Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:3420

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-08-2014
Datum publicatie
11-12-2014
Zaaknummer
200.104.257-01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2013:2869
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2015:1508
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg van tussenarrest 10 september 2013. Door het bijgebrachte getuigenbewijs heeft de lasthebber de gestelde tariefafpraken niet bewezen. Mogelijk moet daarom worden afgerekend volgens de door Medisch Centrum gestelde tariefafspraken. Voor het geval geen minnelijke regeling tot stand komt, is het hof voornemens een deskundigenbericht te bevelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.104.257/01

zaaknummer/rolnummer rechtbank Amsterdam: 439089/HA ZA 09-3106

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 19 augustus 2014

inzake


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MEDISCH CENTRUM BOERHAAVE B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

tevens incidenteel geïntimeerde,

advocaat: mr. D. Simons te Amsterdam,

tegen:

[GEÏNTIMEERDE],
als lasthebber van [X],

wonend te [woonplaats],

geïntimeerde,

tevens incidenteel appellant,

advocaat: mr. J.M.A. van Dijk te Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna opnieuw Boerhaave en [geïntimeerde] genoemd.

Het hof heeft in deze zaak op 10 september 2013 een tussenarrest uitgesproken.
Voor het verloop van het geding tot die dag verwijst het hof naar dat arrest.

Ingevolge het tussenarrest zijn op 3 december 2013 en 18 maart 2014 getuigen gehoord. [geïntimeerde] heeft drie getuigen doen horen, Boerhaave twee.
Op 3 december 2013 is eveneens een comparitie van partijen gehouden, welke op 18 maart 2014 is voortgezet.
Van de getuigenverhoren en de comparitie van partijen is telkens proces-verbaal opgemaakt. Afschriften daarvan behoren tot de processtukken.

[geïntimeerde] heeft vervolgens een conclusie na enquête genomen en daarbij zijn standpunt gehandhaafd. Boerhaave heeft een antwoordakte na enquête genomen en daarbij eveneens haar standpunt gehandhaafd. Zij heeft bij haar akte bovendien nog een productie in het geding gebracht.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Beoordeling

2.1

Het hof blijft bij hetgeen het in zijn tussenarrest heeft overwogen en beslist.
[geïntimeerde] kreeg de gelegenheid om het omstreden gedeelte van de tariefafspraken waarop hij zich beroept te bewijzen, als volgt:
- dat de vergoeding voor operaties wordt berekend aan de hand van de prijs die staat in de prijslijst van Boerhaave;
- dat [geïntimeerde] voor het injecteren van aquamid, pms, botox en esthelis een vaste prijs ontvangt per gebruikte milliliter, te weten voor aquamid € 225,- en voor pms, botox en esthelis € 125,- per milliliter gebruikt product;
- dat de klant die via (de website van) [geïntimeerde] in contact komt met Boerhaave en zich daar laat behandelen, wordt beschouwd als een door [geïntimeerde] aangebrachte klant;
- dat [geïntimeerde] niet deelt in het debiteurenrisico van Boerhaave terzake van de door hem behandelde klanten.

2.2

[geïntimeerde] heeft aangaande dit bewijsthema drie getuigen doen horen, te weten [Y], [Z] en zichzelf. Boerhaave heeft in het tegenverhoor twee getuigen doen
horen, te weten [A] en [B]. Verder heeft Boerhaave bij haar laatste akte een schriftelijke verklaring van mevrouw [C] in het geding gebracht. Omdat [geïntimeerde] niet de gelegenheid heeft gehad om op dit stuk te reageren, zal het hof vooralsnog geen acht slaan op deze verklaring.

2.3

Vergoeding aan de hand van de prijslijst?

2.3.1 In de kwestie of de [geïntimeerde] toekomende vergoeding voor operaties dient te worden berekend aan de hand van de prijs die staat in de prijslijst van Boerhaave, hebben de getuigen als volgt verklaard.
Getuige [geïntimeerde] herinnert zich in 1999 tariefafspraken te hebben gemaakt met mevrouw [C]-Kreps, de toenmalige statutair directeur van Boerhaave. Bij die gelegenheid is niet aan de orde geweest dat hetgeen hem toekwam zou worden berekend aan de hand van hetgeen Boerhaave aan de patiënt factureerde. Het ging over de tarieven die in de prijslijst van Boerhaave stonden. Er werd 24% aangeboden en dat heeft hij aanvaard. Hij heeft jarenlang overeenkomstig deze afspraak gedeclareerd.
Hij is in enkele gevallen na overleg akkoord gegaan met een lager bedrag.
Getuige [Y] heeft verklaard dat hij vanaf maart 2001 tot en met maart 2003 voor Boerhaave heeft geopereerd. In die periode ontving hij een vergoeding voor zijn werkzaamheden die werd berekend aan de hand van de consumentenprijs. Hij weet niet hoe het ging ingeval er korting was verleend. Hij heeft aangenomen dat de door hem gemaakte tariefafspraken gelijk waren aan die van [geïntimeerde]. Dat was hem verteld door mevrouw [C] en [B].
Getuige [Z] heeft verklaard dat hij van 1999 tot maart 2013 voor Boerhaave heeft geopereerd. Tarievenafspraken heeft hij gemaakt met mevrouw [C]. Die afspraken zijn in 2008 schriftelijk vastgelegd. De schriftelijke vastlegging week niet af van hetgeen hij in 1999 had afgesproken en hield in dat hij 24% ontving van hetgeen de patiënt betaalde nadat op die som de inkoopprijs van de implantaten in mindering was gebracht. Hij verleende wel eens korting aan de patiënt. Die korting werd doorgelegd naar de behandelend arts. Hij ontving dan ook niet meer dan 24% van het netto bedrag dat de kliniek van de patiënt ontving. Bij het opstellen van zijn declaraties maakte hij gebruik van de patiëntenstaat waarvan een proforma factuur deel uitmaakte.
Getuige [A] heeft verklaard dat hij begin 2008 in dienst is getreden van Boerhaave. Hij heeft van [B] vernomen dat Boerhaave met alle artsen dezelfde afspraken had gemaakt alsmede dat Boerhaave zich had verbonden om aan artsen te betalen 24% van hetgeen de patiënt aan Boerhaave betaalde na aftrek van kosten. Zo is bij zijn weten ook gehandeld door Boerhaave
Getuige [C] heeft van zijn moeder gehoord dat zij met [geïntimeerde] tariefafspraken had gemaakt, bevestiging van die afspraken heeft hij aangetroffen in de bedrijfsadministratie. Die afspraken hielden in dat [geïntimeerde] van het door de patiënt aan Boerhaave betaalde bedrag na aftrek van relevante kosten 24% ontving.

2.3.2

Voor de stelling van [geïntimeerde] dat was afgesproken dat de aan hem toekomende vergoeding voor operaties zou worden berekend aan de hand van de prijs die staat in de prijslijst van Boerhaave (en niet aan de hand van de gefactureerde bedragen) bevatten de getuigenverklaringen weinig houvast.
Getuige [Y] lijkt de gestelde afspraak te bevestigen maar hij weet niet hoe ingeval van korting werd gehandeld. Dat doet ernstig afbreuk aan de bewijskracht van zijn verklaring, omdat juist dat de moeilijkheid is die partijen verdeeld houdt.
De verklaring van [Z] wijst niet in de richting die [geïntimeerde] heeft bepleit, doordat hij ervan uitgaat dat kortingen naar de arts worden doorgelegd. Hetzelfde geldt voor de verklaringen van de getuigen [A] en [C].
Voor het schriftelijke bewijsmateriaal waarop [geïntimeerde] zich heeft beroepen, geldt hetzelfde. De verklaring per e-mail van de toenmalige echtgenote van getuige [Z] baat [geïntimeerde] niet, zij bevat op dit punt niets relevants. Wat betreft de declaraties waarop [geïntimeerde] zich heeft beroepen, is vermeldenswaard dat de getuige [A] heeft verklaard dat Boerhaave geen declaraties van artsen ontving en de getuige [C] dat hij niets van door [geïntimeerde] ingezonden overzichten weet; in zover bevatten de verklaringen van [A] en [C] dus specifiek tegenbewijs.

2.3.3

Aan de getuigenverklaring van [geïntimeerde] kan bewijs worden ontleend. Deze verklaring kan evenwel slechts aan het bewijs bijdragen, als voldoende bewijs uit andere bron kan worden aangewezen, aangezien [geïntimeerde] als partijgetuige dient te worden beschouwd. De verklaring van de getuige [Y] biedt in dit verband ontoereikende steun. Ook overigens biedt het bewijsmateriaal onvoldoende steun.
Slotsom van deze overwegingen is dat [geïntimeerde] er niet in is geslaagd om te bewijzen dat was afgesproken dat de vergoeding voor operaties wordt berekend aan de hand van de prijs die staat in de prijslijst van Boerhaave.

2.4

Vergoeding injectables
2.4.1 In de kwestie of was afgesproken dat [geïntimeerde] voor het injecteren van aquamid, pms, botox en esthelis een vaste prijs ontvangt per gebruikte milliliter (te weten voor aquamid € 225,- en voor pms, botox en esthelis € 125,- per milliliter gebruikt product), hebben de getuigen als volgt verklaard.

[geïntimeerde] heeft als getuige verklaard dat hij met [B] op diens voorstel heeft afgesproken dat Boerhaave en hij het verschil tussen de prijs in de prijslijst en de inkoopprijs zouden delen en dat hij aldus voor de injectables een vaste prijs zou ontvangen, voor aquamid € 225,- en voor pms, botox en esthelis € 125,- per milliliter gebruikt product. Die prijsstelling valt, aldus [geïntimeerde] als getuige, goed te verklaren, omdat er bij injectables nauwelijks overheadkosten zijn.
Getuige [Y] heeft verklaard dat hij in de jaren 2001-2003 ongeveer tien keer te maken heeft gehad met injectables. Daarvoor mocht hij een vast bedrag in rekening brengen. Hij had vooral van doen met aquamid en declareerde daarvoor 750 gulden respectievelijk 350 euro per milliliter. Voor pms gold naar zijn herinnering een lager tarief. Deze vaste bedragen heeft hij bij Boerhaave gedeclareerd; de declaraties zijn zonder commentaar betaald. De tariefstelling had een goede reden. Bij de werkzaamheden in verband met injectables is geen verpleegkundige of andere bijzondere ondersteuning nodig; daarbij past dat een groter deel van de consumentenprijs aan de chirurg toevalt.
Getuige [Z] heeft in deze kwestie aanvankelijk verklaard dat hij met Boerhaave had afgesproken dat op het totale bedrag dat de patiënt betaalde de inkoopprijs van de injectables in mindering werd gebracht en dat hij van het verschil 24% ontving. Geconfronteerd met andersluidende getuigenverklaringen is de getuige [Z] bij deze verklaring gebleven. Op vragen van de advocaat van Boerhaave heeft de getuige [Z] vervolgens verklaard dat hij zich eigenlijk niet herinnert dat er voor injectables vaste bedragen golden en dat hij zich met het noemen van 24% moet hebben vergist. Aan de hand van een eigen declaratie heeft hij geconstateerd dat hij meer kreeg dan 24%.
Getuige [A] heeft verklaard dat ten aanzien van injectables de afspraak gold dat Boerhaave de arts 24% betaalde van hetgeen de patiënt betaalde na aftrek van kosten.
Dat heeft hij van [B] vernomen. Dienovereenkomstig is betaald aan de betrokken artsen in de periode dat hij bij Boerhaave werkzaam was; hij neemt aan ook voordien. Hij heeft erop gewezen dat ook bij behandeling met injectables allerhande vaste kosten doorlopen.
Getuige [C] heeft verklaard dat met [geïntimeerde] was afgesproken dat hij ontving 24% van het door de patiënt aan Boerhaave betaalde bedrag met aftrek van relevante kosten. Dat gold ook voor injectables. Dienovereenkomstig is door Boerhaave betaald. [C] heeft verder nooit tariefafspraken met [geïntimeerde] gemaakt.

2.4.2

Aan de getuigenverklaring van [geïntimeerde] kan bewijs worden ontleend. Deze verklaring kan evenwel slechts aan het bewijs bijdragen, als voldoende bewijs uit andere bron kan worden aangewezen, aangezien [geïntimeerde] als partijgetuige dient te worden beschouwd.
De verklaring van de getuige [Y] biedt in dit verband steun.
Ook het schriftelijke bewijsmateriaal waarop [geïntimeerde] zich heeft beroepen, biedt steun, met name de verklaring per e-mail van de toenmalige echtgenote van [Z].

2.4.3

De verklaring van de getuige [Z] levert evenwel tegenbewijs op. Die verklaring bevat de nodige tegenstrijdigheden, maar in het bijzonder valt op dat deze getuige een verklaring heeft afgelegd die ingaat tegen hetgeen [geïntimeerde] heeft betoogd.
Ook de verklaring van de getuige [C] levert op een specifiek punt tegenbewijs op. Hij herinnert zich niet ooit tariefafspraken met [geïntimeerde] te hebben gemaakt.
Wat betreft de declaraties waarop [geïntimeerde] zich heeft beroepen overweegt het hof tot slot dat de getuige [A] heeft verklaard dat Boerhaave geen declaraties van artsen ontving en de getuige [C] dat hij niets van door [geïntimeerde] ingezonden overzichten weet; in zover bevatten de verklaringen van [A] en [C] dus ook specifiek tegenbewijs.

2.4.4

Het totaalbeeld dat wordt verkregen uit al het bijgebrachte bewijsmateriaal is uiteindelijk te onzeker om [geïntimeerde] geslaagd te achten in het van hem in deze kwestie verlangde bewijs.

2.5

In welke gevallen 34% in plaats van 24%
2.5.1 In de kwestie of was afgesproken dat de klant die via (de website van) [geïntimeerde] in contact komt met Boerhaave en zich daar laat behandelen, wordt beschouwd als een door [geïntimeerde] aangebrachte klant, hebben de getuigen als volgt verklaard.

[geïntimeerde] heeft als getuige verklaard dat hij met [B] heeft afgesproken dat hij 10% extra zou krijgen voor patiënten die met hem in contact kwamen via zijn website en voor patiënten die hij al in zijn praktijk in Helvoirt had gezien.
De getuige [Y] heeft verklaard dat hij had afgesproken dat Boerhaave 10% meer zou betalen voor patiënten die hij had meegenomen. Het ging in het bijzonder om patiënten die hij had gezien in het ziekenhuis in Ede waar hij werkzaam was, en die hij doorverwees naar Boerhaave omdat in het ziekenhuis in Ede geen esthetische operaties plaatshadden.
De getuige [Z] had geen aparte tariefafspraken voor meegenomen patiënten.
De getuige [A] heeft verklaard dat de categorie meegenomen patiënten nauwelijks meer voorkwam, toen hij bij Boerhaave begon. Hij weet niet uit eigen wetenschap hoe die categorie was gedefinieerd en welke tariefafspraak daarvoor gold.
Hij heeft van [B] gehoord dat het ging om patiënten die bij Boerhaave terecht kwamen nadat ze bij een andere kliniek bij de arts een intake hadden gehad en dat de arts daarvoor 10% extra ontving.
De getuige [C] heeft verklaard dat [geïntimeerde] 10% extra ontving als het ging om patiënten die door hem op consult waren gezien in een andere kliniek en in Boerhaave werden geopereerd. Dienovereenkomstig heeft Boerhaave volgens hem betaald aan [geïntimeerde].

2.5.2

Alleen aan de eigen verklaring van [geïntimeerde] kan bewijs worden ontleend voor zijn stelling dat hij ook 10% extra zou ontvangen als hij patiënten bij Boerhaave aanbracht met wie hij slechts via zijn website in aanraking was gekomen.
Dat bewijs is ontoereikend om [geïntimeerde] op dit punt in het van hem verlangde bewijs geslaagd te achten.

2.5.3

De getuigen zijn het erover eens dat onder meegenomen patiënten dienen te worden verstaan patiënten die een arts eerder elders heeft gezien en vervolgens heeft doorverwezen naar Boerhaave. In zoverre is [geïntimeerde] in het van hem verlangde bewijs geslaagd.
Vastgesteld kan dan ook worden dat de voor meegenomen patiënten geldende tariefafspraak inhield dat [geïntimeerde] 10% extra ontving voor patiënten die hij eerder elders zag en doorverwees naar Boerhaave.

2.6

Debiteurenrisico?

2.6.1 In de kwestie of was afgesproken dat [geïntimeerde] niet deelt in het debiteurenrisico van Boerhaave terzake van de door hem behandelde klanten, hebben de getuigen als volgt verklaard.
Getuige [geïntimeerde] heeft verklaard dat hij met Boerhaave nooit afspraken heeft gemaakt over wie het debiteurenrisico van Boerhaave zou dragen. Hij sprak daarover wel met [B] en deze heeft hem gezegd dat hij zich daarover geen zorgen behoefde te maken.
Getuige [Y] heeft verklaard dat Boerhaave geen debiteurenrisico had, omdat patiënten pas werden geopereerd, nadat ze hadden betaald. Hij heeft geen weet van enige afspraak op dit punt.
Getuige [Z] heeft verklaard dat de patiënt in beginsel vooraf betaalde, zodat een debiteurenrisico zich eigenlijk niet voordeed. Het is in de jaren dat hij voor Boerhaave werkzaam is geweest maar een enkele keer voorgekomen dat hij patiënten heeft behandeld die niet hadden betaald. Hij wist in zo’n geval dat hij deelde in het debiteurenrisico.
Getuige [A] heeft van [B] gehoord dat artsen een percentage kregen van hetgeen patiënten aan Boerhaave betaalden en aldus deelden in het debiteurenrisico.
Dat risico was niet groot. Patiënten betaalden operaties vooraf, injectables gedeeltelijk achteraf.
Getuige [C] heeft verklaard dat de afspraak was dat [geïntimeerde] een percentage van het door de patiënt aan Boerhaave betaalde bedrag ontving na aftrek van kosten en dat hij in zoverre deelde in het debiteurenrisico.

2.6.2

[geïntimeerde] is niet geslaagd in het van hem verlangde bewijs van zijn stelling dat hij niet zou delen in het debiteurenrisico. Aan geen van de getuigenverklaringen kan bewijs worden ontleend, ook aan zijn eigen verklaring niet.

2.7

Bij deze van stand van zaken is de voorwaarde vervuld waaronder [geïntimeerde] heeft gevorderd dat Boerhaave wordt veroordeeld tot openlegging van haar administratie als bedoeld in artikel 162 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) en tot terbeschikkingstelling aan hem van afschriften van medische dossiers en roosters als bedoeld in artikel 843a Rv.
Die vorderingen zal het hof vooralsnog laten rusten in verband met hetgeen hierna volgt.

2.8

Partijen hebben bij gelegenheid van de comparitie van partijen te kennen gegeven dat zij verwachtten hun geschil in der minne te kunnen oplossen, nadat het hof heeft beslist over de betekenis van het tot dan toe bijgebrachte bewijs. Het komt het hof verstandig voor dat partijen in deze fase van het geding eerst bij elkaar te rade gaan om te onderzoeken of ze de resterende geschilpunten zelf kunnen oplossen. Dat brengt het hof ertoe iedere verdere beslissing aan te houden.
Voor het geval het partijen niet zou lukken om zelf hun geschil op te lossen overweegt het hof nog als volgt.

2.9

Het hof houdt er ernstig rekening mee dat de door [geïntimeerde] gestelde tariefafspraken niet komen vast te staan, nadat eventueel de administratie van Boerhaave is opengelegd dan wel afschriften van patiëntengegevens en roosters zijn afgegeven en nadat [geïntimeerde] heeft kunnen reageren op de schriftelijke getuigenverklaring van mevrouw [C].
Ingeval de door [geïntimeerde] gestelde tariefafspraken niet komen vast te staan, dienen partijen af te rekenen overeenkomstig de door Boerhaave gestelde tariefafspraken. Daaraan zij ter verduidelijking toegevoegd dat het 34%-tarief geldt voor patiënten die [geïntimeerde] eerder heeft gezien, in zijn eigen kliniek of elders, en heeft doorverwezen naar Boerhaave.
De geldende tariefafspraken houden aldus in:
- voor operaties van patiënten die rechtstreeks bij Boerhaave klant werden, is Boerhaave verschuldigd 24% van het verschil tussen het bedrag dat zij factureerde aan haar klant, en de prijs van de gebruikte hulpmiddelen;
- voor operaties van patiënten die [geïntimeerde] eerder in zijn eigen kliniek of elders heeft gezien en heeft doorverwezen naar Boerhaave, is Boerhaave verschuldigd 34% van het verschil tussen het bedrag dat zij factureerde aan haar klant, en de prijs van de gebruikte hulpmiddelen;
- voor het injecteren met aquamid, esthelis, pms respectievelijk botox van patiënten die rechtstreeks bij Boerhaave klant werden was Boerhaave verschuldigd 24% van het verschil tussen het bedrag dat zij factureerde aan haar klant, en de prijs van het te injecteren materiaal; per geïnjecteerde milliliter ontvangt [geïntimeerde] aldus € 102,80 voor het injecteren met aquamid, € 42,00 voor het injecteren met pms, € 102,80 voor het injecteren met botox en € 60,00 voor het injecteren met esthelis;
- voor het injecteren met aquamid, esthelis, pms respectievelijk botox van patiënten die [geïntimeerde] eerder in zijn eigen kliniek of elders heeft gezien en heeft doorverwezen naar Boerhaave, is Boerhaave verschuldigd 34% van het verschil tussen het bedrag dat zij factureerde aan haar klant, en de prijs van het te injecteren materiaal;
- gebruikte hulpmiddelen die [geïntimeerde] zelf aanleverde, worden door Boerhaave vergoed;
- [geïntimeerde] deelt in het incassorisico; ontvangt Boerhaave geen betaling van haar klant, dan behoeft Boerhaave niet aan [geïntimeerde] te betalen.

2.10

Er zal dus moeten worden onderzocht waartoe die afspraken tussen partijen leiden.
De inhoud van het partijdebat in aanmerking genomen kan zonder nader onderzoek niet worden vastgesteld hoe partijen de financiële relatie die tussen hen heeft bestaan dienen af te wikkelen.
Onderzocht moet in het bijzonder nog worden
- welke werkzaamheden zijn door [geïntimeerde] ten behoeve van Boerhaave verricht?
- aan de hand van welke feitelijke bedragen moet de vergoeding worden berekend?
- welke kosten mogen in mindering strekken?
- op hoeveel klanten moet het 34%-tarief worden toegepast?

2.11

Het soort onderzoek dat nodig is om antwoord te kunnen geven op deze vragen is bewerkelijk en voor een aanzienlijk deel administratief van aard. Het hof heeft het voornemen opgevat om voor dat onderzoek een deskundige in te schakelen met administratieve expertise. Eén deskundige lijkt voldoende. Aan die deskundige zal worden gevraagd om, kort samengevat, op een voor het hof toegankelijke manier in kaart te brengen, wat partijen verdeeld houdt. Het hof verwacht van partijen dat zij de te benoemen deskundige effectief toegang verlenen tot hun administraties teneinde hem/haar in staat te stellen het onderzoek te doen dat het hof voor ogen staat.
Het voorschot op het loon van de deskundige zal het hof voor rekening brengen van beide partijen, elk voor de helft.
Als een geordend overzicht beschikbaar is gekomen, zal het hof bezien of aanvullende bewijslevering dient plaats te hebben.
Het hof voorziet dat al dit onderzoek nog geruime tijd in beslag zal nemen en de nodige kosten zal opleveren, reden waarom partijen in de gelegenheid worden gesteld aan de hand van de hiervoor genoemde bewijsbeslissingen zelf tot een oplossing te komen.

2.12

Het hof zal voor het geval een regeling niet tot stand komt, de zaak verwijzen naar de rol voor een akte aan de zijde van [geïntimeerde]. [geïntimeerde] zal in die akte voorstellen mogen doen voor een te benoemen deskundige en zich mogen uitlaten over de aan de deskundige voor te leggen vragen. Boerhaave zal een antwoordakte mogen nemen en daarin diezelfde gelegenheid hebben. Blijken partijen het niet eens over een te benoemen deskundige, dan kiest het hof.



3. Slotsom

3.1

[geïntimeerde] is er vooralsnog niet in geslaagd om het van hem verlangde bewijs te leveren.

3.2

Voor het geval partijen er niet in slagen een regeling te treffen, zal het hof de zaak verwijzen naar de rol van 16 september 2014 voor een akte aan de zijde van [geïntimeerde]. Boerhaave zal daarop bij antwoordakte mogen reageren.

3.3

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 Beslissing

Het hof:

rechtdoende in principaal en incidenteel appel:

verwijst de zaak naar de rol van 16 september 2014 voor een akte aan de zijde van [geïntimeerde];

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, G.B.C.M. van der Reep en W.A.H. Melissen en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2014.