Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:351

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-02-2014
Datum publicatie
18-02-2014
Zaaknummer
200.126.348-01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2014:3574
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Goederen- en inventarisverzekering alsmede huurdersbelangverzekering ten behoeve van v.o.f. die winkel drijft waarin onder meer telecomapparatuur te koop wordt aangeboden. Schadeclaim na inbraak/diefstal uit winkel. Verzekeraar weigert schade-uitkering omdat de winkel niet is beveiligd zoals vereist in de verzekeringsovereenkomst.

Het hof oordeelt dat de bewoordingen van de polis in aanmerking genomen de verzekeraar er niet zonder op mocht rekenen dat haar verzekeringnemer zich een beeld kon vormen van hetgeen van haar werd verlangd en haar beveiliging als vereist kon inrichten. Het lag in de fase van de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst op de weg van de verzekeraar om de (potentiële) verzekeringnemer te informeren over de inhoud van de eisen die zij aan inbraakpreventie stelt en om deze te waarschuwen voor de gevolgen als die inbraakpreventie niet aan de contractuele eisen zou voldoen. Het hof stelt vragen aan de verzekeraar teneinde te kunnen beoordelen of deze in zover aan haar zorgplicht heeft voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2014, afl. 2, p. 104
TvPP 2014, afl. 3, p. 92

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I AOF

zaaknummer : 200.126.348/01

rolnummer rechtbank : 1288338 CV EXPL 11-33038

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 11 februari 2014

inzake

[APPELLANT 1],

wonende te [woonplaats],
vennoot van de vennootschap onder firma [firma],

gevestigd te Amsterdam,

appellant,

advocaat: mr. M.E.F. Parramore te Amsterdam,

tegen

de naamloze vennootschap DELTA LLOYD N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. A. Knigge te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en Delta Lloyd genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 25 januari 2013 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam, locatie Amsterdam ( hierna, de kantonrechter) van 31 oktober 2012, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en Delta Lloyd als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis alsmede het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 16 mei 2012 waarop het eindvonnis voortbouwt, zal vernietigen en – na vermeerdering van eis en uitvoerbaar bij voorraad – Delta Lloyd zal veroordelen alsnog de door hem gevorderde schade-uitkering te betalen alsmede een vergoeding voor de gemaakte buitengerechtelijke incassokosten, alles te vermeerderen met rente, met (blijkens de appeldagvaarding) beslissing over de proceskosten.
Delta Lloyd heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van de vonnissen van 16 mei 2012 en 31 oktober 2012, met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten inclusief nakosten.
[appellant] heeft in hoger beroepbewijs van zijn stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het in deze zaak op 16 mei 2012 gewezen tussenvonnis onder 1 (1.1 tot en met 1.7) de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Daarnaast dienen het hof als uitgangspunt de hieronder bovendien te vermelden feiten en omstandigheden die niet dan wel onvoldoende zijn bestreden.

3 Beoordeling

3.1

De grieven 1 tot en met 4 zijn gericht tegen beslissingen in het tussenvonnis.
Omdat het eindvonnis voortbouwt op deze onderdelen van het tussenvonnis, zal het hof deze grieven bespreken, hoewel [appellant] slechts in hoger beroep kwam van het eindvonnis.

3.2

Het gaat in dit geding om de volgende kwestie.

3.2.1

De vennootschap onder firma [firma] (verder: [firma] v.o.f.) heeft een winkel waarin onder meer telecomapparatuur te koop worden aangeboden. [appellant] is vennoot. De winkel is gevestigd aan het adres [adres 1] in Amsterdam in gehuurde bedrijfsruimte. [firma] v.o.f. exploiteert haar onderneming sedert 11 november 2005 op genoemd adres.

3.2.2

Op 9 mei 2010 is in de winkel ingebroken en zijn uit de winkel zaken gestolen.
Op 8 augustus 2010 heeft volgens [appellant] wederom een voorval bij en in de winkel plaatsgehad.
[appellant] stelt dat hij ten gevolge van deze twee evenementen schade heeft geleden en dat deze schade valt onder de verzekeringsdekking die met, onder meer, Delta Lloyd is overeengekomen ten behoeve van [firma] v.o.f.

3.2.3

In 2010 liep tussen [firma] v.o.f. en Delta Lloyd een goederen- en inventarisverzekering en een huurdersbelangverzekering.
De verzekeringen zijn gesloten door tussenkomst van de tussenpersoon [bedrijf 1]. (verder: [bedrijf 1]). [bedrijf 1] trad op aan de zijde van de verzekeraars.
[bedrijf 1] heeft op 11 juli 2006 ten behoeve van [firma] v.o.f. polissen afgegeven ingaand 30 december 2005 en, gedeeltelijk, voor 36 maanden doorlopend. Deze verzekeringen waren op dezelfde leest geschoeid als die van de vorige eigenaar van de winkel.
De verzekeringen zijn met ingang van 1 januari 2008 voortgezet.
In december 2009 zou [bedrijf 1] bij brief gedateerd december 2009 een nieuw polisaanhangsel aan [firma] v.o.f. hebben gezonden onder mededeling dat de meest recente polisvoorwaarden van toepassing zouden zijn; [appellant] betwist het aanhangsel te hebben ontvangen.

3.2.4

Tussen [firma] v.o.f. en Delta Lloyd gold vanaf 10 december 2005 clausule 3 CBB02. Deze clausule gaat over inbraakpreventie en luidt:

Inbraak-preventie (‘Garantie’)
Deze verzekering is ten aanzien van het diefstal/vandalisme-risico aangegaan onder het beding, dat het/de op het polisblad genoemde adres(sen) is/zijn beveiligd (bouwkundig, elektronisch en organisatorisch) overeenkomstig de ‘Borg’ beveiligingsklasse en de daarbij behorende ‘Borg’ risicoklasse-indeling van het bedrijf van verzekerde. Deze beveiliging dient aangelegd te zijn door een ‘Borg’gecertificeerd beveiligingsbedrijf dan wel door een erkend beveiligingsbedrijf, mits de beveiligingsmaatregelen en het beveiligingsbedrijf vooraf door de verzekeraar zijn goedgekeurd. (…)

Clausule 1 op hetzelfde clausuleblad luidt:

(…)
In geval van schade is verzekeraar slechts gehouden tot vergoeding van dat gedeelte van de schade waarvan door verzekerde wordt bewezen dat deze niet het gevolg is van, noch is verergerd door de niet-nakoming van ‘garanties’. (…)

3.2.5

Tot de processtukken behoren bovendien twee zogenoemde opleveringsbewijzen met betrekking tot de alarminstallatie.
Het eerste dateert van 26 april 2004 en is uitgereikt aan [firma]. Daarin wordt vermeld dat de geconstateerde risicoklasse nummer 3 is.

Het tweede is afgegeven op 10 september 2010. Opnieuw is geconstateerd dat risicoklasse nummer 3 van toepassing is.

3.2.6

Tot de processtukken behoort een Borg Bronformulier. Het formulier is ondertekend door [appellant]. In het formulier wordt risicoklasse 3 vermeld met bijbehorende veiligheidsmaatregelen. De datering van het formulier is niet leesbaar.

3.2.7

Ten tijde van de inbraak op 9 mei 2010 voldeed [firma] v.o.f. niet aan de beveiligingseisen die zijn voorzien in bovengenoemde clausule 3. Er waren bouwkundige beveiliging en een alarminstallatie, maar er was niet gezorgd voor (automatische) doormelding van een alarm naar een alarmcentrale.

3.2.8

[appellant] heeft Delta Lloyd in rechte betrokken. De kantonrechter heeft zijn vordering afgewezen.
De kantonrechter heeft geoordeeld dat het evenement van 9 mei 2010 in beginsel onder de verzekeringsdekking valt en het evenement van 8 augustus 2010 niet.
Vervolgens heeft de kantonrechter onderzocht of Delta Lloyd wat betreft de inbraak van 9 mei 2010 recht kan ontlenen aan de clausule die gaat over inbraakpreventie. De vraag is bevestigend beantwoord op de grond dat het op de weg van [firma] v.o.f. had gelegen om informatie in te winnen over de Borg-beveiligingseisen die in clausule 3 staan. Dat [firma] v.o.f. dat niet heeft gedaan, dient voor haar rekening te blijven. Delta Lloyd mocht zich op de clausule beroepen.
Na een aktewisseling over de vraag wat de beveiligingseisen voor [firma] v.o.f. bij gelegenheid van de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomsten in december 2005 inhielden, heeft de kantonrechter tot slot geoordeeld dat de uitwerking van de beveiligingseisen staat in het Handboek Risicoklassen-indeling N.C.P. uit 2004 en dat daaruit volgt dat Borg Risicoklasse 3 dient te worden toegepast. Het Handboek eist voor die risicoklasse alarmopvolging. Nu deze ontbrak heeft Delta Lloyd op goede grond geweigerd schade uit te keren, aldus de kantonrechter.



4. Beoordeling

4.1

De grieven vermeld in de onderdelen 2.2, 2.3 en 2.4 van de memorie van grieven zijn gericht tegen de overwegingen met de nummers 26, 27 en 28 uit het tussenvonnis. Die overwegingen hebben de kantonrechter gevoerd tot zijn oordeel dat de verzekeringsovereenkomsten geen dekking bieden voor de schade die op 8 augustus 2010 zou zijn ontstaan.
[appellant] heeft in de toelichting op deze grieven niet bestreden dat een redelijke uitleg van de bepalingen die de dekkingsomvang regelen, meebrengt dat moet worden aanvaard dat het evenement van 8 augustus 2010 niet onder de overeengekomen dekking valt. In de kern komt de toelichting van [appellant] op deze grieven erop neer dat de dekkingsafgrenzing hem door Delta Lloyd niet mag worden tegengeworpen, omdat zij verzuimd heeft hem tijdig op de hoogte te stellen van de inhoud van de overeenkomsten.

4.2

Het betoog van [appellant] gaat niet op.
De enkele omstandigheid dat [appellant] niet in staat zou zijn gesteld om kennis te nemen van de bewoordingen van de verzekeringsovereenkomsten brengt niet mee, dat de door [appellant] gewenste royalere dekkingsomvang jegens Delta Lloyd gelding heeft gekregen. Die royalere dekkingsomvang is immers, naar in hoger beroep vast staat, niet overeengekomen.
Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, biedt verder een ontoereikend aanknopingspunt om te oordelen dat [appellant] in de omstandigheden van dit geval gerechtvaardigd mocht verwachten dat ingeval van het door hem gestelde evenement schade-uitkering zou volgen. Er is daarom ook geen grond voor het oordeel dat Delta Lloyd hem de dekkingsafgrenzing niet mag tegenwerpen.
Ook heeft [appellant] zich nog beroepen op de omstandigheid dat hij de Nederlandse taal niet goed beheerst. Dat argument is niet verenigbaar met het argument dat hij geen kennis heeft kunnen nemen van de polisvoorwaarden, doordat hij deze niet heeft ontvangen, en overtuigt alleen al daarom niet. Los daarvan is gesteld noch gebleken dat deze omstandigheid - als al waar - bij Delta Lloyd bekend was of had behoren te zijn, reden waarom het ervoor wordt gehouden dat dit niet het geval is, hetgeen eraan in de weg staat dat dat argument aan Delta Lloyd wordt tegengeworpen.

4.3

Dat Delta Lloyd heeft bestreden dat [appellant] althans [firma] v.o.f. de polisvoorwaarden niet kende, behoeft in dit verband geen afzonderlijke bespreking meer. De grieven vermeld in de onderdelen 2.2, 2.3 en 2.4 van de memorie van grieven hebben geen succes.

4.4

Met de grieven vermeld in de onderdelen 2.1, 2.5 en 2.6 van de memorie van grieven heeft [appellant] bezwaar gemaakt tegen het oordeel van de kantonrechter dat Delta Lloyd hem mag tegenwerpen dat hij de contractueel vereiste inbraakpreventie niet op orde had. Het hof overweegt daarover als volgt.

4.5

Het hof stelt voorop dat tussen partijen is vastgesteld dat clausule 3 gelding heeft tussen partijen. Ook is vastgesteld dat [firma] v.o.f. de contractueel geëiste inbraakpreventie, een zogenoemde garantie aan de zijde van [firma] v.o.f., op 9 mei 2010 niet op orde had. In beginsel mocht Delta Lloyd daaraan het recht ontlenen schade-uitkering in verband met het evenement dat op 9 mei 2010 plaatshad, te weigeren.
De vraag is dus of er rechtens desalniettemin toereikende grond bestaat voor het oordeel dat Delta Lloyd zich daarop niet mag beroepen.

4.6

In de eerste plaats valt in dit verband op dat uit clausule 3 niet direct valt af te leiden welke beveiligingsverplichtingen op [firma] v.o.f. rustten. De bepaling verwijst immers naar een nader te bepalen beveiligingsniveau. Dat beveiligingsniveau zou in overeenstemming moeten zijn met de ‘Borg’ beveiligingsklasse en de daarbij behorende ‘Borg’ risicoklasse. Wat ‘Borg’ inhoudt, vermeldt de bepaling niet. De bepaling vermeldt al evenmin hoe [firma] v.o.f. dat zou kunnen achterhalen.
Verder valt op dat op niet-voldoening aan clausule 3 een zware sanctie rust. Alleen schade die niet het gevolg is dan wel niet is verergerd door niet-nakoming van de garantie van clausule 3, wordt vergoed.
Delta Lloyd heeft het hof er niet van overtuigd dat kennisneming van het Handboek Risicoklassen-indeling N.C.P. Deel 1 [firma] v.o.f. zonder meer in staat had gesteld zich een beeld te vormen van hetgeen van haar werd verlangd. Voor iemand die niet thuis is in deze materie, is de inhoud van dit handboek minder helder dan Delta Lloyd lijkt te veronderstellen. Het handboek kent een indeling naar risicoklasse aan de hand van de variabelen attractiviteit en verzekerde waarde. Binnen de gevonden klasse wordt bovendien nog onderscheid gemaakt tussen verschillende pakketten van beveiligingsmaatregelen. Dat betekent dat Delta Lloyd er niet zonder meer op mocht rekenen dat haar verzekeringnemer [firma] v.o.f. op basis van dit handboek haar beveiliging naar behoren kon inrichten.
In de fase van de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst lag het op de weg van Delta Lloyd om haar (potentiële) verzekeringnemer te informeren over de inhoud van de eisen die zij aan inbraakpreventie stelt, en te waarschuwen voor de gevolgen als die inbraakpreventie niet aan de contractuele eisen zou voldoen. [firma] v.o.f. hoefde niet op zoek te gaan naar die informatie. Dat brengt de zorgplicht van Delta Lloyd jegens haar (potentiële) verzekeringnemer mee.
De enkele toezending van de polisvoorwaarden na totstandkoming van de verzekeringsovereenkomsten door de vertegenwoordiger van Delta Lloyd, [bedrijf 1], voldoet niet aan die maatstaf. Daarom laat het hof de kwestie of [firma] v.o.f. die overeenkomsten heeft ontvangen vooralsnog rusten.

4.7

Het hof is nog niet in staat gesteld om de vraag te beantwoorden of Delta Lloyd voorafgaand aan de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomsten aan haar zorgplicht jegens [firma] v.o.f. heeft voldaan. In dit verband is bij het hof een aantal vragen gerezen.
- Delta Lloyd heeft een opleveringsbewijs uit april 2004 in het geding gebracht, waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat haar toenmalige verzekeringnemer [firma] op de hoogte was van het vereiste beveiligingsniveau. [firma] kreeg immers, naar uit dat bewijs blijkt, dat rapport uitgereikt en in dat rapport wordt melding gemaakt van het vereiste beveiligingsniveau 3. Onduidelijk is evenwel of [firma] v.o.f. die in 2005 nieuwe verzekeringsovereenkomsten met Delta Lloyd sloot, op één lijn mag worden gesteld met de in dat opleveringsbewijs genoemde [firma]. Zo is niet bekend gemaakt wie in april 2004 respectievelijk in (december) 2005 de vennoten van [firma] waren.
- Verder is op basis van het opleveringsbewijs uit 2004 de vraag gerezen of Delta Lloyd van dat rapport indertijd kennis heeft genomen en of zij de blijkens dat rapport aangebrachte beveiliging met het oog op de geldende polisvoorwaarden toereikend heeft gevonden.
Zo ja, dan vergt uitleg waarom bij de geconstateerde risicoklasse 3 mocht worden volstaan met niveau “En” aan uitgevoerde maatregelen. Uit het Handboek waarop Delta Lloyd zich heeft beroepen, zou immers kunnen worden opgemaakt dat niveau “En” bij risicoklasse 3 niet volstaat.
Zo neen, dan verneemt het hof graag, hoe Delta Lloyd vervolgens heeft gehandeld en in het bijzonder of Delta Lloyd haar standpunt aan haar verzekeringnemer [firma] heeft bekend gemaakt.
- Zou Delta Lloyd de informatie uit het opleveringsbewijs uit 2004 ten onrechte hebben laten passeren, dan rijst tot slot de vraag of eerst [firma] en later [firma] v.o.f. daaraan de gerechtvaardigde verwachting heeft mogen ontlenen dat zij haar winkel had beveiligd op de wijze die Delta Lloyd van haar vroeg.

4.8

Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen teneinde Delta Lloyd de gelegenheid te bieden om het hof aanvullend voor te lichten over de vraag of zij in de fase voorafgaand aan de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomsten met [firma] v.o.f. aan haar zorgplicht jegens [firma] v.o.f heeft voldaan. [firma] v.o.f. zal daarop bij antwoordakte mogen reageren.
Daaraan zij voor de goede orde toegevoegd dat ingeval de grieven die deze kwestie aan de orde stellen slagen, het hof de in eerste aanleg onbesproken gebleven verweren van Delta Lloyd nog onder ogen heeft te zien.
In dit stadium van het geding zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

5 Beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 11 maart 2014 voor een akte aan de zijde van Delta Lloyd;

houdt iedere verdere beslissing aan.


Dit arrest is gewezen door mrs. G.B.C.M. van der Reep, A.S. Arnold en E.J.H. Schrage en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2014.