Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:3606

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-04-2014
Datum publicatie
01-09-2014
Zaaknummer
12/00384 bis en 12/00385 bis
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Nu de beide zaken betrekking hebben op in hoofdzaak hetzelfde onderwerp en vrijwel gelijktijdig zijn behandeld, en overigens geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken die een langere termijn rechtvaardigen, moet het bedrag van de immateriële schadevergoeding in de beroepsfase, uitgaande van de procedure die het langst heeft gelopen, worden berekend op € 500.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk: 12/00384 bis en 12/00385 bis

24 april 2014

nadere uitspraak van de zesde enkelvoudige belastingkamer

in het geding tussen

[A] te [B], belanghebbende,

en

- de Staat, de Minister van Veiligheid en Justitie te Den Haag, door tussenkomst van de Raad voor de Rechtspraak, de Minister,

op het verzoek van belanghebbende tot het toekennen van een vergoeding van immateriële schade (hierna: het verzoek) in de na te noemen zaken.

1 Procesverloop

1.1.

Voor de loop van het geding verwijst het Hof naar de uitspraak van de Derde Meervoudige Belastingkamer van 6 februari 2014 met kenmerk 12/00384 en 12/00385. Bij deze uitspraak heeft het Hof het onderzoek heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de immateriële-schadevergoeding voor zover deze is toe te rekenen aan de rechtbank en heeft het Hof de Minister aangemerkt als partij in die procedure.

1.2.

Het Hof heeft de Minister in de gelegenheid gesteld zich over het verzoek uit te laten. De Minister heeft dat gedaan bij brief ingekomen bij het Hof op 10 maart 2014. Belanghebbende heeft hierop bij brief van 12 maart 2014 gereageerd.

1.3.

Partijen hebben het Hof schriftelijk toestemming verleend een nadere zitting achterwege te laten.

1.4.

De voorzitter van de Derde Meervoudige Belastingkamer heeft de behandeling van het verzoek verwezen naar de Zesde Enkelvoudige Belastingkamer.

2 Feiten

2.1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 15 juni 2010 uitspraak gedaan op het bezwaarschrift gericht tegen de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2005. De rechtbank heeft op 6 april 2012 uitspraak gedaan op het door belanghebbende ingesteld beroep.

2.1.2.

De inspecteur heeft met dagtekening 2 juli 2010 uitspraak gedaan op het bezwaarschrift gericht tegen de aanslag IB/PVV voor het jaar 2006. De rechtbank heeft op 6 april 2012 uitspraak gedaan op het door belanghebbende ingesteld beroep.

2.2.

Namens de Minister heeft de Raad voor de rechtspraak in zijn op 10 maart 2014 ingekomen brief onder meer het volgende meegedeeld:

Onder verwijzing naar uw brief van 18 februari 2014 deel ik u, namens de minister van Veiligheid en

Justitie, het volgende mede. De Raad voor de rechtspraak refereert zich aan uw oordeel en zal geen gebruik maken van de gelegenheid een schriftelijke uiteenzetting over de zaak te geven.

2.3.

Belanghebbende heeft in zijn op 12 maart 2014 ingekomen brief onder meer het volgende meegedeeld:

Evenals de Raad voor de Rechtspraak refereer ik aan het oordeel van het Hof zoals gegeven in hoofdstuk 5 van het arrest d.d. 6 februari 2014. Indien ik de overwegingen en het oordeel goed heb begrepen zou dit oordeel resulteren in een immateriële schadevergoeding van in totaal € 1.500,-, namelijk € 1.000,- i.v.m. de aanslag 2005 en € 500- i.v.m. de aanslag 2006.

3 Omschrijving verzoek

3.1.

Het verzoek strekt nog tot vergoeding van immateriële schade geleden door overschrijding van de redelijke termijn in de beroepsfase bij de rechtbank.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4 Beoordeling van het verzoek

4.1.

De redelijke termijn voor behandeling van bezwaar en beroep gezamenlijk bedraagt in beginsel twee jaren, ingaande op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift. Daarbij dient dan een onderscheid te worden gemaakt tussen een overschrijding van de redelijke termijn die toerekenbaar is aan de bezwaarfase enerzijds en een overschrijding van die termijn die toerekenbaar is aan de opvolgende fasen van beroep.

De schade die toerekenbaar is aan de eerste overschrijding, dient te worden vergoed door de

inspecteur. De schade die toerekenbaar is aan de tweede overschrijding, dient te worden

vergoed door de Staat.

De redelijke termijn voor behandeling van bezwaar en beroep van (gezamenlijk) twee jaren

wordt onderverdeeld in een halfjaar voor de behandeling van het bezwaar en anderhalf jaar

voor de beroepsfase bij de rechtbank.

4.2.1.

Aanslag 2005: De inspecteur doet op 15 juni 2010 uitspraak op bezwaar waarna de

rechtbank op 6 april 2012 uitspraak doet in het beroep van belanghebbende. De behandeling

van het beroep heeft daarmee bijna 22 maanden in beslag genomen.

Alsdan is de redelijke termijn in de beroepsfase met bijna 4 maanden (22 maanden minus 18 maanden) overschreden.

4.2.2.

Aanslag 2006: De inspecteur doet op 2 juli 2010 uitspraak op bezwaar waarna de rechtbank op 6 april 2012 uitspraak doet in het beroep van belanghebbende. De behandeling van het beroep heeft daarmee ruim 21 maanden in beslag genomen.

Alsdan is de redelijke termijn in de beroepsfase met ruim 3 maanden overschreden.

4.3.

Nu de beide zaken betrekking hebben op in hoofdzaak hetzelfde onderwerp en vrijwel gelijktijdig zijn behandeld, en overigens geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken die een langere termijn rechtvaardigen, moet het bedrag van de immateriële schadevergoeding in de beroepsfase, uitgaande van de procedure die het langst heeft gelopen, worden berekend op € 500.

Slotsom

4.4.

Al het voorgaande leidt ertoe dat de Minister een vergoeding van € 500 verschuldigd is.

5 Kosten

In beginsel zou belanghebbende aanspraak kunnen maken op vergoeding van voor de verzoekprocedure gemaakte kosten. Van op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komende kosten is evenwel niet gebleken.

6 Beslissing

Het Hof:

- veroordeelt de Staat, de Minister van Veiligheid en Justitie, tot vergoeding van de door

belanghebbende geleden immateriële schade, vastgesteld op € 500.

De nadere uitspraak is gedaan door mr. J. den Boer, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van [de] griffier. De beslissing is op 24 april 2014 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze nadere uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.