Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:3426

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-08-2014
Datum publicatie
28-08-2014
Zaaknummer
200.105.897-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering tot betaling van achterstallige leasetermijnen en gefixeerde schadevergoeding. Geen nietigheid leaseovereenkomst op grond van afspraak om geen btw te betalen/af te dragen. Geen reden voor matiging schadevergoeding/boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.105.897/01

kenmerk rechtbank : CV 10-31721

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 19 augustus 2014

inzake:

1 [Appellant sub 1],

gevestigd te Breda,

2.[Appellant sub 2],

wonend te [woonplaats], [Land],

appellanten,

advocaat: mr. H.C. Lenaerts te Breda,

tegen

de besloten vennootschap [X] AUTOLEASE B.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

geïntimeerde,

advocaat: mr. D.J. Brugge te Apeldoorn.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [Appellant sub 1] c.s. (afzonderlijk respectievelijk ook [Appellant sub 1] en [Appellant sub 2]) en [X] genoemd.

Bij dagvaarding van 26 januari 2012 zijn [Appellant sub 1] c.s. in hoger beroep gekomen van de op 23 juni 2011 en 27 oktober 2011 onder bovenstaand kenmerk uitgesproken vonnissen (hierna: het tussenvonnis en het eindvonnis) van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam (hierna: de kantonrechter), gewezen tussen hen als gedaagden in conventie/eisers in reconventie en [X] als eiseres in conventie/verweerster in reconventie.

Na het aanbrengen van de zaak hebben partijen de volgende stukken gewisseld:

- memorie van grieven,

- memorie van antwoord, met productie.

[Appellant sub 1] c.s. hebben acht grieven aangevoerd en geconcludeerd dat het hof de vonnissen waarvan beroep zal vernietigen en alsnog de vorderingen van [X] in conventie zal afwijzen en de vorderingen in reconventie van [Appellant sub 1] c.s. zal toewijzen, met veroordeling van [X] in de kosten van beide instanties.

[X] heeft de grieven bestreden en geconcludeerd, zakelijk, tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen, met veroordeling van [Appellant sub 1] c.s. - uitvoerbaar bij voorraad - in de kosten van, naar het hof begrijpt, het geding in hoger beroep.

2 De feiten

De kantonrechter heeft in het tussenvonnis onder 1, sub 1.1 tot en met 1.9, een aantal feiten vastgesteld. Grief I keert zich tegen overweging 1.3 met de klacht dat de kantonrechter ten onrechte heeft vastgesteld dat de leaseovereenkomst tussen partijen met betrekking tot de Volvo XC90 op 4 augustus 2006 is gesloten. Deze grief faalt. De kantonrechter vermeldt in overweging 1.3 slechts dat de schriftelijke overeenkomst met betrekking tot bedoelde Volvo als datum van ingang van de huur 4 augustus 2006 vermeldt en die datum ook vermeldt als eerste vervaldag. Beide feitelijke vaststellingen worden door [Appellant sub 1] c.s. niet bestreden en zij stemmen overigens overeen met de tekst van het in het geding gebrachte contract. De overige door de kantonrechter vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Gelet op een en ander zal in hoger beroep worden uitgegaan van voormelde feitenvaststelling in het genoemde tussenvonnis.

3 Beoordeling

3.1.

Het gaat in deze zaak, kort gezegd, om het volgende.

( i) [X] exploiteert een onderneming waarin zij auto’s in lease uitgeeft.

( ii) [X] heeft met [Appellant sub 1] c.s. twee leaseovereenkomsten gesloten met betrekking tot respectievelijk een Volvo XC90 en een Mini Cooper. Van beide overeenkomsten is een schriftelijke overeenkomst opgemaakt.

( iii) De op 20 april 2004 gedateerde overeenkomst betreffende de Volvo XC90 is gesloten met ‘[Appellant sub 2] hodn [Appellant sub 1] Ltd’ als huurder en vermeldt als bouwjaar van de auto 2006 en als datum van ingang van de huur en als eerste vervaldag ‘04/08/2006’ en noemt een huurprijs per maand van € 1.360,= te vermeerderen met 19% btw ad € 258,40, dus in totaal € 1.618,40. Handgeschreven staat als btw vermeld een bedrag van € 197,03 en een totale huurprijs per maand van € 1.557,03.

( iv) In een e-mail van 1 augustus 2006 heeft [Appellant sub 2], kort samengevat, meegedeeld dat hij een leaseovereenkomst met [X] wil sluiten met betrekking tot de Volvo XC90.

( v) De overeenkomst met betrekking tot de Mini Cooper is gedateerd op 23 maart 2007. [Appellant sub 2] is als huurder vermeld en als huurprijs per maand wordt vermeld € 509,99 vermeerderd met 19% btw ad € 96,90 tot een totaal van € 606,89.

( vi) Op beide overeenkomsten zijn de algemene bepalingen van [X] van toepassing. Relevant voor het onderhavige geschil zijn de volgende bepalingen:

Artikel 9 Tijdelijke vervangingsautomobiel indien in prijs gekalkuleerd

Bij reparaties welke niet binnen 48 uur kunnen worden uitgevoerd, zaterdagen, zon- en feestdagen niet meegerekend, zal verhuurder gedurende de tijd dat de automobiel niet ter beschikking van huurder is, deze vervangen c.q. doen vervangen door een andere automobiel naar keuze van verhuurder. (...)

Artikel 10 Permanente vervanging

Verhuurder is te allen tijde gerechtigd de verhuurde automobiel blijvend te vervangen door een automobiel van hetzelfde type.

(...)

Artikel 14 Beëindiging van het kontrakt i.v.m. schade

Indien de reaparatie van een automobiel in geval van zware schade door ongeval langer dan 2 weken zal duren, of ingeval van het totaal verloren gaan van de automobiel, kan verhuurder het kontrakt, op welk tijdstip van de huurperiode ook, rechtens beëindigen.

(...)

Artikel 16 Ontbinding van de huurovereenkomst

(...)

In geval van beëindiging van het kontrakt om één van de hierboven aangeduide motieven, dient de huurder te betalen.

(...)

d. en schadeloosstelling voor renteverlies gelijk aan ¼ van de huur van het aantal resterende huurtermijnen met een minimum van drie huurtermijnen.

( vii) [Appellant sub 2] heeft de Volvo XC90 op 9 maart 2010 op vordering van [X] aan haar ter beschikking gesteld.

( viii) De Mini Cooper is bij een ongeval op 30 maart 2010 total loss geraakt, zoals [Appellant sub 2] op 9 april 2010 aan [X] heeft laten weten. [Appellant sub 2] heeft de betalingen ter zake sedert 31 maart 2010 gestaakt, stellende dat de lease op 30 maart 2010 is geëindigd. [X] heeft op 9 april 2010 aan [Appellant sub 2] laten weten hem een andere autoa aan te bieden, hetgeen [Appellant sub 2] heeft geweigerd.

( ix) [X] heeft beide overeenkomsten op 7 juni 2010 ontbonden.

3.2.

In eerste aanleg heeft [X] in conventie gevorderd [Appellant sub 1] c.s. te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 48.557,31 wegens achterstallige leasetermijnen, beëindigingskosten en rente ter zake van de Volvo XC90 en [Appellant sub 2] tot betaling van € 10.122,06 voor gelijksoortige posten ter zake van de Mini Cooper, te vermeerderen met rente en kosten. In het tussenvonnis heeft de kantonrechter de verweren van [Appellant sub 1] c.s. tegen deze vorderingen verworpen, met uitzondering van het verweer dat [X] een te hoge huurprijs in rekening had gebracht. De kantonrechter volgde het standpunt van [Appellant sub 1] c.s. dat [X] had erkend een korting te hebben verleend op de overeengekomen huurprijzen, resulterend in een huurprijs per maand voor de Volvo van (aanvankelijk) € 1.360,= en voor de Mini Cooper van € 510,= in plaats van de door [X] gevorderde huren van € 1.557,03 en € 606,98 per maand (dat wil zeggen genoemde bedragen vermeerderd met een btw-component van respectievelijk € 197,03 en € 96,90). De kantonrechter heeft [X] in de gelegenheid gesteld een aangepaste berekening van haar vordering in het geding te brengen, uitgaande van deze lagere huurprijzen. In het eindvonnis heeft de kantonrechter vastgesteld dat het openstaande saldo met inachtneming van de korting volgens opgave van [X] voor de Volvo € 35.720,21 bedraagt en voor de Mini Cooper € 9.906,81 en deze bedragen, vermeerderd met € 1.804,14 en € 19,61 aan contractuele rente tot 7 juni 2010, € 987,25 wegens buitengerechtelijke kosten en met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 7 juni 2010 aan [X] toegewezen. De vorderingen van [Appellant sub 1] c.s. in voorwaardelijke reconventie wees de kantonrechter af.

3.3.

Grief II - grief I is hiervoor reeds besproken - bevat de klacht dat de kantonrechter ten onrechte [Appellant sub 1] c.s. niet heeft gevolgd in hun primaire verweer dat de leaseovereenkomsten nietig zijn, omdat [X] had bedongen dat de leasetermijnen zonder fiscale afdracht betaald zouden worden.
Volgens [Appellant sub 1] c.s. is met [X] overeengekomen dat [Appellant sub 1] per maand een contant bedrag (zwart) tegen algehele en finale kwijting als huurprijs zou betalen en verplichtten de overeenkomsten [Appellant sub 1] dus tot een bij de wet verboden prestatie, namelijk belastingontduiking. Een dergelijk beding is qua inhoud en/of strekking in strijd met de openbare orde en/of goede zeden en nietig op grond van artikel 3:40 lid 1 BW, hetgeen, aldus nog steeds [Appellant sub 1] c.s., nietigheid van de gehele overeenkomst met zich meebrengt.

3.4.

Evenals de kantonrechter volgt het hof [Appellant sub 1] c.s. niet in deze zienswijze. In de eerste plaats heeft [X] betwist met [Appellant sub 1] c.s. afgesproken te hebben dat de huurprijzen “zwart” zouden worden betaald, dus zonder btw. Aangezien [Appellant sub 1] c.s. geen bewijs van hun stellingen hebben aangeboden, moet reeds daarom aan hun voormelde betoog voorbij worden gegaan. Het komt overigens ook weinig aannemelijk voor dat [X] ermee zou hebben ingestemd dat [Appellant sub 1] c.s. geen btw zouden behoeven te betalen aangezien op al de door [X] verzonden facturen, tot aan het einde van de leaseovereenkomsten, tevens het te betalen btw-bedrag wordt vermeld, zoals ook de kantonrechter heeft opgemerkt. Het valt zonder nadere toelichting die [Appellant sub 1] c.s. niet hebben gegeven niet in te zien hoe [X] de Belastingdienst met die facturen “om de tuin” zou hebben kunnen leiden, zoals [Appellant sub 1] c.s. hebben aangevoerd. In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat [Appellant sub 1] c.s. in de toelichtig op hun grief er ten onrechte geheel aan voorbijgaan dat de kantonrechter ervan is uitgegaan dat [X] aan [Appellant sub 1] c.s. een korting op de huurtermijnen heeft verleend die resulteerde in huurprijzen van respectievelijk € 1.360,= en € 510,= inclusief btw en dat de veroordeling van de kantonrechter van [Appellant sub 1] c.s. daarop is gebaseerd. Van het niet betalen van btw is derhalve geen sprake. Terecht heeft de kantonrechter ten slotte overwogen dat uit het enkele feit dat [Appellant sub 1] c.s. de huur (aanvankelijk; later heeft zij huurtermijnen per bank overgemaakt) contant hebben betaald en [X] een korting op de huurprijs heeft verleend ter hoogte van het oorspronkelijke btw-bedrag, niet valt te concluderen dat [X] fiscaal onjuist heeft gehandeld (of fiscaal onjuist zou hebben willen handelen).
De slotsom is dat grief II faalt.

3.5.

Grief III keert zich tegen de verwerping door de kantonrechter van de stelling van [Appellant sub 1] c.s. dat de leaseovereenkomst met betrekking tot de Volvo XC90 niet op 4 augustus 2006 is gesloten maar op 20 april 2004 is aangegaan, zoals blijkt uit de datering van het contract.

3.6.

Ook deze grief faalt. Het hof acht met de kantonrechter voldoende aannemelijk dat de overeenkomst met betrekking tot de Volvo X90, gelet op de datum van de e‑mail van [Appellant sub 2] aan [X] waarin hij meedeelde een leaseovereenkomst met betrekking tot die auto wenste te sluiten (1 augustus 2006) en het bouwjaar van de Volvo (2006), begin augustus 2006 is tot stand gekomen. In ieder geval kan ervan worden uitgegaan dat de huur is ingegaan op 4 augustus 2006, zoals expliciet in de overeenkomst wordt vermeld en door [Appellant sub 1] c.s. niet is betwist, zodat [Appellant sub 1] c.s. zich er niet op kunnen beroepen – dit lijkt het enige belang te zijn dat [Appellant sub 1] c.s. bij de betwisting van de datum waarop de overeenkomst is gesloten zouden kunnen hebben – dat de leaseovereenkomst minder lang doorliep dan door [X] is gesteld.

3.7.

Met grief IV keren [Appellant sub 1] c.s. zich tegen overweging 12 van het tussenvonnis waarin de kantonrechter het verweer van [Appellant sub 1] c.s. bespreekt dat zij niet gehouden is tot betaling van schadevergoeding aan [X] wegens ontbinding van de leaseovereenkomsten, althans niet het door [X] ter zake gevorderde bedrag.

3.8.

[Appellant sub 1] c.s. stellen zich op het standpunt dat het duister is welke schade zij op grond van artikel 16 lid d van de algemene voorwaarden (zie hierboven onder 3.1 sub vi) dienen te vergoeden, dat de kantonrechter er ten onrechte van is uitgegaan dat dit artikel betrekking zou hebben op het positieve contractsbelang en dat [X] dient aan te houden welke schade zij daadwerkelijk geleden heeft. Daarnaast achten zij de hoogte van de door [X] gevorderde bedragen buitensporig en verzoeken zij matiging van die bedragen op de voet van artikel 6:94 BW.

3.9.

Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 16 onder d van de op de leaseovereenkomsten toepasselijke algemene voorwaarden zijn [Appellant sub 1] c.s. (dan wel [Appellant sub 2]) bij ontbinding van de overeenkomsten gehouden tot betaling van “schadeloosstelling voor renteverlies gelijk aan ¼ van de huur van het aantal resterende huurtermijnen met een minimum van drie huurtermijnen”. Aangezien de kennelijke strekking van deze bepaling is om discussies over de hoogte van de schade als gevolg van ontbinding te voorkomen, is, anders dan [Appellant sub 1] c.s. kennelijk menen, [X] niet gehouden aan te tonen dat welke schade zijn in concreto heeft geleden als gevolg van het voortijdige einde van de overeenkomsten door ontbinding. [Appellant sub 1] c.s. dienen derhalve in beginsel de op de voet van artikel 16 onder d van de algemene voorwaarden te berekenen schadevergoeding aan [X] te voldoen. [Appellant sub 1] c.s. hebben voor matiging van de door [X] op grond van de bepaling gevorderde schadevergoeding onvoldoende aangevoerd. Met betrekking tot de Volvo XC90 stellen [Appellant sub 1] c.s. dat [X] deze auto na de ontbinding van de leaseovereenkomst voor een lager bedrag heeft verkocht, te weten voor € 25.000,=, dan de marktwaarde, € 38.898,04, en zij dus niet heeft voldaan aan haar schadebeperkingsplicht. Deze stelling is niet voldoende onderbouwd. [Appellant sub 1] c.s. verwijzen voor de marktwaarde van de Volvo naar een stuk (productie 9 bij conclusie van repliek in conventie van [X]) waarin het genoemde bedrag wordt vermeld als boekwaarde. Bij gebreke van gegevens omtrent de marktwaarde kan er niet van worden uitgegaan dat [X] de Volvo voor een te laag bedrag heeft verkocht, nog daargelaten of dat een grond voor een matiging zou kunnen zijn. Met betrekking tot de Mini Cooper stellen [Appellant sub 1] c.s. dat de door [X] gestelde boekwaarde van € 15.062,96 in feite lager is, aangezien de verzekering voor de Mini Cooper een bedrag van € 10.400,01 als dagwaarde heeft uitgekeerd. Al aangenomen dat de juiste boekwaarde kan worden afgeleid uit de door de verzekeraar uitgekeerde schadesom, rechtvaardigt ook dit geen matiging van de op grond van artikel 16 onder d van de algemene voorwaarden gevorderde schadevergoeding. [Appellant sub 1] c.s. hebben namelijk onvoldoende toegelicht dat de door [X] de daadwerkelijk door haar als gevolg van de ontbinding van de leaseovereenkomst geleden schade niet meer in redelijke verhouding tot de gevorderde schadeloosstelling staat, doordat [X] de Mini Cooper voor een te hoog bedrag in de boeken zou hebben gezet. Grief IV is ongegrond.

3.10.

Grief V klaagt over de verwerping door de kantonrechter van het verweer van [Appellant sub 1] c.s. dat de huur van de Mini Cooper per 31 maart 2010 van rechtswege is geëindigd omdat de auto toen na een ongeval total loss is verklaard.
Ook deze grief faalt. Met juistheid heeft de kantonrechter overwogen dat uit artikel 10 van de algemene voorwaarden voortvloeit dat [X] gerechtigd was [Appellant sub 2] na de total loss verklaring van de Mini Cooper een auto ter vervanging aan te bieden, dat het kennelijke oogmerk van deze bepaling is dat [X] in staat moet worden gesteld het rendement op haar investering te behalen en dat [Appellant sub 2] niet het voortijdige einde van de leaseovereenkomst kon bewerkstelligen door die vervangende auto te weigeren. Dat [X] na 31 maart 2010 geen facturen meer heeft verzonden, doet hieraan niet af. [X] heeft immers in deze procedure op de huurtermijnen over de maanden april en mei 2010 wel aanspraak gemaakt (en ter zake facturen in het geding gebracht) en ter beoordeling stond derhalve of de ter zake gevorderde bedragen toegewezen konden worden. Met de kantonrechter beantwoordt het hof die vraag bevestigend.

3.11.

Met grief VI voeren [Appellant sub 1] c.s. aan dat de kantonrechter de achterstallige huur en de op de voet van artikel 16 onder d van de algemene voorwaarden verschuldigde schadeloosstelling (ter zake van de Volvo XC90), in totaal € 35.720,21 aan hoofdsom, verkeerd heeft berekend, waardoor ook minder rente verschuldigd is, en dat de kantonrechter ten onrechte buitengerechtelijke incassokosten heeft toegewezen.

3.12.

De grief faalt. Het door de kantonrechter in verband met de huur van de Volvo XC90 toegewezen bedrag aan hoofdsom is gebaseerd op de door [X] na het tussenvonnis bij akte als productie A in het geding gebrachte specificatie, die door [Appellant sub 1] c.s. onvoldoende gemotiveerd is weersproken. [Appellant sub 1] c.s. miskennen in hun berekeningen dat de maandhuurtermijn verhoogd mocht worden in verband met hogere houderschapsbelasting (zodat de huurtermijn niet € 1.360,= is gebleven maar is verhoogd naar € 1.395,54). [X] mocht voorts 1/4 van de huur van het aantal resterende huurtermijnen (38 maanden en enkele dagen, en niet 37 maanden zoals [Appellant sub 1] c.s. stellen) vermenigvuldigd met de laatstgeldende maandelijkse huur als schadeloosstelling in rekening brengen, hetgeen zij klaarblijkelijk met het op de bij inleidende dagvaarding als onderdeel van productie 5 overgelegde factuur van 31 mei 2010 vermelde bedrag van € 13.291,39 heeft gedaan. [Appellant sub 1] c.s. houden voorts geen rekening met de vordering ter zake van supplementaire kilometervergoeding die [X] eveneens op 31 mei 2010 in rekening heeft gebracht. Voor wat betreft de door [X] gevorderde buitengerechtelijke kosten heeft [X] naar het oordeel van het hof, mede gelet op productie B bij antwoordakte van [X] van 21 juli 2011, voldoende onderbouwd en aannemelijk gemaakt dat zij zulke kosten heeft gemaakt en deelt het hof het oordeel van de kantonrechter dat het door [X] ter zake gevorderde bedrag niet het tarief te boven gaat dat in zaken met een financieel belang als deze volgens de geldende staffel mag worden toegewezen.

3.13.

Grief VII klaagt over de door de kantonrechter in verband met de huur van de Mini Cooper toegewezen hoofdsom van in totaal € 9.906,81. Wat hiervoor onder 3.12 is overwogen geldt mutatis mutandis ook hiervoor, zij het dat de door [X] in rekening gebrachte vergoeding op grond van artikel 16 onder d van de algemene voorwaarden abusievelijk is gebaseerd op een resterende looptijd van 24 maanden, waar dat 22 maanden moet zijn (de huur voor de maanden april en mei 2010 zijn nog door [X] afzonderlijk in rekening gebracht en deze facturen vormen onderdeel van het door [X] gevorderde; de resterende looptijd loopt vanaf juni 2010 tot en met maart 2012) en [X] dus ter zake niet meer dan € 2.831,68 in rekening mocht brengen (in plaats van het toegewezen bedrag van € 3.677,10 waarin klaarblijkelijk ook btw over de huursom is meegerekend). De toewijsbare hoofdsom dient daarom te worden vastgesteld op € 9.061,39. Slechts in zoverre treft de grief doel.

3.14.

Ten slotte komt grief VIII op tegen de afwijzing van de reconventionele vorderingen. Aangezien [Appellant sub 1] c.s. hun vorderingen baseren op de stelling dat de leaseovereenkomsten nietig zijn om de reden die hiervoor onder 3.3 is vermeld, heeft de kantonrechter die vorderingen terecht afgewezen omdat, zoals onder 3.4 is overwogen, geen grond bestaat die overeenkomsten nietig te achten.

4 Slotsom en proceskosten

Met uitzondering van grief VI, op het genoemde onderdeel, zijn de grieven tevergeefs voorgesteld. De vonnissen waarvan beroep zullen worden bekrachtigd met uitzondering van het eindvonnis voor zover daarin in het dictum onder II € 9.906,81 is toegewezen. Dat bedrag zal worden gewijzigd in € 9.061,39. De kostenveroordeling in eerste aanleg dient in stand te blijven. [Appellant sub 1] c.s. dienen als de in het ongelijk gestelde partij te worden verwezen in de kosten van het hoger beroep.

5 Beslissing

Het hof:

vernietigt het eindvonnis voor zover de kantonrechter onder II van het dictum [Appellant sub 2] heeft veroordeeld tot betaling van € 9.906,81 aan hoofdsom en veroordeelt [Appellant sub 2] -- in zoverre opnieuw rechtdoende -- tot betaling aan [X] van € 9.061,39 aan hoofdsom,

bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep voor het overige,

verwijst [Appellant sub 1] c.s. in de kosten van het hoger beroep, en begroot die kosten voor zover aan de zijde van [X] gevallen op € 1.815,= aan verschotten en € 1.158,= voor salaris;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.E. Molenaar, J.H. Huijzer en R.H. de Bock, en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2014.