Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:3429

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-08-2014
Datum publicatie
10-03-2015
Zaaknummer
200.138.767-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Reclameovereenkomst. Partijen twisten over de vraag wie de contractspartij van Vitrina bij de overeenkomst is. Volgens Vitrina is dat geïntimeerde, die een eenmanszaak voert onder de naam “Labo D.E.M.”; volgens geïntimeerde is de besloten vennootschap “Labo-D.E.M.” partij bij de overeenkomst. De kantonrechter heeft het beroep van geïntimeerde op niet-ontvankelijheid van Vitrina gehonoreerd en de vordering van Vitrina afgewezen. Het hof komt tot het oordeel dat de eenmanszaak van geïntimeerde als partij bij de overeenkomst heeft te gelden en wijst de vordering van Vitrina (tot betaling van onbetaald gebleven rekeningen ad € 19.225,34 in hoofdsom) toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/409

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.138.767/01

rolnummer rechtbank Noord-Holland: 8658/12 :

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 19 augustus 2014 (bij vervroeging)

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VITRINA B.V.,

gevestigd te Purmerend,

appellante,

advocaat: mr. P.J. Stuy te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.M.P. Gerrits te Wijchen.

Partijen worden hierna Vitrina en [geïntimeerde] genoemd.

1 Het geding in hoger beroep

Vitrina is bij dagvaarding van 18 oktober 2013, overeenkomstig artikel 7, afdeling 1, Hoofdstuk II van de verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 op 31 oktober 2013 betekend aan [geïntimeerde], in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland, afdeling Privaatrecht, sectie Kanton, locatie Zaandam (hierna: de kantonrechter), van 22 augustus 2013, onder bovenvermeld rolnummer gewezen tussen Vitrina als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met één productie;

- memorie van antwoord.

Vervolgens is arrest gevraagd.

Vitrina heeft - zakelijk weergegeven - geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis (hierna: het vonnis) zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog haar vorderingen zoals in eerste aanleg ingesteld zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties.

[geïntimeerde] heeft - zakelijk weergegeven - geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis, met veroordeling van Vitrina in - naar het hof begrijpt - de kosten van het geding in hoger beroep.

Vitrina heeft in hoger beroep bewijs aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het vonnis onder het subkopje “Feitelijke vaststellingen” een aantal feiten opgesomd, die hij als vaststaand heeft aangemerkt. Grief I richt zich tegen de vaststelling “(..) een niet nader genoemde acquisiteur van Vitrina was via de wachtkamer van het bedrijf van Labo DEM binnengekomen bij [geïntimeerde], die dezelfde dag de overeenkomst heeft getekend”. Volgens Vitrina was [geïntimeerde] voorafgaand aan het bewuste gesprek op 15 oktober 2008 (die dag) telefonisch benaderd en had hij toen interesse getoond, waarop het gesprek had plaatsgevonden. Waar het zinsdeel dat aan bedoelde vaststelling voorafgaat (“Labo DEM had niet zelf contact opgenomen, maar”) suggereert dat vaststaat dat de acquisiteur van Vitrina [geïntimeerde] onaangekondigd heeft bezocht en dit - nu Vitrina dit gemotiveerd betwist - niet vaststaat, zal het hof de gehele volzin (‘Labo Dem had niet zelf” tot en met “heeft getekend”) niet als feit aanmerken.

Voor het overige zijn de door de kantonrechter vastgestelde feiten niet in geding en zal ook het hof daarom van die feiten uitgaan.

3 Beoordeling

3.1

Het gaat in deze zaak kort gezegd om het volgende.

( i) Tussen Vitrina en “Labo DEM” is op 15 oktober 2008 een reclame-overeenkomst gesloten (hierna: de overeenkomst). In de overeenkomst staat [geïntimeerde] als contactpersoon vermeld en staat in het vakje waarin een BTW-nummer ingevuld dient te worden het nummer [nummer 1] vermeld. De overeenkomst werd aangegaan voor een periode van vijf jaar en als huurprijs voor de gehuurde reclamepaneelruimte (op drie locaties) werd in totaal een bedrag van € 3.650,- per jaar overeengekomen.

(ii) [geïntimeerde] heeft de rekeningen over het eerste contractjaar voldaan. De rekeningen over de daaropvolgende jaren zijn onbetaald gebleven.

(iii) Vitrina vordert in deze procedure betaling van [geïntimeerde] van de onbetaald gebleven rekeningen, met rente en kosten. Het gaat om een totaalbedrag van € 19.225,34, te vermeerderen met de contractuele rente van 1% per maand vanaf 15 oktober 2012.

(iv) Partijen twisten over de vraag wie de contractspartij van Vitrina bij de overeenkomst is. Volgens Vitrina is dat [geïntimeerde], die een eenmanszaak voert onder de naam “Labo D.E.M.”. Volgens [geïntimeerde] is dat de besloten vennootschap “Labo-D.E.M”. De eenmanszaak is in de Belgische Kamer van Koophandel ingeschreven onder het BTW-nummer [nummer 1], vorenbedoelde vennootschap onder het BTW-nummer [nummer 2].

( v) Vitrina heeft [geïntimeerde] eerst in België (Antwerpen) gedagvaard. Die vordering is zonder verweer van [geïntimeerde] toegewezen. In hoger beroep heeft het Hof van Beroep te Antwerpen, na een daartoe door [geïntimeerde] gevoerd verweer op dat punt, geoordeeld dat de Belgische rechter ter zake niet bevoegd is. Daarop is Vitrina de onderhavige procedure gestart.

(vi) De kantonrechter heeft het beroep van [geïntimeerde] op niet-ontvankelijkheid van Vitrina gehonoreerd en de vordering van Vitrina afgewezen. De grieven II tot en met VI richten zich tegen die afwijzing en de gronden waarop die berust.

3.2

De grieven II tot en met VI lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Zij klagen er, als gezegd, alle over dat de kantonrechter ten onrechte het beroep van [geïntimeerde] op niet-ontvankelijkheid heeft toegewezen en de vordering op die grond heeft afgewezen. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

3.3

Vaststaat dat het in de overeenkomst (naar door Vitrina gesteld en niet door [geïntimeerde] betwist: door [geïntimeerde]) ingevulde BTW-nummer het BTW-nummer betreft van de eenmanszaak van [geïntimeerde]. Voorts staat vast dat als factuuradres in de overeenkomst vermeld staat “[adres 1]” te [plaats]. Vitrina heeft gesteld en [geïntimeerde] heeft niet betwist dat de eenmanszaak van [geïntimeerde] voorheen (thans niet meer) op dat adres gevestigd was. In de onder 3.1 sub (iv) bedoelde inschrijving staat als adres van de maatschappelijke vestiging van de besloten vennootschap “Labo-D.E.M.” vermeld: [adres 2] te [vestigingsplaats], met de aantekening “Sinds 13 mei 2008”. Dat deze vennootschap destijds (ook) kantoor hield aan de [adres 1] te [plaats] is gesteld noch gebleken.

3.4

[geïntimeerde] heeft de, aan het adres [adres 1] te [plaats] verzonden, facturen over het eerste contractsjaar voldaan (zonder vermelding dat die betaling namens meergenoemde vennootschap werd verricht).

3.5

Op grond van het overwogene onder 3.3 en 3.4 moet er van worden uitgegaan dat Vitrina heeft gemeend - en dat [geïntimeerde] zulks zo ook heeft moeten begrijpen - dat de entiteit met de naam ‘Labo D.E.M”, gevestigd aan de [adres 1] te [plaats] en ingeschreven onder het BTW-nummer [nummer 1] haar contractspartij was. De omstandigheid dat zij meerdere keren op facturen en correspondentie aan genoemde bedrijfsnaam de letters “bvba” heeft toegevoegd is onvoldoende om daar anders over te oordelen. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat Vitrina, naast ter attentie van [geïntimeerde], poststukken ook wel adresseerde ter attentie van de vader van [geïntimeerde], [X]. Een en ander te minder, waar Vitrina als mogelijke verklaring daarvoor heeft aangedragen dat [geïntimeerde] tijdens de bijeenkomst op 15 oktober 2008 een visitekaartje heeft overhandigd met daarop vermeld “Algemeen Directeur [X]” (de vennootschap Labo-D.E.M. werd gedreven door de vader van [geïntimeerde]). [geïntimeerde] heeft niet betwist dat hij het bewuste kaartje (productie 1 bij memorie van grieven) destijds heeft overhandigd. Evenmin kan aan voornoemd oordeel afdoen dat de reclame-uiting onder meer de tekst “bvba labo dem - [adres 1] - [plaats]” (zie productie 3 bij conclusie van antwoord) bevat. Blijkens producties 4 a tot en met c bij de inleidende dagvaarding is die tekst door de contractspartij van Vitrina aangeleverd en is het veeleer zo dat (ook) die tekst Vitrina mogelijk ertoe heeft gebracht in correspondentie “bvba” aan de bedrijfsnaam Labo D.E.M toe te voegen. Het hof vermeldt in dit verband nogmaals dat gesteld noch gebleken is dat de vennootschap Labo-D.E.M. (mede) aan de [adres 1] te [plaats] kantoor hield.

3.6

Aan dit alles kan - ten overvloede - nog worden toegevoegd dat [geïntimeerde] in de Belgische procedure met zoveel woorden heeft erkend op 15 oktober 2008 met Vitrina de overeenkomst gesloten te hebben (zie het als productie 15 bij conclusie van repliek overgelegde verzoekschrift in hoger beroep, p.1, een na laatste alinea). Weliswaar ontneemt dat [geïntimeerde] niet de bevoegdheid zich in de onderhavige procedure alsnog op het standpunt te stellen dat niet hij/zijn eenmanszaak de contractspartij van Vitrina is, maar meer bedoelde vennootschap, maar de geloofwaardigheid van dat standpunt neemt met die proceshouding niet bepaald toe.

3.7

De conclusie luidt dat het hof, anders dan de kantonrechter, Vitrina ontvankelijk acht in haar vordering jegens [geïntimeerde]. De grieven II tot en met V slagen aldus.

3.8

Dit betekent dat het hof nu toekomt aan de behandeling van de materiële verweren die [geïntimeerde] tegen toewijzing van de vordering heeft aangevoerd. Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

3.9

Waar [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat de ingekochte publiciteit niets heeft opgeleverd kan die stelling hem niet baten, reeds niet omdat gesteld noch gebleken is dat partijen daaromtrent iets hebben afgesproken. Voor de stelling dat Vitrina gewanpresteerd heeft geldt hetzelfde, reeds op de grond dat gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] Vitrina ter zake ooit in gebreke heeft gesteld. Ten slotte heeft [geïntimeerde] een beroep gedaan op de Colportagewet. Ook dat beroep faalt: de wet ziet op contracten met consumenten en [geïntimeerde] heeft met Vitrina gecontracteerd in de uitoefening van zijn eenmanszaak. Voor zogenaamde reflexwerking van genoemde wet ziet het hof in het onderhavige geval - waarin, als gezegd, werd gehandeld in het kader van de uitoefening van een bedrijf - geen plaats. Bijzondere omstandigheden die dit mogelijk anders zouden kunnen maken, heeft [geïntimeerde] niet aangevoerd.

3.10

De slotsom is dat de verweren van [geïntimeerde] alle falen en dat de vordering, waartegen in cijfermatige zin niets is aangevoerd, zal worden toegewezen.

3.11

[geïntimeerde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten van beide instanties.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] aan Vitrina te voldoen een bedrag van € 19.225,34, te vermeerderen met de contractuele rente van 1% per maand vanaf 15 oktober 2012 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de eerste instantie, aan de zijde van Vitrina begroot op € 1.084,17 aan verschotten en € 600,- aan salaris;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Vitrina begroot op € 1.997,- aan verschotten en € 894,- aan salaris;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A. Goslings, L.A.J. Dun en W. Tonkens-Gerkema en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2014.