Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:3236

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-07-2014
Datum publicatie
05-03-2015
Zaaknummer
200.127.497/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oude richtlijnen. Wijziging van omstandigheden?

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 362, geldigheid: 2015-03-05
Burgerlijk Wetboek Boek 1 401, geldigheid: 2015-03-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 8 juli 2014

Zaaknummer: 200.127.497/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/15/199266/FA RK 13-99

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellante,

advocaat: mr. J. 't Hart te Haarlem,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde,

advocaat: mr. A.E. Muller te Haarlem.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2.

De vrouw is op 22 mei 2013 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 13 maart 2013 van de rechtbank Noord-Holland, met kenmerk C/15/199266/FA RK 13-99.

1.3.

De man heeft op 2 juli 2013 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De vrouw heeft op 30 oktober 2013 nadere stukken ingediend.

1.5.

De man heeft op 1 november 2013 nadere stukken ingediend.

1.6.

De zaak is op 14 november 2013 ter terechtzitting behandeld. Van het verhandelde ter zitting is een verkort proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt. De behandeling van de zaak is aangehouden in afwachting van de resultaten van mediation waartoe partijen zich ter zitting bereid hadden verklaard.

1.7.

Zowel de vrouw als de man heeft het hof op 4 april 2014 bericht dat de mediation niet tot overeenstemming tussen partijen heeft geleid.

1.8.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn [in] 1995 gehuwd. Hun huwelijk is op 3 september 2007 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 29 augustus 2007 van de rechtbank Amsterdam in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren […] (hierna: [kind a]) [in] 1999 en […] (hierna: [kind b]) [in] 2000 (hierna gezamenlijk: de kinderen).

2.2.

Bij de echtscheidingsbeschikking is bepaald dat de regeling, zoals tussen partijen is overeengekomen in het aan die beschikking gehechte convenant, als herhaald en ingelast wordt beschouwd en deel uitmaakt van die beschikking. In dat convenant is onder meer opgenomen, voor zover thans van belang, dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen aan de vrouw zal betalen € 150,- per kind per maand met ingang van 1 september 2007 en alle school- en studiekosten van de kinderen zal betalen.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.3.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1970. Hij heeft een vriendin met wie hij niet samenwoont. Uit hun relatie is […] (hierna: [de minderjarige]) geboren [in] 2012. [de minderjarige] verblijft bij de moeder.

Hij is werkzaam in loondienst. Blijkens de jaaropgave 2012 bedroeg zijn fiscaal loon over 2012 € 63.276,-. Zijn salaris bedraagt volgens de salarisspecificatie over juni, september en oktober 2013 € 4.341,- bruto per maand, exclusief vakantietoeslag.

In verband met de hypothecaire lening gevestigd op de door de hem sinds januari 2012 bewoonde woning aan de [adres 1] te [A] betaalt hij € 1.200,- per maand aan rente en € 300,- per maand aan aflossing. Hij heeft de gebruikelijke andere eigenaars- en woonlasten. De WOZ-waarde is vastgesteld op € 288.000,-.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt hij € 114,- per maand. Het eigen risico dat aan deze verzekering is verbonden bedraagt € 29,- per maand. Dit bedrag wordt geheel verbruikt.

2.4.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1969. Zij vormt met de kinderen van partijen een eenoudergezin.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is op verzoek van de man, met wijziging van het in voornoemde beschikking van 29 augustus 2007 opgenomen echtscheidingsconvenant in zoverre, bepaald dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind a] en [kind b] op nihil wordt gesteld met ingang van 30 september 2012.

3.2.

De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, te bepalen dat de man vanaf 30 september 2012 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind a] en [kind b] van € 400,- per kind per maand dient te voldoen.

3.3.

De man verzoekt het verzoek van de vrouw af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

De man heeft bij zijn inleidend verzoekschrift verzocht om wijziging van de bij echtscheidingsbeschikking vastgestelde kinderbijdrage in die zin dat deze op nihil wordt gesteld. De vrouw heeft in eerste aanleg geen zelfstandig verzoek ingediend. Op grond van artikel 362 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan zij dat in hoger beroep niet voor het eerst doen. De vrouw moet dan ook in haar zelfstandig verzoek als vermeld onder 3.2. niet ontvankelijk worden verklaard. Dat brengt tevens met zich mee dat de door de vrouw gestelde (hogere) behoefte van de kinderen bij gebrek aan belang geen verdere bespreking behoeft.

4.2.

Aan de orde is de vraag of sprake is van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), waardoor een bij rechterlijke uitspraak of overeenkomst vastgestelde kinderbijdrage niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet en deze derhalve kan worden gewijzigd of ingetrokken.

De man stelt zich op het standpunt dat zich een rechtens relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan, nu partijen met ingang van 30 september 2012 een co‑ouderschapsregeling zijn overeengekomen. Om die regeling te kunnen uitvoeren, heeft hij een woning in [A] dichter bij de school van de kinderen gekocht, zodat hij thans dubbele woonlasten heeft. Daarnaast heeft hij aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat hij [in] 2012 een derde kind heeft gekregen.

Niet in geschil is dat partijen met betrekking tot [kind a] en [kind b] op 30 september 2012 een co-ouderschapsregeling zijn overeengekomen. Nu de vrouw onvoldoende heeft betwist dat de lasten van de man daardoor zijn toegenomen, zoals de man stelt, zal ook het hof daarvan uitgaan. Het hof zal de draagkracht van de man met ingang van die datum opnieuw beoordelen. Het hof zal op na te melden wijze rekening houden met de overige door de man gestelde wijzigingsgronden.

4.3.

Volgens de vrouw dient rekening te worden gehouden met het inkomen van de man zoals blijkt uit zijn jaaropgave 2012. De man stelt zich op het standpunt dat, nu hij vanaf 1 december 2012 tot in het jaar 2015 gedurende 4 uur per week ouderschapsverlof geniet, rekening dient te worden gehouden met het inkomen zoals blijkt uit de salarisspecificaties van juni, september en oktober 2013. Nu de vrouw niet heeft weersproken dat met het ouderschapsverlof van de man rekening dient te worden gehouden en dit het hof ook niet onredelijk voorkomt, zal van een bruto maandsalaris van € 4.341,- exclusief vakantiegeld worden uitgegaan.

4.4.

De man stelt zich op het standpunt dat met betrekking tot zijn lasten rekening dient te worden gehouden met het navolgende. Aangezien in 2011 op verzoek van [kind a] en [kind b] een co-ouderschapsregeling tussen partijen ophanden was, doch de afstand tussen de woning van de man in [B] en de school van [kind a] en [kind b] te groot was om een dergelijke regeling te realiseren, heeft hij in het najaar van 2011 een woning in [A] gekocht. Direct nadat hij die woning had gekocht, heeft hij zijn woning in [B] te koop aangeboden. Zolang deze woning niet is verkocht, draagt hij de woonlasten van twee woningen. Wat betreft de woning aan de [adres 2] in [B] betaalt hij in verband met de hypothecaire lening op de woning € 1.145,- per maand aan (variabele) rente en € 28,- per maand aan aflossing. Daarnaast heeft hij de gebruikelijke andere eigenaarslasten, en betaalt hij een bijdrage van € 131,- per maand aan de Vereniging van Eigenaren. Hij verhuurt deze woning aan de moeder van [de minderjarige], die hem daarvoor € 650,- per maand betaalt, welk bedrag op zijn woonlasten in mindering dient te worden gebracht, aldus de man.

De vrouw bestrijdt dat rekening dient te worden gehouden met de woonlasten van de woning in [B]. Volgens haar heeft de man de woning in [A] uitsluitend gekocht om dichter bij [de minderjarige] te verblijven. Dat is een keuze die voor rekening van de man dient te komen, te meer nu hij daarover geen overleg met haar heeft gevoerd, aldus de vrouw. Daarbij komt, zo stelt de vrouw, dat hij de woning in [B] voor een hoger bedrag zou kunnen verhuren, zodat zijn woonlasten van die woning worden gedekt.

Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw onvoldoende betwist dat de aankoop van de woning in [A] in het kader van de co-ouderschapsregeling noodzakelijk was. Het hof volgt de vrouw echter wel in haar – niet door de man weersproken – stelling dat de woning in [B] voor een hoger bedrag zou kunnen worden verhuurd. Het hof acht het redelijk de (gedeeltelijk fictieve) huurinkomsten te bepalen op een bedrag gelijk aan de thans door de man betaalde hypotheekrente en aflossing, zoals de vrouw betoogt. Bij de berekening van de draagkracht van de man zal wel rekening worden gehouden met een bedrag van € 131,- per maand vanwege het lidmaatschap van de Vereniging van Eigenaren en met een forfaitair bedrag van € 95,- per maand vanwege gebruikelijke overige eigenaarslasten.

4.5.

De man stelt dat voorts rekening dient te worden gehouden met de kosten van een lening die de vrouw met de man is aangegaan ter zake van de koop van een woning, welke lening thans nog een bedrag van € 8.750,- bedraagt. De vrouw lost daarop met een bedrag van € 250,- per maand af, doch dit is niet kostendekkend, aldus de man. De lening kost de man € 40,50 per maand. Nu de vrouw dit niet heeft betwist, en dit het hof niet onredelijk voorkomt, zal het hof hiermee rekening houden.

Het hof zal geen rekening houden met de door de man opgevoerde kosten van fysiotherapie noch met een verhoging van de premie zorgverzekering in verband daarmee. Van die verhoging is in dit stadium niet gebleken. Evenmin is voldoende gebleken dat de fysiotherapie kosten zodanig structureel zijn dat daarmee bij de bepaling van de kinderalimentatie rekening moet worden gehouden.

4.6.

Nu de man als vader van [de minderjarige] ook jegens hem onderhoudsplichtig is, zal het hof de draagkracht van de man over drie kinderen verdelen. Het hof ziet geen aanleiding rekening te houden met de kosten die de man vrijwillig ten behoeve van [de minderjarige] voldoet ten bedrage van ongeveer € 350,-, zoals hij stelt, nu deze kosten niet behoren voor te gaan op de onderhoudsplicht die hij jegens [kind a] en [kind b] heeft.

4.7.

Op grond van hetgeen is vastgesteld onder 2.3. en gezien het vorenoverwogene, en voorts rekening houdend met de norm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 70, bedraagt de draagkrachtruimte van de man € 229,- per kind per maand.

4.8.

De vrouw heeft niet weersproken dat de man verschillende kosten van [kind a] en [kind b] voldoet, waaronder schoolgeld, kosten van schoolreisjes en andere schoolactiviteiten, tandartskosten, reiskosten in verband met school en sport, aanschaf van fietsen en kleding voor bij de man en kosten in verband met brillen en een beugel voor [kind a]. Gelet op de door de man in dit verband overgelegde stukken in hoger beroep, raamt het hof deze kosten op een bedrag van € 150,- per kind per maand. Voor zover deze kosten niet reeds vallen onder de door de man te betalen schoolkosten op grond van het convenant, heeft de man deze – zo begrijpt het hof, mede op grond van de mededelingen van de man ter zitting - steeds naast de in het convenant overeengekomen bijdrage van € 150,- voor zijn rekening genomen, zodat daarmee eveneens rekening moet worden gehouden.

Rekening houdend met het fiscaal voordeel dat de man heeft bij het betalen van een kinderbijdrage alsmede vorenbedoelde kosten, is het hof van oordeel dat een door de man te betalen kinderbijdrage van € 137,- per kind per maand met ingang van 30 september 2012 in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven.

4.9.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

verklaart de vrouw niet ontvankelijk in haar verzoek, vermeld onder 3.2;

vernietigt de beschikking waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 29 augustus 2007 en het door partijen in augustus 2007 gesloten echtscheidingsconvenant dat daarvan deel uitmaakt aldus, dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind a] en [kind b] met ingang van 30 september 2012 wordt bepaald op een bedrag van € 137,- (zegge: HONDERD ZEVENENDERTIG EURO) per kind per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. van Haeringen, mr. A.R. Sturhoofd en mr. M.E. Burger in tegenwoordigheid van mr. T. Mekkelholt als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2014.