachte blijkt uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van 13 maart 2014 dat de verdachte meermalen eerder onherroepelijk ter zake van geweldsdelicten is veroordeeld.


Ten aanzien van het verwijt dat de verdachte van het bewezenverklaarde gemaakt kan worden acht het hof het volgende van belang. Zoals hierboven reeds is overwogen blijkt uit de verschillende door gedragsdeskundigen omtrent de persoon van de verdachte opgemaakte rapportages dat de verdachte niet volledig toerekeningsvatbaar noch volledig ontoerekeningsvatbaar verklaard kan worden. Voorts blijkt uit deze rapporten dat geen eenduidige conclusie valt te trekken ten aanzien van de vraag in hoeverre zijn handelen aan de verdachte toegerekend kan worden ten tijde van het bewezen verklaarde. Volgens de deskundigen van het PBC zijn meerdere delictscenario’s mogelijk en valt daarover geen uitsluitsel te geven. Afhankelijk van het te volgen delictscenario kan volgens de deskundigen de mate van toerekening variëren. De deskundigen zijn evenwel eensluidend in hun conclusie dat de verdachte ten minste verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden geacht. Het hof neemt de conclusie van de deskundigen over en is van oordeel dat de verdachte in verminderde mate toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.



Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren gepast en geboden.

Oplegging maatregel

Bespreking van de rapporten en adviezen

Naast hetgeen is weergegeven onder het kopje ‘strafbaarheid van de verdachte’, overweegt het hof het volgende omtrent de op te leggen maatregel TBS. Het hof zal daarbij als uitgangspunt de meest recent opgemaakte rapporten nemen, hoewel daarnaast (in het kader van een meer algemeen beeld de ontwikkeling van de verdachte betreffend) ook acht is geslagen op rapporten van eerdere datum. De overwegingen en de conclusies van de gedragsdeskundigen zijn steeds zakelijk samengevat weergegeven.



In het Pro Justitia rapport van 31 augustus 2012 kwamen de deskundigen [naam 11], [naam 12] en [naam 13] tot de conclusie dat bij de verdachte een ziekelijke stoornis in de vorm van een hersenorganisch beeld, met een subcorticofrontaal beeld door blijvende hersenbeschadigingen, aanwezig is en daarnaast schizofrenie. Waar de deskundigen in hun eerdere rapport van 1 april 2010 het hersenorganisch beeld leidend vonden voor de problematiek van de verdachte achten zij op dit moment de schizofrenie meer waarschijnlijk als oorzaak. Het letsel in de hersenen blijft ten minste gedeeltelijk verantwoordelijk voor de cognitieve stoornissen en gedragsverandering bij de verdachte, hoewel niet kan worden vastgesteld in welke mate het hersenorganisch lijden het gedrag beïnvloedt, nu ook de schizofrenie gepaard kan gaan met executieve functiestoornissen. Bij het ontbreken van structuur en medicatie was er in het verleden sprake van ernstig katatoon gedrag alsmede een neiging tot impulsiviteit en agressie. Volgens deskundigen is er geen zicht gekomen op de mogelijke cognities en gedragingen op het ten laste gelegde en dientengevolge is het niet goed mogelijk een betrouwbare uitspraak te doen over een betekenisverband tussen het ten laste gelegde en de gevonden stoornissen. Volgens de deskundigen is er waarschijnlijk wel sprake van een vermindering van toerekeningsvatbaarheid, hoewel onduidelijk is gebleven in welke mate dit het geval is geweest. Hoewel er geen specifiek recidiverisico kan worden vastgesteld kan wel in algemene zin gezegd worden dat er sprake is van een verhoogd risico op recidive op gewelddadig gedrag. De deskundigen onthouden zich van advies omtrent de mate van toerekeningsvatbaarheid, of gehele ontoerekeningsvatbaarheid, en de daaraan te verbinden gevolgen, respectievelijk TBS met dwangverpleging of opname in een psychiatrisch ziekenhuis.

In zijn rapport van 2 november 2012 handhaafde de gedragsneuroloog [naam 11] zijn eerder, in het rapport van 31 augustus 2012, geformuleerde conclusie inhoudend dat sprake is van hersenorganisch lijden en dat dit deels verantwoordelijk is voor de cognitieve stoornissen en gedragsverandering, maar dat niet is aan te geven in welke mate het hersenorganisch lijden van invloed is (geweest) op het gedrag.


In het PBC-rapport van 24 december 2013 wordt de in 2012 door het PBC gestelde diagnose van schizofrenie bevestigd. In 2012 kwamen de deskundigen tot de conclusie dat TBS met dwangverpleging diende te worden geadviseerd gezien de ernst van het ten laste gelegde en het feit dat bij de verdachte geen ziektebesef of ziekte-inzicht aanwezig is, er geen behandelmotivatie is en het recidiverisico - buiten een behandelingssituatie - op korte termijn matig verhoogd is, op lange termijn mogelijk iets hoger.

In het PBC-rapport van 23 december 2013 zijn de deskundigen tot de conclusie gekomen dat de verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de zin van een chronische vorm van schizofrenie van het ongedifferentieerde type waarbij hij zowel tekenen vertoont c.q. heeft vertoond van het gedesorganiseerde als het katatone type. Daarnaast functioneert de verdachte op zwakbegaafd intelligentieniveau. De verdachte wordt beschreven als een zeer kwetsbare man die door zijn schizofrenie in sterke mate geïnvalideerd is, door de negatieve symptomen en het intelligentieverval, en niet in staat is zijn leven zelfstandig vorm te geven. Zowel de ziekelijke stoornis als het op zwakbegaafd niveau functioneren waren aanwezig in de aanloop tot en ten tijde van het ten laste gelegde. De deskundigen achten de verdachte, afhankelijk van het delictscenario, ten minste verminderd toerekeningsvatbaar. Zij voegen hieraan toe dat bij afwezigheid van een reëel conflict het ook voorstelbaar is dat psychotische motieven geheel of bijna geheel aan het ten laste gelegde ten grondslag hebben gelegen en een veel sterkere vermindering van de toerekeningsvatbaarheid denkbaar is. Indien een meer planmatige variant van het delictscenario bewezen wordt geacht dan dient de verdachte ten minste licht verminderd toerekeningsvatbaar te worden geacht. Er worden in ieder geval geen argumenten aanwezig geacht voor algehele toerekeningsvatbaarheid. De verdachte toonde motivatie tot behandeling.

Mocht de strafmaat het toestaan dan opteert het PBC nu voor de maatregel TBS met voorwaarden, waar eerder TBS met dwangverpleging werd geadviseerd, omdat de verdachte geen hoog beveiligingsniveau meer vergt, geen verzet toont tegen begeleiding en behandeling en hij zelf ervaart dat het gebruik van anti-psychotische medicatie een gunstig effect heeft op zijn psychisch functioneren. De verdachte heeft aangegeven zich aan alle (te stellen) voorwaarden te zullen houden.

In het Reclasseringsrapport van 14 maart 2014 adviseert de reclassering oplegging van de maatregel van TBS met voorwaarden met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een behandelverplichting/opname in een zorginstelling, een drugs- en alcoholverbod en een aantal andere voorwaarden het gedrag van de verdachte betreffende.

Oordeel van het hof

Het hof constateert dat, hoewel de deskundigen verschillende visies hebben met betrekking tot de mate van toerekeningsvatbaarheid van de verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde zij (vrijwel) eensluidend zijn in hun conclusies ten aanzien van de bij de verdachte aangetroffen stoornis en de ernst daarvan. Met inachtneming van de beschouwingen, conclusies en de adviezen van de deskundigen van het Pieter Baan Centrum is het hof van oordeel dat de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde lijdende was aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van schizofrenie van het ongedifferentieerde type waarbij hij zowel tekenen heeft vertoond van het gedesorganiseerde als het katatone type. Voorts neemt het hof de conclusies dat sprake is van zwakbegaafdheid bij de verdachte van de deskundigen over.

Het hof stelt vast dat aan de processuele voorwaarden voor het opleggen van een maatregel van terbeschikkingstelling is voldaan. Immers, door meerdere gedragsdeskundigen, is geadviseerd over de persoonlijkheid van de verdachte.

Het hof stelt voorts vast dat aan de wettelijke voorwaarden van de artikelen 37a en 37b, telkens onder het eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, is voldaan. Immers, bij de verdachte bestond ten tijde van het plegen van het bewezen verklaarde een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Het feit waaraan de verdachte zich schuldig heeft gemaakt -kort gezegd doodslag-, betreft een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Gelet op het voorstaande is het hof van oordeel dat de verdachte ter beschikking dient te worden gesteld, mede nu de algemene veiligheid van personen het opleggen van die maatregel eist. Het hof overweegt voorts dat het bewezenverklaarde een misdrijf is, dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Op basis van de beschouwingen, conclusies en adviezen van de hierboven genoemde gedragsdeskundigen en de inhoud van de andere stukken acht het hof, met name gelet op de vooruitgang die de verdachte gedurende de klinische behandeling bij de FPA Heiloo heeft geboekt, verdere behandeling van de verdachte thans het meest aangewezen. Naar het oordeel van het hof brengen de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen met zich mee dat deze behandeling plaats blijft vinden in het kader van de maatregel TBS met voorwaarden.

Het hof neemt het advies van de deskundigen inhoudend dat een maatregel TBS met voorwaarden geïndiceerd is, over en maakt dit tot de zijne. De gedragsdeskundigen hebben hiertoe overwogen dat de gedragingen van de verdachte in de afgelopen jaren geen hoog beveiligingsniveau meer noodzakelijk maken, hij geen verzet toont tegen begeleiding en behandeling, hij een gunstig effect ervaart van het gebruik van anti psychotische medicatie, dat hij geen problematisch gebruik van middelen vertoont of vertoonde, hij tijdens zijn behandeling en in het onderzoek niet geïrriteerd, agressief of impulsief reageert en dat hij stabieler en meer invoelbaar is geworden waardoor hij minder onvoorspelbaar is.

Voorwaarden

Het hof zal de voorwaarden opleggen zoals deze in het Reclasseringsadvies van 14 maart 2014 zijn opgenomen met de nadere specificatie van de voorwaarde inhoudend dat de verdachte zich niet bij zijn moeder zal vestigen dan wel op het adres van zijn moeder zal verblijven, zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep op 27 maart 2014 door mevrouw [naam 16], taakspecialist TBS bij de Reclassering, op verzoek van de advocaat-generaal is omschreven.
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte zich bereid heeft verklaard de voorwaarden als na te melden, na te leven.

Dadelijke uitvoerbaarheid TBS met voorwaarden

Het hof zal, op vordering van de advocaat-generaal, bevelen dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

Beslag

Onttrekking aan het verkeer

De in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten: een schaar en een schaarpunt (nummers 3 en 22 op de beslaglijst), dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van deze voorwerpen het subsidiair bewezen geachte is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

Bewaring ten behoeve van de rechthebbende

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de voorwerpen zoals genoemd op de beslaglijst onder de nummers 1, 2, 4 tot en met 21 en 31 tot en met 45.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 37a, 38, 38a, 38d en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit als hiervoor vermeld.


Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, onder de voorwaarden dat:

- Meldplicht

De verdachte dient zich te houden aan de aanwijzingen die de Reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. De verdachte moet zich gedurende de periode van de maatregel blijven melden zo frequent als de Reclassering dit gedurende deze perioden nodig acht.

- Behandelverplichting/opname in een zorginstelling

Gezien de directe samenhang van de ziekte schizofrenie met het delictgedrag van de verdachte, wordt hij verplicht om op basis van de, door het NIFP-IFZ afgegeven indicatiestelling, zich voor deze aandoening te laten behandelen in een intramurale inrichting. De verdachte verblijft reeds in de kliniek van de Divisie Forensische Psychiatrie van GGZ-NHN in Heiloo. Vooralsnog dient hij daar te blijven. Betrokkene dient zich hierbij te houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-) directeur van die instelling zullen worden gegeven, ook als dit inhoudt dat hij (depot) medicatie tot zich moet nemen.

  • -

    Drugs en/of alcoholverbod

    De verdachte wordt verboden om alcohol en/of drugs te gebruiken. De controle op de naleving van deze bijzondere voorwaarde zal ondersteund worden door middel van urinecontroles/blaastesten.

  • -

    Andere voorwaarden het gedrag betreffende

De verdachte wordt verplicht om de volgende bijkomende voorwaarden na te leven en zich te houden aan de opdrachten van de reclasseringsorganisatie die in het kader van het toezicht op de naleving van deze voorwaarden noodzakelijk zijn:

* De verdachte dient een overeenkomst af te sluiten met de zorginstelling en de Reclassering.
In deze overeenkomst staat beschreven wat belangrijk is in de behandeling en welke afspraken de
behandelinstelling en de Reclassering met betrokkene maken.

* De verdachte dient zich niet buiten de landsgrenzen te begeven.

* De verdachte dient zich meewerkend op te stellen in de samenwerking met de Reclassering. Dit houdt o.a. in dat hij open is over zijn netwerk en de controlerende taak van de Reclassering accepteert. Van de verdachte wordt verwacht dat hij ook zelf initiatief neemt in het contact met de Reclassering.

* De verdachte houdt de Reclassering op de hoogte van zijn verblijfplaats, indien deze al dan niet tijdelijk, anders is dan het bij de Reclassering bekende adres.

* De verdachte zal zich niet bij zijn moeder vestigen dan wel verblijven op het adres waar ook moeder verblijft dan wel zijn moeder toestaan zich bij hem te vestigen dan wel op zijn adres laten verblijven. Ook zal de verdachte de aanwijzingen van de Reclassering en/of de zorginstelling accepteren en opvolgen ten aanzien van het aantal contacten dat met moeder wenselijk wordt geacht door de Reclassering en/of de zorginstelling.

* De verdachte zal financiële bewindvoering accepteren en inzage geven in zijn financiële
situatie.

* De verdachte zal, zonder vooraf overleg te hebben gepleegd met de behandelverantwoordelijke en de Reclassering en zonder toestemming van hen, niet zelfstandig initiatieven nemen in het kader van zijn verdere resocialisatietraject (wonen, werk e.d.).

* Indien dit door de Reclassering noodzakelijk wordt geacht wordt de verdachte verplicht

een eventuele toekomstige werkgever, uitzendbureau of leidinggevende bij een stage- dan wel

vrijwillige werkplek, te informeren over zijn TBS status.

* De verdachte geeft de Reclassering schriftelijke toestemming om trajectrelevante informatie in te winnen dan wel te verstrekken aan derden. Dit in het kader van resocialisatie, dan wel het kunnen inschatten van recidive en/of gevaarrisico’s.

* De verdachte zal meewerken aan eventuele plannen en de uitvoering ten aanzien van een voortgezette behandeling elders en/of nazorg, zoals de behandelaars dit in overleg met de Reclassering noodzakelijk achten.


Beveelt dat de ter beschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

Verklaart onttrokken aan het verkeer: een schaar en een schaarpunt.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de voorwerpen zoals genoemd op de beslaglijst onder de nummers 1, 2, 4 tot en met 21 en 31 tot en met 45.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. G. Oldekamp, mr. P.A.M. Hoek en mr. H.S.G. Verhoeff, in tegenwoordigheid van

mr. M. Stam, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

11 april 2014.