Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:3430

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-08-2014
Datum publicatie
21-11-2014
Zaaknummer
200.134.970-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoefkatrol paard. Vordering schadevergoeding op grond van overeenkomst dan wel onrechtmatige daad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.134.970/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 1369377\HA EXPL 12-1046

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 19 augustus 2014

inzake

[appellante],

wonend te [woonplaats 1],

appellante,

advocaat: mr. R.F. de Jong te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde],

wonend te [woonplaats 2], gemeente [gemeente],

geïntimeerde,

advocaat: mr. N. Baouch te Amstelveen.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante] en [geïntimeerde] genoemd.

[appellante] is bij dagvaarding van 4 april 2013 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 9 januari 2013, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 21 mei 2014 doen bepleiten door hun advocaten. [appellante] heeft nog een productie in het geding gebracht.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellante] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog [geïntimeerde] - uitvoerbaar bij voorraad - zal veroordelen haar een bedrag van

€ 6.004,81 te betalen met rente, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellante] in de kosten van (zo begrijpt het hof) het geding in hoger beroep.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis een aantal feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. De feiten komen neer op het volgende.

a. [appellante] heeft op 21 februari 2006 een paard genaamd [X]

(hierna te noemen: het paard) gekocht voor een bedrag van € 5.000,-. Het paard was

ten tijde van de koop bijna 19 jaren oud. In het verleden was het paard gebruikt voor

de Westernsport.

b. In mei 2007 is [appellante] met [geïntimeerde] overeengekomen dat [geïntimeerde] het paard

in de zomer van 2007 zou gaan verzorgen. Als wederprestatie mocht [geïntimeerde] het

paard berijden.

c. Hierna heeft [geïntimeerde] gedurende ongeveer drie maanden de zorg voor het paard

op zich genomen.

d. In juli 2007 heeft [appellante] geconstateerd dat het paard kreupel liep.

e. Een dierenarts van de universiteit Utrecht heeft het paard vervolgens medisch

onderzocht. In het door de arts opgemaakte rapport van medisch onderzoek van 12

oktober 2007 staat onder meer:

“(…)

Klacht: 21 jarige Quarter, ooit geïmporteerd uit de USA: een ouderwetsche dus,

sinds 2 jaar in bezit van huidige eigenaresse. Sinds 9 weken kreupel, 3

weken geleden blootvoets, 2 weken geleden medisch beslag gehad,

verbetert niet.

(...)

Conclusie: Voorbenen: vlakke stand hoefbeen. Geringe hoge overhoef.

Straalbeentjes: klasse 4. Sesambeentjes: klasse 2. Kogelarthrose: klasse

2.(...)

Diagnose: Podotrochleose (opmerking hof: hoefkatrol) i.c.m. vlakke

hoefbeensstand. (...)

(...)

Prognose: voor de sport ongunstig

(...)”

f. Anno 2011 liep het paard nog steeds kreupel. Er is sprake van vierdegraads

hoefkatrol. Het letsel is blijvend van aard. Het paard is daardoor nagenoeg

waardeloos.

g. Bij brief van 26 mei 2011 heeft de gemachtigde van [appellante] [geïntimeerde]

aansprakelijk gesteld voor het letsel van het paard en vergoeding gevorderd van de

schade die [appellante] dientengevolge heeft geleden.

3 Beoordeling

3.1

[appellante] heeft in essentie in hoger beroep hetzelfde als in eerste aanleg gevorderd. Zij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst tussen partijen die de verzorging van het paard van [appellante] door [geïntimeerde] betrof, althans dat [geïntimeerde] te dien aanzien onrechtmatig heeft gehandeld. De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen omdat door [appellante] niet voldoende aannemelijk was gemaakt dat er tussen het beweerdelijk door [geïntimeerde] met het paard galopperen op de verharde weg en het aangetroffen letsel, te weten hoefkatrol, een oorzakelijk verband bestaat. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellante] met zeven grieven op.

3.2

Grief 1 klaagt erover dat de kantonrechter zich niet heeft uitgelaten over de vraag of [appellante] binnen bekwame tijd bij [geïntimeerde] heeft geklaagd en niet heeft geoordeeld dat zij tijdig [geïntimeerde] heeft geïnformeerd en aansprakelijk heeft gesteld voor de schade die zij heeft geleden.

3.3

De grief faalt ten eerste bij gebrek aan belang. De kantonrechter is aan beantwoording van die vraag niet toegekomen omdat hij op inhoudelijke gronden tot het oordeel is gekomen dat de vordering moest stranden. Dit impliceert dat hij in het midden kon laten of tijdig was geklaagd. Ook om andere redenen faalt de grief. [appellante] heeft naar voren gebracht dat zij bij brief van 30 september 2007 een aansprakelijkstelling naar [geïntimeerde] heeft verzonden en zij heeft een afschrift van die brief in hoger beroep bij gelegenheid van de pleidooien in het geding gebracht. [geïntimeerde] heeft ontkend dat zij die brief heeft ontvangen en heeft naar voren gebracht dat de inhoud van de brief ten aanzien van de diagnose niet correspondeert met het rapport van de dierenarts van de Universiteit Utrecht van latere datum. Daarnaar ter terechtzitting gevraagd heeft [appellante] geantwoord dat zij (de tekst van) deze brief na de eerste aanleg alsnog in haar computer heeft gevonden, heeft uitgeprint en ondertekend. Een en ander kan, gelet op de betwisting van de ontvangst van de brief van 30 september 2007, niet tot de gevolgtrekking leiden dat zij eerder dan bij brief van 26 mei 2011 van haar gemachtigde, [geïntimeerde] aansprakelijk heeft gesteld. Een specifiek bewijsaanbod dat zij de brief in september 2007 heeft verzonden, heeft [appellante] niet gedaan. Het hof gaat daarom aan de brief voorbij. De overige door [appellante] naar voren gebrachte omstandigheden maken dat niet anders. Dit leidt tot het oordeel dat [appellante] niet binnen bekwame tijd nadat zij in juli 2007 het gebrek had ontdekt, bij [geïntimeerde] ter zake heeft geprotesteerd. Dat [geïntimeerde] niet meer voor [appellante] te bereiken was, hetgeen door [geïntimeerde] (die in dat verband heeft gesteld dat zij altijd in de Gemeentelijke Basis Administratie ingeschreven heeft gestaan) is betwist, is niet onderbouwd. [appellante] kan op een gebrek in de prestatie daarom geen beroep meer doen. Het hof ziet desondanks aanleiding ook de inhoudelijke bezwaren van [appellante] tegen het vonnis te bespreken.

3.4

Met de grieven 2, 3 en 4 richt [appellante] zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellante] haar stellingen, in het licht van het verweer van [geïntimeerde], onvoldoende heeft onderbouwd zodat een oorzakelijk verband tussen het gestelde galopperen op de verharde weg en het letsel van het paard niet aannemelijk is geworden. [appellante] verwijst, net als in eerste aanleg, naar de verklaringen van de vorige eigenaar [Y] en van [Z] (door [appellante] als deskundige betiteld) en naar de stukken betreffende de bloedlijn van het paard, waaruit zou volgen dat het paard vrij was van gebreken op het moment van aankoop. Ook brengt zij naar voren dat de verschijnselen van hoefkatrol zich voor het eerst hebben geopenbaard nadat [geïntimeerde] de zorg over het paard op zich had genomen en op de verharde weg daarmee had gegaloppeerd. Omdat er voordien geen klachten waren is het rijgedrag dan wel de verzorging van [geïntimeerde] de meest waarschijnlijke oorzaak van het letsel van het paard, aldus [appellante].

3.5

Nu [geïntimeerde] gemotiveerd heeft betwist dat zij met het paard heeft gegaloppeerd op de verharde weg (en dat zo dit al incidenteel het geval zou zijn geweest dit niet tot hoefkatrol kan leiden) en dat de hoefkatrol is ontstaan in de periode dat zij de zorg had voor het paard, diende [appellante] concreet te onderbouwen waarom het letsel wel is terug te voeren op het handelen van [geïntimeerde]. Dat heeft zij niet gedaan. Ook in hoger beroep ontbreekt een medische verklaring rondom de aankoop van het paard. [appellante] heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat die keuring wel gedaan is maar dat de stukken vernietigd zijn. Dit moet dan echter voor haar rekening en risico komen. De door haar genoemde verklaringen, waaronder die van [A] en [B] en overige stukken duiden er op zichzelf niet onmiskenbaar op dat het paard bij de aankoop geen hoefkatrol had en leiden evenmin tot de conclusie dat de hoefkatrol door [geïntimeerde] is veroorzaakt. De grieven moeten daarom falen.

3.6

Grief 5 betoogt dat ook indien niet aannemelijk is dat de hoefkatrol is veroorzaakt door [geïntimeerde], zij aansprakelijk is voor de door [appellante] geleden schade. Galopperen op de verharde weg kan immers kreupelheid bij paarden veroorzaken, aldus [appellante], en [geïntimeerde] heeft erkend dat zij met het paard is door blijven lopen nadat zij had geconstateerd dat het kreupel liep. Daardoor is het paard overbelast geraakt ten gevolge waarvan de kreupelheid is verergerd. [geïntimeerde] had het paard rust moeten geven en door dit na te laten heeft zij dusdanige risico’s genomen dat het paard blijvend kreupel is geworden, aldus nog steeds [appellante].

3.7

Naast hetgeen hiervoor al is opgemerkt geldt ten aanzien van deze stellingen dat ook deze uitdrukkelijk door [geïntimeerde] zijn betwist. Zo heeft [geïntimeerde] ontkend dat zij, nadat zij bij het paard kreupelheid had geconstateerd, het paard is blijven berijden en heeft zij verwezen naar het rapport van de dierenarts van de Universiteit Utrecht waaruit blijvend letsel niet kan worden afgeleid. Ook hier geldt dat [appellante] haar stellingen verder niet, en in het licht van de betwisting door [geïntimeerde] dus onvoldoende, heeft onderbouwd. Deze grief kan dus evenmin slagen.

3.8

Grief 6 stelt aan de orde dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellante] niet heeft voldaan aan de stelplicht en dat voor bewijslevering geen plaats is. Deze grief moet op grond van hetgeen hiervoor is overwogen falen. In eerste aanleg heeft [appellante] haar bewijsaanbod bij dagvaarding als volgt geformuleerd: “[appellante] biedt aan haar stellingen te bewijzen door alle middelen rechtens, waaronder het doen horen van getuigen. Voorts legt [appellante] de in de dagvaarding genoemde producties over.” Ter comparitie in eerste aanleg is blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal en de bijbehorende pleitaantekeningen het volgende ter zake naar voren gebracht: “Mr. De Jong verklaart dat [appellante] zo nodig nadere documentatie kan overleggen tot bewijs van haar stelling dat hoefkatrolontsteking niet voorkomt in de familie van [X].” en “Ik wil nogmaals aangeven dat van hetgeen hiervoor is besproken uitdrukkelijk bewijs wordt aangeboden door mevrouw [appellante], voor zover u edelachtbare dat nodig mocht oordelen.” In hoger beroep heeft [appellante] gepersisteerd bij dit bewijsaanbod. Niet gezegd kan worden dat een en ander een aanbod betreft om concrete feiten en omstandigheden te bewijzen, die - indien bewezen - tot een ander dan het voorgaande oordeel kunnen leiden. Voor bewijslevering is daarom geen plaats en dit betekent dat de grief niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kan leiden.

3.9

Grief 7 heeft geen zelfstandige betekenis en moet het lot van de overige grieven delen.

3.10

De grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellante] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in appel.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 299,- aan verschotten en € 1.896,- voor salaris;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.A.J. Dun, W.H.F.M. Cortenraad en J.E. Molenaar en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2014.