Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:3557

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-08-2014
Datum publicatie
25-09-2014
Zaaknummer
200.119.597-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid. Enige tijd na de mondelinge overeenstemming over de bouwopdracht, die nog schriftelijk diende te worden vastgelegd, is de opdrachtnemer, vooruitlopend op de schriftelijke overeenkomst, met zijn werkzaamheden begonnen. De bestuurder van opdrachtgever heeft opdrachtnemer haar werkzaamheden laten aanvangen en een paar weken daarna de schriftelijke overeenkomst gestuurd, terwijl de bestuurder wist althans redelijkerwijs moest begrijpen - zo niet ten tijde van het mondeling sluiten van de overeenkomst maar vervolgens wel op dat moment dat opdrachtgever met zijn werkzaamheden begon - dat opdrachtgever niet in staat zou zijn om opdrachtnemer voor de werkzaamheden te betalen en dat opdrachtgever voor de door opdrachtnemer als gevolg daarvan geleden schade geen verhaal zou bieden. Onder deze omstandigheden had bestuurder de opdrachtnemer moeten meedelen dat, bij gebreke van financieel vermogen binnen de opdrachtgever, de nog te sluiten definitieve schriftelijke overeenkomst niet nagekomen zou kunnen worden. Van het nalaten daarvan valt de bestuurder een ernstig verwijt te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.119.597/01

rol- / zaaknummer rechtbank Amsterdam: 467104 / HA ZA 10-2598

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 5 augustus 2014

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

M.S.S. INTERNATIONAL,

gevestigd te Nederhorst den Berg,

APPELLANTE,

advocaat: mr. M. Snoek te Den Haag,

tegen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STEENVAST HOLDING B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. [geïntimeerde sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[X] BEHEER B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HEITMA HOLDING B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

5. [geïntimeerde sub 5],

wonende te [woonplaats],

6. [geïntimeerde sub 6]

wonende te [woonplaats],

7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MAARSMEER ONTWIKKELINGEN EN BELEGGINGEN B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MAARSMEER HOLDING B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

GEÏNTIMEERDEN,

advocaat: mr. P. Wanders te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

1.1 Appellante wordt hierna MSS genoemd en geïntimeerden gezamenlijk Steenvast c.s.

1.2 MSS is bij dagvaarding van 31 oktober 2012 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 1 augustus 2012, in deze zaak gewezen tussen haar als eiseres en Steenvast c.s. als gedaagden.

1.3 Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met één productie;

- nadere akte zijdens MSS;

- nadere antwoordakte zijdens Steenvast c.s.

Ten slotte is arrest gevraagd.

1.4 MSS heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - de vorderingen van MSS alsnog zal toewijzen, Steenvast c.s. zal veroordelen om aan MSS terug te betalen al hetgeen MSS ter uitvoering van het bestreden vonnis aan Steenvast c.s. heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der betaling door MSS tot aan de dag van terugbetaling en Steenvast zal veroordelen in de kosten van de beide instanties te vermeerderen met nakosten, te betalen binnen veertien dagen na dit arrest en, indien zij de (na)kosten niet binnen deze termijn hebben voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten vanaf de afloop van deze termijn.

1.5 Steenvast c.s. hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van MSS, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van (naar het hof verstaat) het hoger beroep, waaronder een bijdrage in de kosten van rechtsbijstand aan de zijde van Steenvast c.s.

2. Feiten

Geen geschil bestaat omtrent de juistheid van de door de rechtbank in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.13.1 opgesomde feiten, zodat ook het hof deze feiten als vaststaand zal aannemen.

3. Beoordeling

3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende:

( i) In juli 2008 is tussen opdrachtgever Cuserpark Vastgoed B.V. en aannemer Citypole B.V. een aannemingsovereenkomst gesloten inzake het project 'nieuwbouw kantoren Cuserpark te Amsterdam gebouw E'.

(ii) Cuserpark Vastgoed en Citypole zijn beide vennootschappen die behoren tot de zogenoemde [X] groep.

(iii) In september en oktober 2008 is tussen Citypole en MSS onderhandeld over een overeenkomst van onderaanneming (hierna: de overeenkomst), waarbij MSS als onderaannemer het betonwerk van het bovengenoemde project zou gaan realiseren.

(iv) Eind oktober, begin november 2008 werd duidelijk dat MSS als onderaannemer van Citypole het betonwerk zou gaan uitvoeren.

( v) Op 10 november 2008 is MSS met het werk begonnen.

(vi) Op 12 november 2008 heeft MSS in verband met dit werk de eerste factuur aan Citypole gezonden. Deze is betaald. Uit de factuur blijkt dat hiermee de eerste termijn van € 25.000,- op basis van een aanneemsom van € 990.000,- aan Citypole in rekening werd gebracht.

(vii) Op 4 december 2008 heeft Citypole een door [geïntimeerde sub 2] (procuratiehouder bij Citypole) en [geïntimeerde sub 6] (middellijk bestuurder van Citypole, hierna mevrouw [geïntimeerde sub 6]) ondertekend stuk houdende de bepalingen van de overeenkomst met MSS, toegezonden aan MSS. In artikel 13, sub a, c en d, van dit stuk is bepaald dat de totaalprijs van de opdracht € 990.000,- exclusief btw bedraagt, dat de prijs vast is voor de duur van het werk en dat de facturering plaatsvindt achteraf naar rato van de voortgang van het werk volgens een bijgevoegde afrekenstaat.

(viii) Op 9 december 2008 heeft MSS een namens haar ondertekend exemplaar van de overeenkomst teruggezonden aan Citypole.

(ix) Bij brief van 22 januari 2009 heeft Citypole het volgende aan MSS bericht:

(...)

Geachte relatie,

Zoals we reeds enige tijd in de pers kunnen lezen wordt als gevolg van de crisis ook de

bouwsector hard getroffen. De combinatie van deze marktontwikkelingen en de daarmee

gepaard gaande beperkte orderportefeuille van Citypole kunnen tot geen andere conclusie

leiden dan dat Citypole niet levensvatbaar is en de activiteiten dienen te worden gestaakt.

Deze week heeft het bestuur van Citypole het faillissement aangevraagd bij de Rechtbank.

Naar alle verwachting zal komende week dinsdag een curator worden aangesteld. De

curator zal in nauw overleg met het management de vragen beantwoorden en de

noodzakelijke maatregelen in het faillissement nemen. De curator zal in samenspraak met

het bestuur ook besluiten over de wijze waarop de nu lopende projecten worden

afgewikkeld.

(…)

( x) Op 22 januari 2009 heeft Citypole haar eigen faillissement aangevraagd.

(xi) Op 27 januari 2009 is Citypole in staat van faillissement verklaard.

(xii) Ten tijde van de onderhandelingen over en de totstandkoming van de overeenkomst alsmede ten tijde van het failleren van Citypole waren de verhoudingen binnen de [X] groep - voor zover hier van belang - als volgt, vanuit de top bezien:

- mevrouw [geïntimeerde sub 6] en [geïntimeerde sub 5] (hierna ook mevrouw [geïntimeerde sub 5]) waren enig bestuurders van Heitma Holding;

- Heitma Holding was enig bestuurder van Maarsmeer Holding, Frevast Holding B.V., en [X] Beheer;

- Heitma Holding was enig aandeelhouder van Maarsmeer Holding en Frevast

Holding;

- Frevast Holding was enig aandeelhouder van [X] Beheer;

- [X] Beheer was enig bestuurder van Maarsmeer Ontwikkelingen en Beleggingen B.V. (hierna Maarsmeer O&B), Steenvast Holding en Cuserpark Vastgoed;

- Maarsmeer Holding was enig aandeelhouder van Maarsmeer O&B;

- Maarsmeer O&B was enig aandeelhouder van Steenvast Holding;

- Frevast Holding was enig aandeelhouder van Cuserpark Vastgoed;

- Steenvast Holding was enig bestuurder van Citypole;

- Steenvast Holding was enig aandeelhouder van Citypole;

- [geïntimeerde sub 2] was procuratiehouder bij Citypole.

3.2 MSS heeft in eerste aanleg gevorderd de hoofdelijke veroordeling van thans geïntimeerden tot betaling aan MSS van € 386.890,67, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 december 2008 en de proceskosten. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis de vordering van MSS afgewezen en MSS veroordeeld in de kosten van het geding.

3.3 Tegen deze beslissingen en de gronden waarop zij berusten komt MSS met vijf grieven op.

3.4 Met de grieven 1, 2 en 3 betoogt MSS, kort samengevat, dat Steenvast c.s. een vennootschap, Citypole, hebben gebruikt die technisch failliet was, niet zelfstandig kon opereren, en in wezen een pot was waarin ten behoeve van de [X] groep verliezen, kosten en schulden werden ondergebracht, waardoor zij zich schuldig hebben gemaakt aan betalingsonwil en ten tijde van het aangaan van de overeenkomst met MSS wisten althans hadden moeten beseffen dat Citypole niet in staat zou zijn om haar verplichtingen jegens MSS na te komen, alsmede dat Citypole geen verhaal zou bieden, althans dat zij, toen MSS met haar werkzaamheden aanving, hebben nagelaten om MSS te waarschuwen dat zij niet betaald zou kunnen worden, waardoor zij jegens MSS toerekenbaar onrechtmatig hebben gehandeld. Het hof zal deze grieven gezamenlijk behandelen.

3.5 Het hof constateert dat door Steenvast c.s. niet althans niet gemotiveerd is weersproken: (i) dat Citypole in de jaren 2006, 2007 en 2008, derhalve structureel, verlies maakte - volgens het faillissementsverslag over Citypole van 19 januari 2012 een verlies van € 2.646.509 in 2006, een verlies van € 4.192.702 in 2007 en een verlies van € 2.000.000 (concept) in 2008;

(ii) dat Citypole in de jaren 2006, 2007 en 2008, derhalve eveneens structureel, een negatief eigen vermogen had - volgens het faillissementsverslag van 19 oktober 2009 in 2006: € 1,9 miljoen negatief, in 2007: € 1,65 miljoen negatief en in 2008: € 2,0 miljoen negatief;

(iii) dat Citypole een aanzienlijke hoeveelheid schuldeisers had - blijkens het faillissements-verslag van 16 juni 2009 153 concurrente schuldeisers;

(iv) dat Citypole, blijkens de door Steenvast c.s. overgelegde cashflow overzichten uit het boekjaar 2008, vanaf week 43 (24 oktober 2008) een aanzienlijke negatieve kasstroom had, die vanaf week 33 (15 augustus 2009) cumulatief over dat jaar meer dan € 3 miljoen negatief bedroeg;

( v) dat een substantieel deel van de door het bestuur van Citypole uiteindelijk aan de curator opgegeven vorderingen van Citypole van geen waarde bleek - volgens het faillissements-verslag van 19 oktober 2009 is van de opgegeven € 2 miljoen aan debiteuren slechts € 50.000 geïnd terwijl een grote debiteur van € 486.502,51 al geruime tijd failliet bleek te zijn;

(vi) dat de door Steenvast c.s. overgelegde cashflow overzichten van Citypole vanaf week 45 (7 november 2008) een sterk wisselend maar aanzienlijke debetstand op haar bankrekening voorspelden voor de laatste weken van 2008;

(vii) dat Citypole vreemd vermogen had van € 7,9 miljoen - zoals blijkt uit de overgelegde cashflow overzichten ter zake een lening van Heitma Holding en een rekening-courant met Heitma Holding voor in totaal € 7.885.540,- vanaf 3 oktober 2008;

(viii) dat Citypole in ieder geval al sinds begin oktober 2008 te kampen had met terugloop in projecten, zoals vermeld onder de rubriek “Notulen vergadering 1-okt-08” in de door Steenvast c.s. overgelegde notulen van de aandeelhoudersvergadering van Citypole van 2 december 2008; en

(ix) dat Citypole geen bancaire leningsfaciliteit tot haar beschikking had waardoor zij voor haar financiële behoeften afhankelijk was van het vanuit de [X] groep ter beschikking komen van nieuwe kredieten, waarop Citypole evenwel geen enkele aanspraak kon maken en waartoe de [X] groep ook geen intentie had.

3.6 De conclusie hieruit kan niet anders zijn dan dat Citypole in ieder geval vanaf begin november 2008 onderworpen was aan een doemscenario, nu voor Citypole geen concreet uitzicht bestond op verbetering en, zoals mevrouw [geïntimeerde sub 6] ter comparitie in eerste aanleg heeft verklaard, er ook geen intentie bestond om Citypole vanuit de [X] groep financieel bij te staan. Zoals Steenvast c.s. hebben toegelicht, was het plan van de [X] groep begin 2008 om bij Citypole "schoon schip" te maken, door haar verliezen te nemen en voorzieningen te treffen opdat zij na een jaar - zonder verdere financiële steun vanuit de [X] groep, zoals uit de verklaring van mevrouw [geïntimeerde sub 6] volgt - weer klaar zou zijn voor een "commerciële herstart". Vastgesteld moet evenwel worden dat dit plan niet is gelukt. Desondanks bleef Citypole, tegen beter weten in, vanuit de [X] groep als opdrachtgever ingezet worden, terwijl haar voortbestaan een aflopende zaak was.

3.7 Mevrouw [geïntimeerde sub 6] heeft verklaard dat zij tweewekelijks aan de hand van cashflow overzichten op de hoogte werd gehouden, maar bij gebreke van enig positief vooruitzicht en enige intentie om de nodige financiën ter beschikking te stellen kon dit toezicht geen preventief doel dienen. Steenvast c.s. hebben ook niet gesteld welk doel met het bijhouden van die cashflow overzichten werd gediend. De stellingen van Steenvast c.s. dat het faillissement niet was te voorzien omdat dit het gevolg was van pas begin 2009 plotseling opgekomen financiële tegenvallers en verslechterende marktomstandigheden zijn evenmin aan te merken als een gemotiveerde betwisting, nu deze onverenigbaar zijn met de door hen in het geding gebrachte stukken en hun eigen stellingen. In de conclusie van antwoord in eerste aanleg (alinea 25) hebben Steenvast c.s. gesteld dat de kredietcrisis al vóór het kerstreces 2008 bij Citypole in volle gang was, hetgeen niet te verenigen is met hun stelling dat de crisis pas in 2009 bij Citypole onvoorzienbaar toesloeg. In de door Steenvast c.s. overgelegde notulen van de aandeelhoudersvergadering van Citypole van 2 december 2008 is, onder de rubriek “Notulen vergadering 1-okt-08” opgenomen dat sprake is van "terugloop in projecten". Dat betekent dus dat in ieder geval al begin oktober 2008 de projecten terugliepen. Daarnaast wordt in die notulen van 2 december 2008 melding gemaakt van een "negatief resultaat" op het project "Boefterrein", en van "Grootste minposten: Boefterrein, UVA, Rosmode". Tevens is in die notulen opgenomen: "Nuon Zaak wordt spoed arbitrage: ruim 600k staat open" en "Cuser Resultaat loopt terug". Onder de rubriek Orderportefeuille is opgenomen "Terugloop Q1 2009" en "Aanbestedingen lopen niet goed". Onder de rubriek Business plan staat vermeld: "noodparagraaf toevoegen: wat extra te doen (…) voordat opdrachtgeversmarkt instort". Met dit alles is onverenigbaar de stellingen van Steenvast c.s. dat de markt pas begin 2009 onverwacht veranderde en dat de belangrijke projecten Boefterrein, UVA en Rosmode begin 2009 plotseling tegenvallers bleken. Datzelfde geldt aldus ook ten aanzien van de stelling dat de vordering op NUON pas begin 2009 niet te incasseren bleek.

3.8 Steenvast c.s. hebben gesteld dat het te beoordelen moment niet het moment was waarop met MSS de overeenkomst schriftelijk is aangegaan, te weten 9 december 2008 toen MSS de door Citypole aan haar op 4 december 2008 toegezonden schriftelijke overeenkomst ondertekende, maar een eerdere datum, namelijk toen eind oktober dan wel begin november 2008 mondeling was overeengekomen dat MSS de opdracht zou gaan uitvoeren. Het hof volgt Steenvast c.s. hierin niet, omdat ook al zou de overeenkomst van opdracht al mondeling zijn gesloten in oktober 2008 - hetgeen MSS overigens betwist - zulks onverlet laat dat de overeenkomst nog wel onderworpen was aan de afspraak dat deze nog in een definitieve schriftelijk overeenkomst zou worden uitgewerkt en dat de bestuurder van Citypole, te weten Steenvast Holding, in ieder geval al op 7 november 2008 wist althans redelijkerwijs moest begrijpen dat Citypole onder zodanige omstandigheden verkeerde dat zij binnen afzienbare tijd in betalingsonmacht zou geraken in het licht van de voornoemde negatieve omstandigheden, waaronder de in de cashflow overzichten van Citypole vanaf 7 november 2008 voorspelde aanzienlijke debetstand op haar bankrekening in de laatste weken van 2008 en de omstandigheid dat geen intentie binnen de groep bestond om Citypole financieel bij te springen. Onder deze omstandigheden had Steenvast Holding MSS moeten meedelen dat het, bij gebreke van financieel vermogen binnen Citypole, niet van de nog te sluiten definitieve schriftelijke overeenkomst zou kunnen komen. Desondanks heeft Steenvast Holding MSS geen melding gemaakt van de op handen zijnde betalingsonmacht, de opdracht gestand gedaan en MSS haar werkzaamheden op 10 november 2008 laten aanvangen, terwijl Steenvast Holding wist althans redelijkerwijs moest begrijpen dat Citypole niet in staat zou zijn om MSS voor die werkzaamheden te betalen en dat Citypole voor de door MSS als gevolg daarvan geleden schade geen verhaal zou bieden. Daarvan valt haar een ernstig verwijt te maken. In dit verband draagt bij aan de verwijtbaarheid van deze gang van zaken dat Steenvast c.s. niet hebben betwist dat er geen enkele reden was om de opdracht voor het project Cuserpark aan MSS door Citypole te laten geven in plaats van door Cuserpark Vastgoed zelf. Aldus heeft zij jegens MSS toerekenbaar onrechtmatig gehandeld. Op de voet van artikel 2:11 BW rust de daaruit voortvloeiende aansprakelijkheid jegens MSS ook op [X] Beheer (destijds de enig bestuurder van Steenvast Holding), Heitma Holding (destijds de enig bestuurder van [X] Beheer) en mevrouw [geïntimeerde sub 5] en mevrouw [geïntimeerde sub 6] (destijds de bestuurders van Heitma Holding).

3.9 De door Steenvast c.s. genoemde elf projecten waarvoor zij in 2007 en 2008 overeenkomsten had gesloten, ter onderbouwing van haar stelling dat Citypole levensvatbaar was, vat het hof niet op als een serieus gemotiveerde betwisting van de stellingen van MSS, nu uit de producties van Steenvast c.s. zelf volgt, zoals hiervoor aangehaald, dat met betrekking tot vijf van deze projecten al tijdens de vergadering van aandeelhouders van Citypole van 2 december 2008 aan de orde is gekomen dat deze onderwerp van zorg waren (Boefterrein, UVA, Rosmode, Nuon, Cuser).

3.10 Nu Steenvast c.s., zoals hiervoor is geoordeeld, de verwijten van MSS niet althans niet voldoende gemotiveerd hebben weersproken is er geen plaats voor bewijslevering.

3.11 MSS heeft schadevergoeding gevorderd ten bedrage van € 386.890,67, op grond van onbetaald gebleven facturen, meerwerk en kosten. Steenvast c.s. hebben in eerste aanleg bij conclusie van antwoord ten aanzien van een aantal posten verweer gevoerd. Ter gelegenheid van de door de rechtbank gelaste comparitie heeft MSS daarop een aantal stukken die zien op de gestelde schade in het geding gebracht. De omvang van de schade is ter comparitie niet aan de orde gekomen. De rechter heeft partijen blijkens het proces-verbaal voorgesteld dat zij zich zo nodig na tussenvonnis over de aard en omvang van de schade kunnen uitlaten. Het vonnis is evenwel een eindvonnis geworden waarbij de vorderingen van MSS zijn afgewezen en partijen hebben zich vervolgens, ook in hoger beroep, niet meer over de schade uitgelaten. Het hof ziet hierin aanleiding om de zojuist genoemde geïntimeerden te veroordelen tot schadevergoeding op te maken bij staat. Ten overvloede merkt het hof op dat de bewijslast van de omvang van de schade rust op MSS, en dat het verweer van Steenvast c.s., ten aanzien van de gevorderde wettelijke rente, dat zij niet in verzuim zijn omdat zij niet in gebreke zijn gesteld niet opgaat omdat de vordering is gegrond op een onrechtmatige daad en het verzuim dan ingevolge artikel 6:83 onder b BW zonder ingebrekestelling intreedt. De wettelijke rente loopt derhalve vanaf het moment dat de aanspraak op vergoeding van de betrokken posten opeisbaar is geworden, waarover in de schadestaat zal dienen te worden beslist.

3.12 Het voorgaande leidt evenwel niet tot de conclusie dat ook Maarsmeer O & B en Maarsmeer Holding jegens MSS aansprakelijk zijn. Zij zijn alleen betrokken als indirecte aandeelhouders (Maarsmeer Holding als enig aandeelhouder van Maarsmeer O & B, op haar beurt de enig aandeelhouder van Steenvast Holding, de enig aandeelhouder van Citypole). MSS heeft onvoldoende gesteld voor de conclusie dat deze twee vennootschappen zodanig hebben gehandeld dat zulks als een onrechtmatig handelen jegens MSS moet worden aangemerkt.

3.13 Datzelfde geldt ten aanzien van[geïntimeerde sub 2], die alleen als procuratiehouder (van Citypole) was betrokken. Ook wat hem betreft heeft MSS onvoldoende gesteld voor de conclusie dat hij zodanig heeft gehandeld dat zulks als een onrechtmatig handelen jegens MSS moet worden aangemerkt.

3.14 Met grief 4 betoogt MSS dat zij op grond van het verleden en gedragingen namens Citypole erop mocht vertrouwen dat haar vorderingen op Citypole zouden worden voldaan na terbeschikkingstelling van gelden door een andere vennootschap binnen de [X] groep. Met deze grief richt MSS zich vooral tegen de (indirecte) aandeelhouders van Citypole. Wat betreft de hiervoor aansprakelijk geoordeelde vennootschappen en personen behoeft deze grief geen behandeling, nu zij al op grond van de hiervoor genoemde verwijten aansprakelijk zijn geoordeeld. Wat betreft de (indirecte) aandeelhouders Maarsmeer O & B en Maarsmeer Holding kan deze grief MSS niet baten, omdat ook wat dit betreft MSS onvoldoende heeft gesteld voor de conclusie dat deze twee vennootschappen zich zodanig hebben gedragen dat MSS daardoor het door haar gestelde vertrouwen heeft mogen verkrijgen of dat zulks als een onrechtmatig handelen jegens MSS moet worden aangemerkt. De enkele feiten dat zij (indirect) aandeelhouder van Citypole waren en haar geen gelden ter beschikking hebben gesteld is onvoldoende voor aansprakelijkheid jegens MMS.

3.15 Grief 5 is een concluderende slotgrief zonder zelfstandige betekenis en behoeft na het voorgaande geen behandeling. Ook deze baat MSS niet.

3.16 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de grieven 1,2 en 3 slagen, maar dat de grieven 4 en 5 falen, waardoor de vordering van MSS jegens Steenvast Holding, [X] Beheer, Heitma Holding, mevrouw [geïntimeerde sub 5] en mevrouw [geïntimeerde sub 6] toewijsbaar is op te maken bij staat, doch de vordering van MSS jegens[geïntimeerde sub 2], Maarsmeer O & B en Maarsmeer Holding zal moeten worden afgewezen. Hoewel het bestreden vonnis aldus deels terecht is gewezen, zal het hof, voor de duidelijkheid, het vonnis niet partieel, maar geheel vernietigen, en vervolgens in één dictum ten aanzien van de vorderingen het eindoordeel formuleren. Als de in het ongelijk gestelde partijen moeten Steenvast Holding, [X] Beheer, Heitma Holding, mevrouw [geïntimeerde sub 5] en mevrouw [geïntimeerde sub 6] de kosten van het geding aan de zijde van MSS in beide instanties dragen. MSS zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep aan de zijde van[geïntimeerde sub 2], Maarsmeer Ontwikkelingen en Beleggingen en Maarsmeer Holding, te begroten op nihil.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Steenvast Holding, [X] Beheer, Heitma Holding, [geïntimeerde sub 5] en [geïntimeerde sub 6] hoofdelijk tot vergoeding van de door MSS geleden schade als gevolg van de onbetaald gebleven en niet verhaalbare vorderingen van MSS op Citypole in verband met de opdracht ter zake het project Cuserpark, te vermeerderen met de wettelijke vertragingsrente, op te maken bij staat;

veroordeelt Steenvast Holding, [X] Beheer, Heitma Holding, [geïntimeerde sub 5] en [geïntimeerde sub 6] hoofdelijk om aan MSS terug te betalen al hetgeen MSS ter uitvoering van het bestreden vonnis aan hen heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de betaling door MSS tot aan de dag van terugbetaling;

veroordeelt Steenvast Holding, [X] Beheer, Heitma Holding, [geïntimeerde sub 5] en [geïntimeerde sub 6] in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de zijde van MSS gevallen, in eerste aanleg op € 4.951,- aan verschotten en € 6.000,- voor salaris advocaat en in hoger beroep op € 5.058,17 aan verschotten en € 3.263,- voor salaris advocaat en € 131 voor nasalaris, te vermeerderen met € 68 voor nasalaris en met de kosten van het betekeningsexploot, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest is voldaan aan de voornoemde veroordelingen en betekening heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten vanaf de afloop van de genoemde termijn;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

veroordeelt MSS in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep, aan de zijden van [geïntimeerde sub 2], Maarsmeer O & B en Maarsmeer Holding gevallen en begroot die kosten op nihil;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, D.J. Oranje en J.W.M. Tromp en in het openbaar door de rolraadsheer uitgesproken op 5 augustus 2014.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Steenvast Holding, [X] Beheer, Heitma Holding, [geïntimeerde sub 5] en [geïntimeerde sub 6] hoofdelijk tot vergoeding van de door MSS geleden schade als gevolg van de onbetaald gebleven en niet verhaalbare vorderingen van MSS op Citypole in verband met de opdracht ter zake het project Cuserpark, te vermeerderen met de wettelijke vertragingsrente, op te maken bij staat;

veroordeelt Steenvast Holding, [X] Beheer, Heitma Holding, [geïntimeerde sub 5] en [geïntimeerde sub 6] hoofdelijk om aan MSS terug te betalen al hetgeen MSS ter uitvoering van het bestreden vonnis aan hen heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de betaling door MSS tot aan de dag van terugbetaling;

veroordeelt Steenvast Holding, [X] Beheer, Heitma Holding, [geïntimeerde sub 5] en [geïntimeerde sub 6] in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de zijde van MSS gevallen, in eerste aanleg op € 4.951,- aan verschotten en € 6.000,- voor salaris advocaat en in hoger beroep op € 5.058,17 aan verschotten en € 3.263,- voor salaris advocaat en € 131 voor nasalaris, te vermeerderen met € 68 voor nasalaris en met de kosten van het betekeningsexploot, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest is voldaan aan de voornoemde veroordelingen en betekening heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten vanaf de afloop van de genoemde termijn;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

veroordeelt MSS in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep, aan de zijden van [geïntimeerde sub 2], Maarsmeer O & B en Maarsmeer Holding gevallen en begroot die kosten op nihil;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, D.J. Oranje en J.W.M. Tromp en in het openbaar door de rolraadsheer uitgesproken op 5 augustus 2014.