Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:3493

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-04-2014
Datum publicatie
27-08-2014
Zaaknummer
200.129.673/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2013:4308, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Alimentatie jongmeerderjarige met curator, afstandsverklaring, behoeftelijst, stiefouderverplichting, draagkrachtvergelijking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2014-0246

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 1 april 2014

Zaaknummer: 200.129.673/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: C/14/140014 / FA RK 12/665

Beschikking van de meervoudige familiekamer

in de zaak in hoger beroep van:

[x], in haar hoedanigheid van curator van [jongmeerderjarige] en voor zichzelf als wettelijk vertegenwoordiger van [minderjarige],

verzoekster in principaal appel (als curator van [jongmeerderjarige]),

verweerster in incidenteel appel (als wettelijk vertegenwoordiger van [minderjarige]),

wonende te Heerhugowaard,

advocaat: mr. M.C.A. Stoop te Heerhugowaard,

tegen

[y],

wonende te Krommenie, gemeente Zaanstad,

verweerder in principaal appel,

verzoeker in incidenteel appel,

advocaat: mr. M.L. Molenaar te Noord-Scharwoude.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

[x] wordt hierna de “vrouw” dan wel de “curator” genoemd, naar gelang de hoedanigheid waarin zij in het geding is betrokken. [y] wordt hierna de “man” genoemd.

1.2.

De curator is op 4 juli 2013 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 22 mei 2013 van de rechtbank Noord-Holland (Alkmaar), met kenmerk C/14/140014/ FA RK 12/665.

1.3.

De man heeft op 16 september 2013 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.4.

De vrouw heeft op 15 oktober 2013 een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep van de man ingediend.

1.5.

De man heeft op 2 december 2013 nadere stukken ingediend.

1.6.

De vrouw heeft op 3 december en 5 december 2013 nadere stukken ingediend.

1.7.

De zaak is op 12 december 2013 ter terechtzitting behandeld.

1.8.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

1.9.

Na afloop van de zitting hebben partijen op verzoek van het hof ieder nog stukken in het geding gebracht, de vrouw op 6 januari 2014, de man op 8 januari 2014.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben een relatie gehad die in 2000 is geëindigd. Zij zijn de ouders van [jongmeerderjarige], geboren [in] 1994, en [minderjarige], geboren [in] 2000.

2.2.

Bij beschikking van 23 mei 2001 is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [jongmeerderjarige] en [minderjarige] bepaald van NLG 550,- (€ 249,58) per kind per maand met ingang van 1 mei 2001.

2.3.

[jongmeerderjarige] heeft [in] 2012 een verklaring ondertekend, onder meer inhoudende:

Hierbij verklaar ik [jongmeerderjarige] met het bereiken van mijn 18 jarige leeftijd dat ik vanaf deze leeftijd geen aanspraak maak op de ten laste gelegde alimentatie verschuldigd door mijn vader [y] (...).

2.4.

Bij beschikking van 10 april 2012 van de rechtbank Alkmaar is [jongmeerderjarige] onder curatele gesteld wegens een geestelijke stoornis, met benoeming van [x] en [h], haar toenmalige echtgenoot, tot curator.

2.5.

Bij brief van haar advocaat van 23 oktober 2012 heeft de curator de afstandsverklaring van 18 januari 2012 vernietigd wegens misbruik van omstandigheden dan wel geestelijke stoornis van [jongmeerderjarige].

2.6.

Bij vonnis van 6 december 2012 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Alkmaar afgewezen het door de man gevorderde bevel aan de vrouw de executie van de beschikking van 23 mei 2001 te staken en gestaakt te houden.

2.7.

Bij vonnis van 1 mei 2013 heeft de voorzieningenrechter de curator wegens het ontbreken van een procesmachtiging van de kantonrechter niet‑ontvankelijk verklaard in haar vordering – samengevat – een verklaring voor recht af te geven dat voormelde verklaring van [jongmeerderjarige] buitengerechtelijk is vernietigd, dan wel subsidiair “te aanvaarden het beroep op vernietiging van voormelde rechtshandeling op grond van misbruik van omstandigheden c.q. geestelijke stoornis”.

2.8.

Bij vonnis van 31 juli 2013 heeft de voorzieningenrechter afgewezen de vordering van de curator – samengevat – te bepalen dat de man totdat nader door dit hof in de appelprocedure op het aanhangige beroep van de curator zal zijn beslist, voorlopig € 250,- per maand zal voldoen als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [jongmeerderjarige].

2.9.

Het huwelijk van de vrouw en [h] is op 4 april 2013 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 27 maart 2013 in de registers van de burgerlijke stand.

2.10.

De kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland heeft op 6 juni 2013 aan de curator machtiging verleend de onderhavige procedure aan te spannen.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.11.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in]1965. Hij is hertrouwd met […] (hierna: [p]), de moeder van [kind 1] [achternaam], geboren [in] 1992, [kind 2] [achternaam] (hierna: [kind 2]), geboren [in] 1994 en [kind 3] [achternaam], geboren [in] 1996. Hij vormt met [p], [kind 3] en [kind 1] een gezin. [kind 2] is met ingang van 1 januari 2013 uitwonend student HBO.

[p] voorziet in eigen levensonderhoud. Over 2012 bedroeg haar fiscaal loon € 55.351,- per jaar. In de salarisstrook over december 2013 staat een cumulatief fiscaal loon vermeld van € 50.383,-. De vader van [kind 2] en [kind 3] betaalt een onderhoudsbijdrage van € 136,- per kind per maand.

De man heeft een eenmanszaak. Het resultaat van die eenmanszaak bedroeg in 2010, 2011 en 2012 respectievelijk € 46.385,-, € 51.437,- en € 39.348,-.

In verband met de hypothecaire lening gevestigd op de door hem en [p] bewoonde woning betaalt hij € 8.502,- per jaar (€ 708,50 per maand) aan rente, zijnde de helft van de totale rente. Aan premie voor de levensverzekering die verband houdt met de hypothecaire lening, betaalt hij € 10,- per maand, zijnde de helft van de premie levensverzekering bij Klaverblad Verzekeringen. Hij heeft de helft van de gebruikelijke andere eigenaars- en woonlasten. Het eigenwoningforfait bedraagt € 1.812,- per jaar, waarvan slechts de helft in aanmerking zal worden genomen. De WOZ-waarde is in 2013 vastgesteld op € 302.000,-.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt hij € 131,- per maand.

Hij betaalt € 3.504,- per jaar (€ 292,- per maand) aan premie voor een lijfrente.

Hij betaalt € 1.944,- per jaar (€ 162,- per maand) aan premie voor een arbeids-ongeschiktheidsverzekering.

2.12.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1966. Zij vormt sedert 11 oktober 2013 met [minderjarige] en [jongmeerderjarige] een eenoudergezin. Zij was tot 4 april 2013 gehuwd met [h]. [h] heeft drie kinderen geboren uit een eerdere relatie. Zij heeft van 4 april 2013 tot 11 oktober 2013 nog een woning gedeeld met [h].

[h] voorzag tijdens het huwelijk in eigen levensonderhoud. Hij had blijkens de jaaropgave over 2012 in dat jaar een bruto inkomen van € 65.718,-. Aan premie voor een zorgverzekering betaalde hij in 2012 en 2013 € 160,- per maand. Het eigen risico dat aan deze verzekering was verbonden bedroeg € 18,- per maand, welk bedrag geheel werd verbruikt.

De vrouw is werkzaam in loondienst als doktersassistente voor 20 uren per week. Haar salaris bedroeg in 2012 € 17.044,- bruto per jaar. In de loonstrook over december 2013 staat een cumulatief Loon voor de loonheffing vermeld van € 16.520,84.

Ten tijde van haar huwelijk met [h] bedroeg de rente in verband met de hypothecaire lening gevestigd op de door hen bewoonde woning € 14.415,- per jaar, hetgeen neerkomt op € 1.201,- per maand. De premie voor de levensverzekering die verband hield met de hypothecaire lening bedroeg € 67,- per maand. Zij hadden de gebruikelijke andere eigenaars- en woonlasten. De WOZ-waarde is in 2012 vastgesteld op € 250.000,-.

Aan huur en enige servicekosten betaalt de vrouw met ingang van 11 oktober 2013 € 594,- per maand. De huurtoeslag bedraagt met ingang van 1 november 2013 € 226,- per maand.

Aan premie voor een zorgverzekering heeft de vrouw van [datum 1] 2012 tot 1 november 2013 € 147,- per maand betaald en vanaf 1 november 2013 € 157,- per maand. Zij ontvangt met ingang van 1 november 2013 een zorgtoeslag van € 89,- per maand.

De vrouw ontvangt vanaf 1 november 2013 een kindgebonden budget ten bedrage van € 104,- per maand.

2.13.

Ten aanzien van [jongmeerderjarige] is het volgende gebleken:

Hij heeft tot [datum 1] 2014 onderwijs gevolgd aan de Praktijkschool van Heliomare Onderwijs. Als dagbesteding is hij daarnaast werkzaam geweest in een bakkerij. Hij heeft tot [datum 1] 2014 van DUO een tegemoetkoming voor een thuiswonende scholier ontvangen van € 104,- per maand in 2012 en € 106,- per maand in 2013. Daarnaast heeft hij in 2012 een Wajong‑uitkering van € 180,- netto per maand ontvangen en in 2013 van € 203,- netto per maand, exclusief vakantietoeslag. Over de situatie vanaf [datum 1] 2014 bevinden zich geen gegevens in het dossier.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalde hij van [datum 1] 2012 tot 1 november 2013 € 155,- per maand en met ingang van 1 november 2013 € 167,- per maand. Hij ontvangt vanaf 1 februari 2012 een zorgtoeslag van € 70,- per maand, ingaande 2013 verhoogd tot € 88,- per maand.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is voor zover thans nog van belang, met wijziging van de beschikking van 23 mei 2001, de daarbij ten laste van de man vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de thans jongmeerderjarige [jongmeerderjarige] met ingang van 18 januari 2012 op nihil gesteld en is de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] met ingang van 30 augustus 2012 bepaald op € 212,- per maand, met ingang van [datum 2] 2013 op € 228,- per maand en met ingang van 4 april 2013 op € 332,- per maand. Deze beschikking is gegeven op het (gewijzigde) verzoek van de man, met wijziging van de beschikking van 23 mei 2001, de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van zowel [jongmeerderjarige] als [minderjarige] met ingang van [datum 1] 2012 op nihil te stellen, dan wel op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht. Deze beschikking is voorts gegeven op het verzoek van de vrouw, met wijziging van de beschikking van 23 mei 2001, de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] te bepalen op € 351,50 per maand met ingang van de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift, dan wel op een zodanig bedrag hoger dan € 320,56 per maand en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht.

3.2.

De curator verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, eventueel met verklaring voor recht dat de litigieuze afstandsverklaring nietig is, de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [jongmeerderjarige] te bepalen op € 212,- per maand met ingang van de dag van indiening van het inleidend verzoekschrift, te weten 30 augustus 2012, en op € 250,- per maand met ingang van 4 april 2013, althans op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als het hof juist zal achten.

3.3.

De man verzoekt het door de curator verzochte af te wijzen. In incidenteel appel verzoekt hij, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre en met wijziging van de beschikking van 23 mei 2001, te bepalen dat zijn alimentatieverplichting ten behoeve van [minderjarige] met ingang van [datum 1] 2012 op nihil wordt gesteld, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist zal achten.

3.4.

De vrouw verzoekt de man niet‑ontvankelijk te verklaren in incidenteel appel, althans het door hem verzochte af te wijzen, met veroordeling in de proceskosten.

4 Ontvankelijkheid in incidenteel appel

4.1.

De vrouw heeft een beroep gedaan op niet-ontvankelijkheid van de man in incidenteel appel. Het principaal appel betreft uitsluitend de bijdrage in kosten van levensonderhoud van de jongmeerderjarige [jongmeerderjarige] en uitsluitend de curator is procespartij. De omstandigheid dat de vrouw behalve de curator van [jongmeerderjarige] (en uit dien hoofde diens procesvertegenwoordiger) ook de wettelijk vertegenwoordiger is van [minderjarige], brengt niet mee dat de man na het verstrijken van de beroepstermijn het geschil over de aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] alsnog door het instellen van incidenteel appel aan de orde kan stellen, aldus de vrouw.

De man heeft zich beroepen op de regeling van art. 361 Rv, die kort gezegd inhoudt dat iedere in eerste aanleg verschenen belanghebbende door het hof zal worden opgeroepen, een verweerschrift kan indienen en daarmee procespartij is. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

4.2.

In eerste aanleg waren twee samenhangende verzoeken van de man aan de orde, het verzoek tot nihilstelling van de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van zijn jongmeerderjarig kind [jongmeerderjarige] en het verzoek tot wijziging van de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van zijn minderjarig kind [minderjarige]. Dit laatste verzoek heeft de man nadien aldus gewijzigd dat hij ook voor [minderjarige] nihilstelling heeft verzocht. De rechtbank heeft beide verzoeken als behorende tot één zaak beschouwd en in één beschikking afgedaan. De rechtbank heeft de vrouw (in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [minderjarige]) en [jongmeerderjarige] zelf als belanghebbenden (partijen) aangemerkt.

4.3.

Gelet op het voorgaande staat de omstandigheid dat de vrouw uitsluitend als curator van [jongmeerderjarige] hoger beroep heeft ingesteld en dit beroep heeft beperkt tot het geschil over de bijdrage voor [jongmeerderjarige] er naar het oordeel van het hof niet aan in de weg dat de man in zijn op de voet van art. 361 lid 4 Rv ingestelde incidenteel appel het geschil over de bijdrage voor [minderjarige] wederom aan de orde stelt. De door het hof op de voet van artikel 361 lid 1 Rv aan mr Stoop gezonden brief met daarin een oproeping aan [x] c.s. is aldus te verstaan dat de vrouw daarmee tevens als wettelijk vertegenwoordiger van [minderjarige] is opgeroepen. De man kan in zijn incidenteel appel worden ontvangen.

5 Beoordeling van het hoger beroep

In principaal appel: onderhoudsbijdrage [jongmeerderjarige]

Afstandsverklaring

5.1.

Met haar grieven 1 en 2 die zich lenen voor een gezamenlijke behandeling, komt de curator op tegen de nihilstelling van de onderhoudsbijdrage voor [jongmeerderjarige] op grond van de door [jongmeerderjarige] ondertekende afstandsverklaring. Volgens de curator is deze verklaring bij brief van 23 oktober 2013 rechtsgeldig vernietigd op grond van misbruik van omstandigheden dan wel omdat [jongmeerderjarige] deze verklaring heeft afgelegd onder invloed van een geestelijke stoornis. Daarnaast is deze verklaring in strijd met het bepaalde in art. 1:400 lid 2 en ook op die grond nietig. De man voert hiertegen aan dat hij niet heeft berust in de buitengerechtelijke vernietiging van de afstandsverklaring en dat daarover in de bodemprocedure bij de rechtbank nog geen uitsluitsel is gegeven. Volgens de man is hier geen sprake van afstand van een wettelijke recht op levensonderhoud, doch van een verklaring van [jongmeerderjarige] dat hij (voortaan) geen aanspraak meer op betaling van een onderhoudsbijdrage maakt, hetgeen niet in strijd met de wet is (HR 22 okt. 1999, NJ 1999, 817). Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

5.2.

De door [jongmeerderjarige] [in] 2012 ondertekende verklaring staat er niet aan in de weg dat het bedrag van zijn uit de wet (art. 1:395a BW) voortvloeiende aanspraak op een onderhoudsbijdrage thans in rechte wordt vastgesteld. Immers, indien deze verklaring aldus dient te worden uitgelegd dat [jongmeerderjarige] daarbij afstand van dit wettelijke recht heeft gedaan, is deze verklaring nietig op grond van art. 1:400 lid 2 BW. Indien deze verklaring een minder vergaande strekking heeft, te weten dat [jongmeerderjarige] daarmee te kennen geeft dat hij met ingang van [datum 1] 2012 geen aanspraak meer maakt op betaling door de man van de in de wet voorziene onderhoudsbijdrage, is deze nietigheid niet aan de orde. In dat geval heeft de curator echter nog wel belang bij vaststelling van het bedrag van de onderhoudsbijdrage, aangezien de curator vanaf 10 april 2012 de vermogensrechtelijke belangen van [jongmeerderjarige] behartigt en vanuit die verantwoordelijkheid wel aanspraak maakt op een onderhoudsbijdrage voor [jongmeerderjarige]. Of de verklaring van [jongmeerderjarige] daarnaast nietig is op grond van een wilsgebrek of een geestelijke stoornis behoeft gelet op het voorgaande geen behandeling meer, aangezien deze verklaring hoe dan ook niet in de weg staat aan vaststelling van de wettelijke aanspraak van [jongmeerderjarige] op een onderhoudsbijdrage. De grieven 1 en 2 slagen in zoverre.

Behoefte [jongmeerderjarige]


5.3. Het hof zal eerst de behoefte van [jongmeerderjarige] bepalen. De curator stelt in dit verband (in de toelichting op grief 3) dat de aanvullende behoefte van [jongmeerderjarige] afgerond € 250,- per maand bedraagt, te weten de behoefte van een thuiswonende student van € 535,- minus de Wajong-uitkering van € 182,- en de tegemoetkoming van DUO van € 104,- per maand. [jongmeerderjarige] heeft weliswaar niet alle kosten die een student heeft, maar heeft wel extra kosten in verband met zijn handicap. De curator heeft (bij op 3 december 2013 ingekomen formulier) een lijst overgelegd van de daadwerkelijke uitgaven van [jongmeerderjarige] in 2012, en stelt dat deze uitgaven in totaal een bedrag van € 928,- per maand betreffen. De man voert als verweer dat [jongmeerderjarige] geen behoefte aan een bijdrage heeft gelet op zijn eigen inkomsten. [jongmeerderjarige] betaalt geen lesgeld of studiekosten zodat de WSF‑norm met circa € 170,- moet worden verlaagd tot € 365,- per maand. Hierop dienen de Wajong-uitkering, de DUO tegemoetkoming scholieren en de zorgtoeslag van € 70,- in mindering te worden gebracht. Voorts werkt [jongmeerderjarige] in een bakkerij en met zijn inkomsten daaruit dient rekening te worden gehouden. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

5.4.

De door de curator overgelegde behoeftelijst heeft de man niet gemotiveerd betwist. Op het totaal bedrag van € 928,- aan uitgaven per maand in 2012 dient in mindering te komen de Wajong-uitkering van € 180,-, de DUO-tegemoetkoming van € 104,- en de zorgtoeslag van € 70,- per maand. Geen rekening zal worden gehouden met de door de man gestelde inkomsten van [jongmeerderjarige] voor zijn dagbesteding bij een bakkerij. De man heeft hiervan geen andere onderbouwing gegeven dan een uitlating van [jongmeerderjarige] zelf en daarvan kan niet worden uitgesloten dat deze niet op een juiste inschatting van zaken berust. Uitgaande van deze lijst komt de aanvullende behoefte van [jongmeerderjarige] uit op € 574,- in 2012. De curator is zelf van een behoefte van € 535,- per maand uitgegaan en een aanvullende behoefte van € 250,-. Dit bedrag is (kennelijk) afkomstig van het NIBUD Studentenonderzoek uit 2011-2012, waarin dit bedrag als gemiddelde besteedbaar maandinkomen van een thuiswonende student (WO en HBO) wordt genoemd. Wat daar verder van zij, de curator heeft genoegzaam aangetoond dat de aanvullende behoefte van [jongmeerderjarige] (tenminste) € 250,- per maand bedraagt. In de hierna te verrichten draagkrachtvergelijking zal met deze behoefte van [jongmeerderjarige] rekening worden gehouden, met dien verstande dat de curator haar verzoek heeft beperkt tot een onderhoudsbijdrage van € 212,- per maand over het tijdvak van 30 augustus 2012 tot 4 april 2013.

5.5.

Met ingang van [datum 1] 2014 is de situatie van [jongmeerderjarige] gewijzigd, aangezien hij vanaf die datum niet langer een opleiding volgt en – zo stelt de man – een volledige Wajong-uitkering ontvangt. Partijen hebben echter niet zodanige (financiële en andere) gegevens overgelegd dat vanaf die datum de aanvullende behoefte van [jongmeerderjarige] opnieuw kan worden beoordeeld. In het bijzonder ontbreken gegevens over de kosten van de (volgens de vrouw ook dan nog noodzakelijke) dagbesteding, de mate waarin nog vergoedingen worden verstrekt op basis van een (alsdan te verkrijgen nieuwe CIZ-indicatie) en de wijze waarop dit in zijn Wajong-uitkering wordt verdisconteerd. Het hof ziet gelet op de proceshouding van partijen hier thans geen taak voor zich weggelegd. Vooralsnog wordt ervan uitgegaan dat de behoefte van [jongmeerderjarige] aan een onderhoudsbijdrage blijft bestaan tot [datum 1] 2015, de dag waarop [jongmeerderjarige] 21 jaar oud wordt.

In incidenteel appel: onderhoudsbijdrage voor [minderjarige]

Behoefte [minderjarige]

5.6.

De rechtbank heeft de behoefte van [minderjarige] vastgesteld op basis van het gemiddelde inkomen van de man over de jaren 2010, 2011 en 2012 van € 45.723,- bruto waarmee correspondeert een netto inkomen van € 3.070,- per maand. In hoger beroep is onbestreden gebleven dat uitgaande van dit netto inkomen de behoefte van [minderjarige] met toepassing van de Tabel 2012 ‘Eigen aandeel kosten van kinderen’ op € 332,- netto per maand uitkomt. Onduidelijk is gebleven met welk aantal punten de rechtbank daarbij heeft gerekend. De man komt met zijn grief 1 in incidenteel appel echter niet op tegen de wijze waarop de tabel is toegepast. Hij stelt dat uitgegaan dient te worden van de lagere winst in 2013 althans van de lagere winst in 2012. Het hof verwerpt deze stelling. Over 2013 heeft de man niet zodanige cijfers overgelegd dat kan worden nagegaan dat in dat jaar inderdaad een substantieel lagere winst is behaald dan de gemiddelde winst over de drie daaraan voorafgaande jaren. Evenmin kan worden vastgesteld dat de lagere winst in 2012 inderdaad structureel is. Hoewel de door de rechtbank berekende behoefte slechts enigszins hoger uitvalt dat de vanaf 2001 geïndexeerde kinderbijdrage van € 321,- per maand, neemt dit niet weg dat [minderjarige] mee kan profiteren van de welvaartsstijging in het (nieuwe) gezin van de man. Daarbij komt nog dat de bijdrage in 2001 niet is vastgesteld op basis van de behoefte van [minderjarige] maar op grond van de (toenmalige) draagkracht van de man, onder andere rekening houdende met het fiscale voordeel bij de man, zodat de twee bedragen (€ 332,- respectievelijk € 321,-) zich ook niet laten vergelijken. De onderhoudsverplichting van de man voor de drie kinderen van zijn nieuwe partner zal in het kader van de verdeling van zijn draagkracht over zijn vijf onderhoudsgerechtigde kinderen in aanmerking worden genomen en speelt bij de vaststelling van de behoefte van [minderjarige] verder geen rol. Grief 1 van de man faalt. De behoefte van [minderjarige] wordt gehandhaafd op € 332,- netto per maand in 2012.

5.7.

Met ingang van 1 november 2013 ontvangt de vrouw een kindgebonden budget voor [minderjarige] van € 104,- per maand. Het hof ziet hierin aanleiding per die datum de behoefte van [minderjarige] opnieuw te berekenen met toepassing van de nieuwe richtlijn kinderalimentatie. Hoewel de nieuwe richtlijn ook al van toepassing is op de berekening van de onderhoudsbijdrage voor [minderjarige] over de periode van 4 april 2013 (per die datum is [h] niet langer onderhoudsplichtig hetgeen een wijziging van omstandigheden oplevert) tot 1 november 2013, kan voor die periode de behoefte zoals berekend met toepassing van de oude richtlijn gehandhaafd blijven aangezien dit niet tot een andere uitkomst leidt. De man heeft geen volledige inkomensgegevens over 2013 overgelegd. Uitgegaan zal worden van het gemiddelde netto inkomen van de man over de jaren 2010, 2011 en 2012 van € 3.070,-. Na verhoging met de toepasselijke index van 1,7 % komt dit uit op een netto inkomen van € 3.122,- in 2013. Een inkomen van de vrouw wordt niet in aanmerking genomen aangezien in 2000, bij het uiteengaan, de vrouw geen eigen inkomen had. Hoewel in 2000 nog geen kindgebonden budget bestond brengt een redelijke toepassing van de nieuwe richtlijn mee dat dit bedrag zal worden vermeerderd met het bedrag van het kindgebonden budget van € 104,- waarmee het netto gezinsinkomen in 2013 uitkomt op € 3.226,-. Voor toepassing van de tabel 2013 ‘Eigen aandeel kosten van kinderen’ zal worden uitgegaan van de gezinssituatie bij het uiteengaan van partijen in 2000: [jongmeerderjarige] was toen 6 jaar en [minderjarige] 0 jaar oud, hetgeen 6 punten oplevert. De tabel voor 2 kinderen (2013) toont bij een netto gezinsinkomen van € 3.000,- een bedrag van € 675,- en bij € 3.500,- een bedrag van € 805,-. Het hof zal het gemiddelde van deze twee bedragen nemen, zijnde € 740,-. Verminderd met het kindgebonden budget van € 104,- per maand bedraagt de behoefte van [minderjarige] op basis van de nieuwe richtlijn vanaf 1 november 2013 € 318,- netto per maand.

Draagkracht vrouw

5.8.

De man heeft zich in zijn inleidende verzoekschrift onder 10 op het standpunt gesteld dat de vrouw uit hoofde van haar inkomen over 2011 en 2012 geen draagkracht had. In zijn ‘akte wijziging verzoekschrift’ onder 6 handhaaft de man dit standpunt, met dien verstande dat hij daarnaast stelt dat de vrouw meer uren kan gaan werken. De rechtbank heeft deze stelling onder 5.2 van de bestreden beschikking verworpen en de man heeft daar geen grief tegen gericht. De man stelt thans (in tweede onderdeel van grief 7 in incidenteel appel) dat de vrouw vanaf 4 april 2013 aanspraak kan maken op partneralimentatie van [h] en dat haar draagkracht hierdoor is vergroot. Ter zitting bij de rechtbank van 9 april 2013 heeft de vrouw verklaard dat zij bij de echtscheiding met [h] voor drie jaren heeft afgezien van partneralimentatie in verband met de moeilijke financiële situatie van haar en [h] en de noodzaak de voormalig echtelijke woning (met een restschuld) te verkopen. Ter zitting bij het hof is naar voren gekomen dat de vrouw ná 4 april 2013 bij [h] is blijven wonen in afwachting van het verkrijgen van een eigen huurwoning. Met ingang van 11 oktober 2013 is dit gelukt. De man heeft onvoldoende geconcretiseerd dat tot 11 oktober 2013 niettemin aanspraak op partneralimentatie bestaat. Ook voor de periode vanaf 11 oktober 2013 heeft de man onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat [h] – die onderhoudsplichtig is voor drie kinderen (de man stelt twee kinderen, maar licht dit verder niet toe) - over voldoende draagkracht beschikt voor het betalen van partneralimentatie aan de vrouw. Dit onderdeel van grief 7 van de man faalt.

Vanaf 4 april 2013 dient het hof de nieuwe richtlijn kinderalimentatie toe te passen. Het inkomen van de vrouw bedroeg in 2013 € 16.521,- bruto per jaar. Dat komt neer op een netto besteedbaar inkomen van € 14.786,- per jaar, dat wil zeggen € 1.232,- netto per maand. Op grond van de toepasselijke draagkrachttabel kan de vrouw vanaf 4 april 2013 in totaal € 50,- per maand bijdragen voor [minderjarige] en [jongmeerderjarige]. Het hof zal hiermee bij de draagkrachtverdeling rekening houden.

Draagkracht [h]

5.9.

De rechtbank heeft de draagkracht van [h] in 2012 inclusief fiscaal voordeel op een bedrag van € 1.238,- per maand gesteld en dit bedrag gelijkelijk verdeeld over zijn drie eigen kinderen en over [minderjarige], dat wil zeggen € 310,- per kind per maand. Met grief 2 in incidenteel appel bestrijdt de man dit. Volgens hem heeft de rechtbank ten onrechte rekening gehouden met een twee derde aandeel van [h] in de woonlasten in plaats van toerekening van de helft van de gezamenlijke woonlasten. Ook is niet aangetoond dat [h] omgangskosten heeft ten bedrage van € 110,- per maand en dat hij reiskosten heeft van € 67,- per maand en kledingkosten van € 50,- per maand, aangezien [h] langdurig arbeidsongeschikt is. Tenslotte draagt [h] vanaf 1 mei 2013 niet meer bij in de kosten van één van zijn kinderen, aldus de man. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

5.10.

De afwijkende toerekening van de woonlasten (tot 4 april 2013) aan [h] en aan de vrouw vindt voldoende rechtvaardiging in het aanmerkelijke verschil in beschikbaar inkomen. Van de vrouw kan onder deze omstandigheden niet worden gevergd dat zij voor meer dan een derde gedeelte bijdraagt aan de gezamenlijke woonlasten. De omgangskosten van € 110,- per maand voor drie kinderen zijn niet onredelijk en overigens onvoldoende bestreden. Hetzelfde geldt voor de reiskosten en representatiekosten (kleding). Grief 2 van de man faalt.

5.11.

Het hof houdt verder rekening met een bruto jaarinkomen in 2012 van € 65.718,- met een premie zorgverzekering van € 160,- per maand en met een eigen risico van € 18,- per maand. Het hof berekent de draagkrachtruimte van [h] op € 1.626,- per maand en de voor kinderbijdragen beschikbare draagkracht op € 1.138,- per maand (70%). De man heeft onvoldoende gemotiveerd bestreden dat [h] tot 4 april 2013 deze draagkracht diende te verdelen over diens eigen drie kinderen en over [minderjarige] en [jongmeerderjarige]. Bij gebreke van concrete gegevens over een verschil in behoefte tussen de kinderen dient deze draagkracht gelijkelijk over deze vijf kinderen te worden verdeeld. Voor [minderjarige] en [jongmeerderjarige] is derhalve aan draagkracht beschikbaar in totaal € 455,- per maand.

Draagkracht man

5.12.

Met grief 3 in incidenteel appel betoogt de man dat ten onrechte is uitgegaan van de gemiddelde winst over de jaren 2010 tot en met 2012. Hij stelt dat de winst over 2013 maatgevend is, althans de winst over 2012. In dat jaar is de winst ongeveer een kwart gedaald ten opzichte van 2011. Ook in 2013 blijft de winst onder druk staan. Deze stelling wordt verworpen. Over 2013 heeft de man niet zodanige cijfers overgelegd dat kan worden nagegaan dat in dat jaar inderdaad een substantieel lagere winst is behaald dan de gemiddelde winst over de drie daaraan voorafgaande jaren. Evenmin kan worden vastgesteld dat de lagere winst in 2012 inderdaad structureel is. Het hof zal bij gebreke van andere gegevens uitgaan van de gemiddelde winst over deze jaren van € 45.723,-.

5.13.

Met grief 4 in incidenteel appel stelt de man een aantal lasten (opnieuw) aan de orde. De AEGON Levensloop Vermogen polis met een maandpremie van € 165,99 is ten onrechte niet meegenomen hoewel deze aan de hypotheek is verbonden. Ook had rekening gehouden moeten worden met de schulden die zijn ontstaan door betalingsachterstanden van zijn opdrachtgevers, aldus de man. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. De man heeft genoegzaam aangetoond dat de AEGON Levensloop Vermogen polis (met nummer L60612336) tot zekerheid voor de hypotheekschuld is verpand. De maandpremie van (afgerond) € 170,- zal voor de helft in aanmerking worden genomen bij de woonlasten. In zoverre slaagt grief 4. Voor wat betreft de schulden heeft als uitgangspunt te gelden dat alleen rekening wordt gehouden met de noodzakelijke lasten, die ten opzichte van het kind als redelijke uitgaven kunnen worden beschouwd. Hieronder vallen de schulden die uit de relatie van partijen stammen, omdat die schulden ook een druk op het gezinsbudget zouden hebben gelegd als partijen niet uit elkaar zouden zijn gegaan. De man heeft niet aangetoond dat de schuld bij ABN AMRO uit hoofde van het flexibele krediet en de debetstand op de privérekening van vóór het uiteengaan van partijen (in 2000) stammen. De omstandigheid dat de laatste opname onder dit krediet op 22 december 2004 is gedaan is daarvoor onvoldoende. Hetzelfde geldt voor de creditcardschulden bij ING, VISA, Laser en ANWB. Overige schulden, waaronder de debetstand op de zakelijke rekening bij ABN AMRO, hebben evenmin voorrang op de onderhoudsverplichting jegens het kind. De door de man gestelde feiten of omstandigheden - kort gezegd: schulden door liquiditeitsproblemen als gevolg van betalingsachterstanden bij zijn opdrachtgevers in verband met de malaise in de bouw en advocaatkosten - rechtvaardigen geen uitzondering op dat uitgangspunt. De door de man opgevoerde schulden zullen niet in aanmerking worden genomen. In zoverre faalt grief 4.

5.14.

Het hof zal tot 4 april 2013 rekening houden, op maandbasis, met de helft van de woonlasten van de man en zijn nieuwe echtgenote, zijnde € 708,50 hypotheekrente, € 85 premie AEGON Levensloop Vermogen polis, € 10,- premie Klaverbladpolis en € 75,50 eigenwoningforfait, alsmede met € 131,- premie zorgverzekering, € 292,- premie lijfrente en € 162,- premie arbeidsongeschiktheidsverzekering. Het hof berekent de draagkrachtruimte van de man in 2012 op € 1.158,- per maand. Hiervan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie, zijnde € 811,- nog te vermeerderen met € 58,- fiscaal voordeel voor [minderjarige], derhalve in totaal € 869,- per maand. Ook in zoverre faalt grief 4 van de man.

5.15.

De man dient deze draagkracht te verdelen over zijn eigen twee kinderen en over de drie kinderen van zijn nieuwe partner. De rechtbank heeft overwogen dat de man voor in totaal € 134,- per maand in de kosten van [kind 3] (16 jaar) en [kind 2] (19 jaar) dient bij te dragen en (tot [datum 2] 2013) voor € 135,- per maand in de kosten van [kind 1], waarbij de rechtbank de totale behoefte van [kind 1], [kind 2] en [kind 3] heeft gesteld op € 270,- per kind per maand en voorts rekening heeft gehouden met de onderhoudsbijdragen van € 136,- per maand die [p] ontvangt voor [kind 2] en [kind 3]. De man stelt met zijn grief 5 dat de behoefte van [kind 1] en [kind 2] hoger is: zij studeren aan een HBO en hun behoefte als thuiswonende student is € 765,87 per maand, uitgaande van de normen van de Wet Studiefinanciering. Ook na [datum 2] 2013 voorziet de man nog in de behoefte van [kind 1] aangezien hij niet is afgestudeerd. Inmiddels is [kind 1] op kamers gaan wonen en is zijn behoefte hoger geworden. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De man heeft genoegzaam aangetoond dat [kind 1] nog studeert en het is voldoende aannemelijk geworden dat ook na [datum 2] 2013 een (aanvullende) behoefte resteert die (mede) ten laste van de man komt. In zoverre slaagt grief 5. Het hof ziet echter geen aanleiding met een hogere behoefte voor [kind 2] en [kind 1] rekening te houden op de grond dat zij (inmiddels) allebei HBO-studenten zijn. De man heeft onvoldoende concrete gegevens verschaft over hun lasten en inkomen (waaronder studiefinanciering) om een hogere (aanvullende) behoefte aan te kunnen nemen dan het bedrag van € 270,- per maand dat de rechtbank heeft gehanteerd. Rekening zal worden gehouden met een bijdrage van de man van € 67,- per kind per maand voor [kind 3] en voor [kind 2] en een bijdrage van € 135,- per maand voor [kind 1]. In zoverre faalt grief 5.

Van de beschikbare draagkracht van de man van € 869,- resteert derhalve (voor de periode tot 4 april 2013) in totaal een bedrag van € 600,- per maand voor [minderjarige] en [jongmeerderjarige] gezamenlijk. Grief 6 van de man faalt in zoverre.

5.16.

Met ingang van 4 april 2013 dient de draagkracht van de man met toepassing van de nieuw richtlijn kinderalimentatie te worden berekend aangezien het wegvallen van de onderhoudsplicht van [h] een relevante wijziging van omstandigheden oplevert. Het hof gaat bij gebreke van recente andere gegevens uit van een inkomen van de man gelijk aan de gemiddelde winst over de jaren 2011, 2011 en 2012 € 45.723,-. Geïndexeerd naar 2013 (met 1,7%) bedraagt dit € 46.500,- bruto per jaar. Het netto besteedbare inkomen (NBI) bedraagt € 34.844,- per jaar, dat wil zeggen € 2.907,- per maand. De draagkracht zal worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 850,-)], nu het een netto besteedbaar inkomen betreft dat hoger is dan € 1.500,- per maand. Deze benadering houdt in dat aan de zijde van de man op het besteedbaar inkomen 30% in mindering zal worden gebracht in verband met forfaitaire woonlasten, dat rekening zal worden gehouden met een bedrag van € 850,- aan overige lasten en dat zal worden uitgegaan van een draagkrachtpercentage van 70. Dit resulteert in een draagkracht van € 830,- per maand met ingang van 4 april 2013. Na aftrek van de bijdragen voor [kind 1], [kind 2] en [kind 3] van in totaal € 269,- resteert voor [jongmeerderjarige] en [minderjarige] een bedrag van € 559,- per maand. Het fiscaal voordeel in verband met de bijdrage voor [minderjarige] bedraagt € 53,-. Het in totaal voor [jongmeerderjarige] en [minderjarige] beschikbare bedrag is inclusief dit fiscaal voordeel € 612,- per maand.

5.17.

Het bewijsaanbod van de man is niet concreet. Hij geeft niet aan op welk geschilpunt hij nader bewijs wenst te leveren door geschrift of door het horen van getuigen. Het hof zal daaraan voorbij gaan.

In principaal en in incidenteel appel: draagkrachtvergelijking en vaststelling bijdragen

5.18.

Partijen dienen naar rato van hun draagkracht bij te dragen in de (aanvullende) behoefte van [jongmeerderjarige] en van [minderjarige] over de in geding zijnde perioden. Met ingang van 4 april 2013 zal daarbij geen rekening meer worden gehouden met de draagkracht van [h] en zal de nieuwe richtlijn worden toegepast. Aan de zijde van de vrouw is er dan een draagkracht van € 50,- per maand. Met grief 7 (eerste onderdeel) betoogt de man dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [h] met ingang van 4 april 2013 niet langer onderhoudsplichtig is voor [minderjarige] (en [jongmeerderjarige]) aangezien tot 11 oktober 2013 geen wijziging in de woon- en leefsituatie van de vrouw en [h] heeft plaatsgevonden. Deze grief faalt. De onderhoudsplicht van [h] als stiefvader berust op art. 1:395 BW. Door het einde van het huwelijk met de vrouw is deze onderhoudsplicht geëindigd. De omstandigheid dat [h] nog woonruimte heeft verschaft aan de vrouw en aan haar twee kinderen verlengt deze onderhoudsplicht niet.

Met ingang van 1 november 2013 zal – voor zover het [minderjarige] betreft – rekening worden gehouden met een lagere behoefte van € 318,- netto per maand in verband met het kindgebonden budget en wederom met een draagkracht van € 50,- per maand bij de vrouw.

Voor [minderjarige] heeft de rechtbank de onderhoudsbijdrage met ingang van 30 augustus 2012 gewijzigd. De man had op 30 augustus 2012 verlaging van de bijdrage voor [minderjarige] met ingang van 1 juni 2012 verzocht, de vrouw had verhoging (tot € 351,50 per maand) eveneens met ingang van 30 augustus 2012 verzocht. Het hof zal voor [minderjarige] als ingangsdatum voor de wijziging 30 augustus 2012 hanteren. Er bestaat onvoldoende aanleiding een verdergaande terugwerkende kracht aan te nemen dan de datum van het inleidende wijzigingsverzoek van de man.

Voor [jongmeerderjarige] heeft de rechtbank de onderhoudsbijdrage met ingang van 18 januari 2012 op nihil gesteld. De man had in zijn op 30 augustus 2012 ingekomen verzoekschrift nihilstelling met ingang van [datum 1] 2012 verzocht. De curator verzoekt thans vaststelling van de onderhoudsbijdrage op € 212,- eveneens met ingang van 30 augustus 2012, en op € 250,- met ingang van 4 april 2013. Het hof zal voor [jongmeerderjarige] eveneens als ingangsdatum 30 augustus 2012 hanteren. Er bestaat onvoldoende aanleiding een verdergaande terugwerkende kracht aan te nemen dan de datum van het inleidende wijzigingsverzoek van de man. De onderhoudsplicht van de man voor [jongmeerderjarige] eindigt (in beginsel) op [datum 1] 2015, de dag waarop [jongmeerderjarige] 21 jaar oud wordt.

30 augustus 2012 tot 4 april 2013

5.19.

De man heeft voor [minderjarige] en [jongmeerderjarige] een bedrag van € 600,- per maand aan draagkracht beschikbaar, [h] een bedrag van € 455,- per maand. De vrouw heeft geen draagkracht. De gezamenlijk beschikbare draagkracht bedraagt € 1.055,-. De behoefte van [minderjarige] van € 332,- netto per maand en van [jongmeerderjarige] van € 250,- per maand zullen naar rato hiervan over de man en [h] worden verdeeld. De man is in staat een bijdrage te betalen voor [minderjarige] van: 600/1.055*€ 332 = € 189,- per maand en voor [jongmeerderjarige] van: 600/1.055*€ 250 = € 142,- per maand. De beschikking van de rechtbank Alkmaar van 23 mei 2001 zal dienovereenkomstig worden gewijzigd.

4 april 2013 tot 1 november 2013

5.20.

De man heeft ingaande 4 april 2013 voor [minderjarige] en [jongmeerderjarige] een bedrag van € 612,- per maand aan draagkracht beschikbaar. De vrouw heeft een eigen draagkracht van € 50,- per maand. De gezamenlijk beschikbare draagkracht bedraagt € 662,- per maand. De behoefte van [minderjarige] bedraagt in 2013 (na indexatie met 1,7%) € 338,- per maand en van [jongmeerderjarige] € 250,- derhalve in totaal € 588,-. Er vindt geen omgang plaats tussen de man en [jongmeerderjarige] of [minderjarige], zodat zorgkorting verder niet aan de orde is. Naar rato van draagkracht worden de onderhoudsbijdragen als volgt tussen de man en de vrouw verdeeld.

De bijdrage van de man voor [minderjarige] komt uit op 612/662*€ 338 = € 312,- per maand.

De bijdrage van de man voor [jongmeerderjarige] komt uit op 612/662*€ 250 = € 231,- per maand.

De man stelt dat vaststelling van de onderhoudsbijdragen op deze bedragen voor hem tot een onaanvaardbaar resultaat leidt, omdat hij dan niet meer in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud van zijn gezin kan voorzien; hij genoot in 2013 feitelijk een netto besteedbaar inkomen van € 2.327,- per maand en hij had veel extra lasten en verplichtingen ten gevolge van schulden. De man beroept zich op het als productie 18 (bij zijn brief van 28 november 2013) overgelegde overzicht van zijn maandlasten dat uitkomt op een totaal bedrag van afgerond € 4.800. De vrouw c.q. de curator heeft het standpunt van de man (gemotiveerd) betwist. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De man heeft (hoewel hij dit in zijn verweerschrift tevens incidenteel appel onder 25 aankondigt en het hof hem daartoe ook in de gelegenheid heeft gesteld) niet zodanige financiële gegevens over 2013 overgelegd dat zijn netto besteedbaar inkomen in dat jaar met voldoende mate van nauwkeurigheid kan worden bepaald. Het hof zal daarom ook bij toepassing van de aanvaardbaarheidstoets uitgaan van de in de jaren 2010, 2011 en 2012 gemiddeld behaalde winst uit onderneming en het op die basis berekende netto besteedbare inkomen van € 2.907,- per maand in 2013. Daarnaast beschikt de partner van de man ([p]) over een vergelijkbaar netto besteedbaar inkomen. Tegen deze achtergrond heeft de man onvoldoende onderbouwd dat uit deze twee inkomens de noodzakelijke kosten van zijn gezin niet langer kunnen worden voldaan als onderhoudsbijdragen voor [minderjarige] en [jongmeerderjarige] worden vastgesteld als hierboven vermeld. Daarbij komt dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de hogere lasten en verplichtingen uit hoofde van de creditcard schulden bij onder andere ING, VISA en Laser Cards noodzakelijke kosten van het gezin betreffen en dat de man deze niet redelijkerwijze had kunnen (en ook behoren) te vermijden. Het beroep op de aanvaardbaarheidstoets faalt. De man is in staat voor [jongmeerderjarige] respectievelijk [minderjarige] met ingang van 4 april 2013 een onderhoudsbijdrage te betalen van € 231,- respectievelijk € 312,- per maand en de door de man te betalen bijdragen zullen dienovereenkomstig worden vastgesteld.

met ingang van 1 november 2013

5.21.

De behoefte van [minderjarige] bedraagt ingaande 1 november 2013 € 318,- netto per maand. De man beschikt over een draagkracht van € 612,- per maand en de vrouw over een draagkracht van € 50,- per maand derhalve in totaal € 662,- per maand. Er vindt geen omgang plaats tussen de man en [minderjarige], zodat zorgkorting niet aan de orde is. Naar rato van draagkracht komt de bijdrage van de man voor [minderjarige] uit op 612/662*€ 318 = € 294,- per maand. De bijdrage van de man voor [jongmeerderjarige] blijft ongewijzigd € 231,- per maand.

Het beroep van de man op onaanvaardbaarheid van het opleggen van deze onderhoudsbijdragen faalt op de gronden als hiervoor onder 5.20 vermeld. De bijdrage voor [minderjarige] zal met ingang van 1 november 2013 nader worden vastgesteld op € 294,- per maand.

5.22.

Op grond van de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld en van hetgeen hiervoor is overwogen, zijn door de man te betalen en hiervoor onder 5.19, 5.20 en 5.21 vermelde bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] respectievelijk van levensonderhoud en studie van [jongmeerderjarige] in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. In geval van [jongmeerderjarige] eindigt de onderhoudsplicht van de man (vooralsnog) op [datum 1] 2015, de dag waarop [jongmeerderjarige] 21 jaar oud wordt.

5.23.

De curator heeft verzocht de man te veroordelen in de kosten van het incidenteel appel. Het hof ziet daarvoor geen aanleiding. Dit verzoek zal worden afgewezen.

5.24.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 Beslissing

Het hof:

in principaal en in incidenteel appel:

vernietigt de bestreden beschikking;

wijzigt de beschikking van 23 mei 2001 van de rechtbank Alkmaar aldus dat de daarbij ten laste van de man vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [jongmeerderjarige] (geboren [in] 1994) aldus nader wordt vastgesteld dat de man aan [jongmeerderjarige] met ingang van 30 augustus 2012 een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie dient te betalen van € 142,- per maand en met ingang van 4 april 2013 van € 231,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

wijzigt de beschikking van 23 mei 2001 van de rechtbank Alkmaar aldus dat de daarbij ten laste van de man vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (geboren [in] 2000) met ingang van 30 augustus 2012 nader wordt vastgesteld op € 189,- per maand, met ingang van 4 april 2013 op € 312,- per maand en met ingang van 1 november 2013 op € 294,- per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. W.J. van den Bergh, A. van Haeringen en J.W. van Zaane in tegenwoordigheid van mr. J.H.M. Kessels als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2014.