Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:3585

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-04-2014
Datum publicatie
26-09-2014
Zaaknummer
23-003440-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medepleging winkeldiefstal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-003440-13

datum uitspraak: 15 april 2014

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 10 juli 2013 in de strafzaak onder parketnummer 13-702344-13 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

postadres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 1 april 2014, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 20 juni 2013 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen drie, in elk geval een of meer, werkhandschoenen en/of een waterpomptang en/of een stanleymes, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Gamma (Vestiging [adres filiaal]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof de voorkeur geeft aan een andere bewijsconstructie dan de door de politierechter gebezigde.

Bespreking van een verweer

De verdachte en de raadsvrouw hebben zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gesteld dat de verdachte niet schuldig is aan het aan hem ten laste gelegde feit. De raadsvrouw voert aan dat er geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte. Niet alleen zegt de verdachte de medeverdachte niet te kennen, maar hij heeft zich ook van deze [medeverdachte 1] gedistantieerd en heeft zelfs goederen terug gehangen in de schappen. De verdachte dient derhalve vrij te worden gesproken van het aan hem ten laste gelegde delict.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Op de camerabeelden is te zien dat de verdachte samen met [medeverdachte 1] en een derde persoon (zoals later blijkt te zijn: [medeverdachte 2]) het terrein oploopt, waarna deze [medeverdachte 1] zich afsplitst van de twee andere mannen. Alle drie de mannen gaan vervolgens de Gamma binnen. [medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat dit inderdaad op deze wijze is gegaan. Vervolgens is op de camerabeelden te zien dat de verdachte in de winkel tweemaal contact heeft met [medeverdachte 2] en dat zij samen naar een stelling kijken waarna de verdachte gereedschap uit een schap pakt en op een lage stelling neerlegt. Vervolgens is te zien dat [medeverdachte 1] deze spullen onder zijn jas stopt, terwijl op dat moment de verdachte naast de medeverdachte [medeverdachte 1] staat. Vast staat dat de verdachte noch [medeverdachte 2] de door [medeverdachte 1] meegenomen goederen hebben afgerekend, noch dat de verdachte het winkelpersoneel heeft gewaarschuwd, dan wel zich op andere wijze heeft gedistantieerd.

Gelet op het bovenstaande, in onderlinge samenhang beschouwd, is het hof van oordeel dat is komen vast te staan dat tussen de medeverdachte en de verdachte sprake is geweest van een dermate nauwe en bewuste samenwerking dat de verdachte als medepleger van het strafbare feit kan worden aangemerkt. Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 20 juni 2013 te Amsterdam tezamen en in vereniging met ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen drie werkhandschoenen, een waterpomptang en een stanleymes toebehorende aan Gamma (vestiging: [adres filiaal]).

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde feit uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde feit levert op: diefstal door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het feit ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken met aftrek van voorarrest.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van winkeldiefstal van een vijftal producten. Dergelijke feiten zorgen voor veel overlast en schade bij de gedupeerde bedrijven en veroorzaken onrust bij het winkelend publiek.

De raadsvrouw heeft ter zitting aangevoerd dat zij de door de politierechter opgelegde straf niet proportioneel vindt. Zij heeft gepleit -mede gelet op het feit dat de verdachte over een vast (post)adres beschikt- bij een eventuele bewezenverklaring een taakstraf en/of geldboete in plaats van een gevangenisstraf op te leggen.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft het hof, in het nadeel van de verdachte, rekening gehouden met het feit dat blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 21 maart 2014 blijkt dat hij eerder voor soortgelijke delicten (diefstallen) onherroepelijk is veroordeeld. Deze onherroepelijke veroordelingen hebben hem er niet van weerhouden een dergelijk feit opnieuw te plegen. Gelet hierop ziet het hof geen aanleiding om een werkstraf of een boete op te leggen.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D.C. van Reekum, mr. M.J.G.B. Heutink en mr. M.R. Cox, in tegenwoordigheid van mr. L.E. Felderhof, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 15 april 2014.

Mr. D.C. van Reekum is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...]

[...][...][...]

[...]

[...][...]

[...][...][...][...]

[...]