Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:3541

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-08-2014
Datum publicatie
07-11-2014
Zaaknummer
200.152.324-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ontruiming; kort geding; verwerping beroep tegen ontruimingsvonnis; gebrek aan belang; tijdelijke opvang Appellanten als vreemdelingen zonder verblijfsvergunning door gemeente bij wijze van pilot in door Rijk ter beschikking gesteld pand (voormalig huis van bewaring) aan Havenstraat; gebruiksovereenkomst voor beperkte tijd tussen gemeente en Rijk en tussen gemeente en appellanten afzonderlijk; Havenstraat is na de ontruiming weer overgedragen aan het Rijk en Appellanten hebben geen alternatieve opvang gevorderd, zodat vernietiging van het vonnis niet kan leiden tot de door Appellanten gewenste vervolgopvang; oordeel van de Centrale Raad omtrent de vraag of de Gemeente met het aangaan van de pilot een besluit tot opvang in bestuursrechtelijk zin heeft genomen, levert evenmin een voldoende procesrechtelijk belang op, aangezien zo’n oordeel niet in voldoende verband staat met de in deze procedure in geschil zijnde ontruiming; dit geldt ook voor de stelling van Appellanten dat zij bij vernietiging van het vonnis vanuit een betere onderhandelingspositie met de Gemeente om de tafel kunnen gaan zitten, nu gemeente desgevraagd heeft verklaard dat een dergelijk voorlopig oordeel van het hof niet tot gevolg heeft dat er opvang zal worden geregeld maar juist eerder een tegengesteld effect zal hebben.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.152.324/01 SKG

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/566139/KG ZA 14-693

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 26 augustus 2014

inzake

[appellanten] (zoals genoemd in de inleidende dagvaarding van 5 juni 2014),

allen wonend te[woonplaats],

appellanten in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE AMSTERDAM,

zetelend te Amsterdam,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat: mr. J. Bouter te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellanten]. en de Gemeente genoemd.

[appellanten]. zijn bij dagvaarding van 7 juli 2014 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter) van 4 juli 2014, gewezen tussen de Gemeente als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie en [appellanten]. als gedaagden in conventie tevens eisers in reconventie.

[appellanten]. hebben overeenkomstig de appeldagvaarding van grieven gediend. Zij hebben daarbij producties overgelegd en geconcludeerd als aan het slot van de appeldagvaarding vermeld.

[appellanten]. hebben tevens incidenteel gevorderd dat het hof de tenuitvoerlegging van het vonnis waarvan beroep op de voet van artikel 351 Rv zal schorsen totdat het hof in de hoofdzaak arrest heeft gewezen.

De Gemeente heeft bij memorie van antwoord verweer gevoerd in de hoofdzaak alsmede in het incident. De Gemeente heeft in het incident geconcludeerd dat het hof [appellanten]. niet-ontvankelijk zal verklaren in hun incidentele vordering, althans deze zal afwijzen, met veroordeling van [appellanten]., uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het incident.

Vervolgens is arrest gevraagd in het incident.

2 Beoordeling

2.1.

Het gaat hier, zeer kort samengevat en voor zover met het oog op de incidentele vordering van belang, om het volgende.

2.1.1.

[appellanten]. zijn vreemdelingen zonder verblijfsvergunning, zogenoemde ongedocumenteerden. Het merendeel van hen maakte deel uit van de zogenaamde ‘groep van 159’, welke groep vanaf het najaar van 2012 op verschillende vluchtlocaties in Amsterdam heeft verbleven.

2.1.2.

De Gemeente heeft met [appellanten]. - ieder afzonderlijk - een gebruiksovereenkomst ten aanzien van een pand[adres] gesloten voor de periode van 1 december 2013 tot en met 31 mei 2014. In die gebruiksovereenkomsten is onder meer opgenomen dat [appellanten]. [adres] uiterlijk op 31 mei 2014 vrijwillig zullen verlaten.

2.1.3.

Omdat [appellanten]. op 31 mei 2014 niet waren overgegaan tot ontruiming van [adres], heeft de Gemeente bij dagvaarding van 5 juni 2014 gevorderd - in conventie - dat, kort gezegd, [appellanten]. [adres] zullen ontruimen. [appellanten]. hebben daartegen verweer gevoerd en hebben in reconventie gevorderd dat, kort gezegd, de voorzieningenrechter de in 2.1.2 genoemde gebruiksovereenkomsten zal vernietigen.

2.1.4.

Bij het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter - uitvoerbaar bij voorraad - [appellanten]. in conventie veroordeeld tot ontruiming van [adres] binnen vier dagen na betekening van het vonnis, met nevenvoorzieningen. De voorzieningenrechter heeft de in reconventie gevraagde voorziening geweigerd.

2.1.5.

De Gemeente heeft het bestreden vonnis op 4 juli 2014 aan [appellanten]. betekend en hen gemaand [adres] uiterlijk op 9 juli 2014 te verlaten.

2.2

[appellanten]. hebben ter onderbouwing van hun incidentele vordering, samengevat, aangevoerd dat door de aangezegde ontruiming voor hen een onomkeerbare, humanitaire noodsituatie zal ontstaan omdat zij, een groep (deels) kwetsbare mensen, op straat zullen komen te staan zonder veilige beschutting en inkomen.

2.3

De Gemeente heeft daartegen onder meer aangevoerd dat [appellanten]. [adres] inmiddels hebben verlaten en dat de Gemeente dat pand heeft overgedragen aan het Rijk en er (derhalve) niet langer over beschikt. [appellanten]. hebben om die reden geen belang meer bij hun incidentele vordering, aldus de Gemeente.

2.4

Het hof oordeelt als volgt. Op grond van algemene nieuwsbronnen is het een feit van algemene bekendheid dat [appellanten]. [adres] inmiddels hebben verlaten. Om die reden hebben [appellanten]., zoals de Gemeente ook heeft aangevoerd, geen voldoende belang (meer) bij de onderhavige incidentele vordering.

2.5

Uit het vorenstaande volgt dat de incidentele vordering zal worden afgewezen. [appellanten]. zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, bij het eindarrest worden verwezen in de kosten van het incident.

2.6

In de hoofdzaak is reeds pleidooi bepaald op 9 oktober 2014. Het hof zal de zaak derhalve naar de rol van die datum verwijzen.

3 Beslissing

Het hof:

in het incident:

wijst de vordering van [appellanten]. af;

houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 9 oktober 2014 voor pleidooi;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, J.H. Huijzer en J.E. Molenaar en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2014.