Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:3403

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-07-2014
Datum publicatie
21-08-2014
Zaaknummer
12/01122 en 12/01123
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2012:3385, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:959, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De door belanghebbende uit Duitsland ontvangen bedragen vormen geen 'belastbare periodieke uitkeringen' als bedoeld in artikel 43, lid 1, onder d Zorgverzekeringswet (tekst 2008 en 2009).

Wetsverwijzingen
Zorgverzekeringswet 43, geldigheid: 2008-01-01
Wet inkomstenbelasting 2001 3.101, geldigheid: 2014-08-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-1962
PFR-Updates.nl 2014-0220
V-N Vandaag 2014/1713
Belastingadvies 2014/21.9
MR. E. ALINK annotatie in NTFR 2014/2479

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerken 12/01122 en 12/01123.

24 juli 2014

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerken AWB 12/89 en 12/90 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 26 augustus 2011 aan belanghebbende voor het jaar 2008 een aanslag inkomensafhankelijke eigen bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna Zvw) opgelegd, berekend naar een bijdrage-inkomen van € 5.199.

1.1.2.

De inspecteur heeft met dagtekening 7 september 2011 aan belanghebbende voor het jaar 2009 een aanslag Zvw opgelegd, berekend naar een bijdrage-inkomen van € 5.291.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraken op bezwaar, gedagtekend 21 december 2011, de aanslagen gehandhaafd.

1.3.

Bij uitspraak van 18 oktober 2012 heeft de rechtbank de door belanghebbende ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 23 november 2012. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Op 24 maart 2014 is een nader stuk van belanghebbende ontvangen. Dit is in afschrift aan de inspecteur gezonden.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2014. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’):

2.1.

Eiseres woont in Nederland en is als zodanig verplicht verzekerd voor de Algemene wet bijzondere ziektekosten, en is derhalve op grond van artikel 2 van de Zvw verzekerd voor laatstgenoemde wet. Voor de Zvw is de verzekeringsplichtige een inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd, welke wordt geheven over het bijdrage-inkomen van dat jaar.

2.2.

Eiseres heeft in 2008 en 2009 betalingen (hierna: de rente) ontvangen van, dan wel namens de Duitse regering ter vergoeding van door haar tijdens het naziregime geleden schade.

2.3.

Eiseres heeft in haar aangiftes inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen/premie Zvw over de jaren 2008 en 2009 de rente tot een bedrag van € 5.143 voor het jaar 2008 en tot een bedrag van € 5.157 voor het jaar 2009 aangegeven als buitenlands inkomen uit vroegere dienstbetrekking.

2.1.2.

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden, zal ook het Hof daarvan uitgaan, zij het dat de woorden onder 2.2 van de rechtbankuitspraak “van, dan wel namens de Duitse regering” moeten worden gelezen als “vanuit Duitsland” en dat voor het bedrag van € 5.143 onder 2.3 van de rechtbankuitspraak gelezen moet worden € 5.199 (zie onder 1.1.1, 2.2.1 en 2.2.3).

2.2.

Het Hof voegt aan deze feiten nog het volgende toe.

2.2.1.

De onder 2.2 van de rechtbankuitspraak bedoelde bedragen (door de rechtbank als ‘de rente’ en door het Hof hierna als ‘de uit Duitsland ontvangen bedragen’ aangeduid) heeft belanghebbende als volgt in de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zvw (hierna IB/Zvw) 2008 aangegeven:

“14 Buitenlands inkomen vroegere DB

Naam uitkeringsinstantie(s)

Pensioen en dergelijke

Spec. Inkomsten uit vroegere arbeid zonder Ned. Loonheffing

Duitse rente 2008

5.199

[…]

[…] Voorkoming dubbele belasting […]

Omschrijving inkomsten box 1

Inkomsten […]

Omschrijving elders belast box 1

Duitse rente 2006 [naar het Hof begrijpt 2008]

5.143 […]

2.2.2.

In zijn aangifte IB/Zvw 2009 gaf belanghebbende de uit Duitsland ontvangen bedragen op soortgelijke wijze aan; zij het dat in de rubriek “14 Buitenlands inkomen vroegere DB" en in de rubriek “Voorkoming dubbele belasting” een bedrag van € 5.291 was ingevuld.

2.2.3.

De inspecteur is voor beide jaren van belanghebbendes aangiften afgeweken. Hij heeft het ‘bijdrage inkomen’ als bedoeld in artikel 42 Zvw vastgesteld op € 5.199 (2008) respectievelijk € 5.291 (2009) en de door belanghebbende uit Duitsland ontvangen bedragen – uiteindelijk, zo begrijpt het Hof – aangemerkt als ‘belastbare periodieke uitkeringen’ als bedoeld in artikel 43, lid 1, onder d, Zvw.

3 Het oordeel van de rechtbank

3.1.

De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard en daarbij onder meer overwogen (waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de inspecteur als verweerder):

4.1.

Eiseres beschouwt de door haar uit Duitsland genoten inkomsten als een schadevergoeding en niet als een inkomen in de vorm van een periodieke uitkering waarover zij belasting en premies, daaronder begrepen de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw, is verschuldigd.

4.2.

De betalingen aan eiseres uit hoofde van de rente maken deel uit van een reeks van uitkeringen waarop eiseres recht kan doen gelden en die afhankelijk zijn van een onzekere gebeurtenis, namelijk het in leven zijn van eiseres. Verder maken zij - ter zake is niets gesteld of gebleken dat wijst op het tegendeel - geen deel uit van een complex van rechten en verplichtingen die bij voortduring tegenover elkaar staan. De betalingen vormen derhalve aangewezen periodieke uitkeringen die in rechte vorderbaar zijn en niet de tegenwaarde van een prestatie vormen als bedoeld in artikel 3.101, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet IB 2001. Ingevolge artikel 3.100 van de Wet IB 2001 zijn deze periodieke uitkeringen belast en behoren zij tot het belastbare inkomen uit werk en woning als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet IB 2001. Niet in geschil is dat belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen zoals geregeld in afdeling 3.5 van de Wet IB 2001 tot de grondslag van het bijdrage-inkomen voor de Zvw behoren.

4.3.

Gelet op de vorenstaande wettelijke bepalingen is de rechtbank van oordeel dat verweerder de betalingen uit hoofde van deze rente terecht tot het bijdrage-inkomen heeft gerekend. Daaraan doet niet af dat de rente moet worden aangemerkt als een vergoeding voor door eiseres geleden immateriële schade. Nu verder niet gebleken is dat de over het vastgestelde bijdrage-inkomen verschuldigde premie Zvw op onjuiste wijze is berekend, volgt uit het voorgaande dat verweerder de aanslagen, zoals die luiden na de betreffende uitspraak op bezwaar, tot de juiste bedragen heeft vastgesteld. […]

4.5.

Gelet op het hiervoor overwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard. Het beroep tegen de beschikking heffingsrente heeft eiseres niet afzonderlijk onderbouwd. Omdat de beroepsgronden tegen de aanslagen Zvw geen doel treffen, zal het beroep tegen de beschikking heffingsrente eveneens ongegrond worden verklaard.

4 Geschil in hoger beroep

4.1.

Evenals bij de rechtbank is bij het Hof in geschil of de uit Duitsland ontvangen bedragen ‘belastbare periodieke uitkeringen’ als bedoeld in artikel 43, lid 1, onder d Zvw (tekst 2008 en 2009) vormen.

4.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

5 Beoordeling van het geschil

5.1.1.

De inspecteur heeft de litigieuze aanslagen in afwijking van de aangifte vastgesteld. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij in zijn bij de rechtbank ingediende verweerschriften (waarnaar hij in zijn bij het Hof ingediende verweerschrift verwijst) geschreven (cursivering Hof):

“Naar mijn mening moeten de inkomsten van belanghebbende […] als inkomsten uit een periodieke uitkering in het inkomen worden begrepen. […] In artikel 3.101 […] Wet IB 2001, is bepaald dat periodieke uitkeringen die worden verkregen op grond van een publiekrechtelijke regeling vallen onder de aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen en als zodanig tot het inkomen gerekend moeten worden.

De door belanghebbende genoten uitkering is dan ook terecht tot haar inkomen gerekend.”

5.1.2.

Ter zitting van de rechtbank heeft hij daaraan toegevoegd:

“Het inkomensbegrip in de Wet Inkomstenbelasting 2001 omvat meer dan alleen inkomsten uit werkzaamheden. Ook bepaalde periodieke uitkeringen zijn door wetsduiding onder de heffing van inkomstenbelasting. […] In de aan de orde zijnde zaken is er sprake van een periodieke uitkering in de zin van de inkomstenbelasting welke terecht als zodanig is belast. Overigens blijf ik bij wat ik in het verweerschrift heb geschreven.”

5.1.3.

Kort voor de zitting van het Hof heeft de griffier de inspecteur telefonisch gevraagd:

“U stelt in uw bij de rechtbank ingediende verweerschrift dat sprake is van periodieke uitkering op basis van een publiekrechtelijke regeling:

  1. Kunt u dit standpunt op de zitting a.s. donderdag toelichten?
    Welke regeling ?

  2. Wellicht beschikt u over documenten betreffende die regeling?
    Of kunt u op korte termijn over dergelijke documenten beschikken?”

Desondanks kon de inspecteur op de zitting geen nadere informatie over de regeling verschaffen en verklaarde hij niet te weten op grond van welke regeling belanghebbende de litigieuze bedragen ontvangt.

5.2.

Uit rechtsoverweging 4.2 blijkt dat de rechtbank de inkomsten aangemerkt heeft als periodieke uitkeringen die in rechte vorderbaar zijn en niet de tegenwaarde van een prestatie vormen (art. 3.101, lid 1, onderdeel c, Wet IB 2001).

5.3.

Belanghebbende heeft - ook - in hoger beroep bestreden dat sprake is van een periodieke uitkering. Haars inziens is sprake van een schadevergoeding die in termijnen wordt uitbetaald.

5.4.

Het Hof overweegt als volgt:

5.4.1.

Artikel 42 Zvw houdt in:

De inkomensafhankelijke bijdrage over een jaar wordt geheven over het bijdrage-inkomen van dat jaar.

5.4.2.

Artikel 43 Zvw (tekst 2008 en 2009) houdt in:

1. Het bijdrage-inkomen van een jaar is het gezamenlijke bedrag van hetgeen door de verzekeringsplichtige in dat jaar is genoten aan:

a. belastbaar loon overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de loonbelasting […] en vermeerderd met loon, bepaald volgens de regels van artikel 3.82 van de Wet inkomstenbelasting 2001;

b. belastbare winst uit onderneming, bepaald volgens de regels van afdeling 3.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001;

c. belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, bepaald volgens de regels van afdeling 3.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 […];

d. belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen, bepaald volgens de regels van afdeling 3.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

5.4.3.

Artikel 3.101 (uit afdeling 3.5 van de) Wet IB 2001 luidt voor zover hier van belang:

1. Aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen zijn de periodieke uitkeringen en verstrekkingen die:

a. worden ontvangen op grond van een publiekrechtelijke regeling;

b. […]

c. in rechte vorderbaar zijn en niet de tegenwaarde voor een prestatie vormen […];

d. niet in rechte vorderbaar zijn en worden ontvangen van een rechtspersoon.

5.4.4.

Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat belanghebbende de uit Duitsland ontvangen bedragen jaarlijks, zolang zij leeft, ontvangt en de bedragen geen deel uitmaken van een complex van rechten en verplichtingen die bij voortduring tegenover elkaar staan, is er sprake van een periodieke uitkering. De inspecteur heeft echter niet gesteld op grond van welke regeling belanghebbende de litigieuze periodieke uitkering ontvangt; laat staan dat hij heeft gesteld (1) welke publiekrechtelijke regeling ten grondslag ligt aan de periodieke uitkeringen, dan wel (2) op basis waarvan de periodieke uitkeringen in rechte vorderbaar zouden zijn, dan wel (3) van welke rechtspersoon de periodieke uitkeringen afkomstig zouden zijn. Integendeel ter zitting van het Hof heeft hij verklaard niet te weten op grond van welke regeling belanghebbende de periodieke uitkering ontvangt en uit belanghebbendes aangifte of de overige gedingstukken volgt niet dat sprake is van een publiekrechtelijke regeling, dan wel van in rechte vorderbare periodieke uitkeringen, dan wel van een rechtspersoon die de periodieke uitkeringen betaald heeft. De inspecteur verwijst in zijn verweerschrift slechts naar een wettelijke bepaling die periodieke uitkeringen uit hoofde van een publiekrechtelijke regeling belast (zie 5.1.1) en ter zitting van de rechtbank heeft hij slechts verwezen naar de Wet IB die bepaalde periodieke uitkeringen belast (zie 5.1.2). Reeds hierom moet belanghebbendes beroep gegrond worden verklaard. Het is immers in casu aan de inspecteur – die ten nadele van belanghebbende is afgeweken van de aangifte – om de feiten te stellen waaraan de Zvw de door hem ingeroepen gevolgen verbindt.

5.4.5.

Maar ook indien het Hof de onder 5.1 weergegeven citaten of de ter zitting van de rechtbank of het Hof gegeven toelichting wel voldoende zou achten voor het oordeel dat de inspecteur aan zijn stelplicht heeft voldaan, is belanghebbendes beroep gegrond. Immers alsdan heeft de inspecteur onvoldoende feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die tot de conclusie nopen (1) dat er een publiekrechtelijke regeling ten grondslag ligt aan de periodieke uitkeringen, dan wel (2) dat de periodieke uitkeringen in rechte vorderbaar zijn, dan wel (3) dat de periodieke uitkeringen van een rechtspersoon afkomstig zijn. Met betrekking tot punt (3) overweegt het Hof nog dat de stukken van het geding en hetgeen daaraan ter zitting is toegevoegd, geen antwoord geven op de vraag wie de periodieke uitkeringen heeft uitbetaald.

5.4.6.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat er voor dit geding niet van kan worden uitgegaan dat de uit Duitsland ontvangen bedragen ‘belastbare periodieke uitkeringen’ als bedoeld in artikel 43, lid 1, onder d Zvw (tekst 2008 en 2009) vormen.

5.4.7.

Nu niet gesteld is - en uit de gedingstukken overigens ook niet volgt - dat de ontvangen bedragen onder enig andere in artikel 43, lid 1 Zvw vermelde bron te rangschikken zijn, betekent het voorgaande dat de aanslagen Zvw 2008 en 2009 dienen te worden vernietigd.

Slotsom

5.5.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd.

6 Kosten

Nu belanghebbende niet gesteld heeft - bij de rechtbank of het Hof - proceskosten te hebben gemaakt en uit de inhoud van het procesdossier ook niet volgt dat sprake is van kosten, zijn voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 (in verbinding met artikel 8:108) van de Algemene wet bestuursrecht geen termen aanwezig.

7 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vernietigt de litigieuze aanslagen Zvw 2008 en 2009; en

  • -

    gelast de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht ad € 41 (beroep bij de rechtbank) en € 115 (hoger beroep bij het Hof), in totaal € 156, te vergoeden.

De uitspraak is gedaan door mrs. P.F. Goes, voorzitter, F.J.P.M. Haas en M.J. Leijdekker, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando als griffier.

De beslissing is op 24 juli 2014 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.