Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:3160

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-04-2014
Datum publicatie
27-08-2014
Zaaknummer
200.124.797/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag testamentair bewindvoerder.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 4 164, geldigheid: 2014-08-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2014-0039

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 1 april 2014

Zaaknummer: 200.124.797/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: 1385384 EM VERZ 12-316

Uitspraak van de meervoudige familiekamer in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellante,

advocaat: mr. M.E. van Huet te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Het hof verwijst naar en neemt over hetgeen is opgenomen in zijn tussenbeschikkingen

van 1 oktober 2013 en 28 januari 2014.

1.2.

[…] (hierna: [A]) is op 5 februari 2014 afzonderlijk door de

raadsheer-commissaris, in aanwezigheid van de griffier, gehoord in de instelling waar hij verblijft. Van dit verhoor is proces-verbaal opgemaakt.

1.3.

De advocaat van appellante heeft bij faxbrief, ingekomen op 4 maart 2014, gereageerd

op het onder 1.2. genoemde proces-verbaal.

2 De feiten

Voor de feiten waarvan in deze zaak wordt uitgegaan, verwijst het hof eveneens naar de tussenbeschikking van 28 januari 2014 (2.1 tot en met 2.3).

3 Het geschil in hoger beroep

Voor het geschil in hoger beroep verwijst het hof naar hetgeen is overwogen in de rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.3 van de tussenbeschikking van 28 januari 2014.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Ingevolge het bepaalde in 4:164, tweede lid, Burgerlijk Wetboek, wordt het ontslag van een bewindvoerder verleend hetzij op eigen verzoek, hetzij wegens gewichtige redenen, zulks op verzoek van een medebewindvoerder, van de rechthebbende, van iemand in wiens belang het bewind is ingesteld of van het openbaar ministerie, dan wel ambtshalve.

De vraag die in de onderhavige zaak beantwoord dient te worden is of de kantonrechter op goede gronden op verzoek van Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland (hierna: BJZZH), dan wel van [A], tot ontslag van appellante is overgegaan.

4.2.

Appellante stelt dat er geen gewichtige redenen aanwezig zijn om over te gaan tot haar ontslag. Zij voert haar taak zorgvuldig en naar behoren uit. Het feit dat [A] geen contact met haar wil, is geen gewichtige reden om haar als bewindvoerder te ontslaan.

Subsidiair stelt appellante dat een professionele bewindvoerder dient te worden benoemd, mocht het hof beslissen dat appellante terecht is ontslagen. Erflaatster heeft bewust de uitvoering van het vermogensbeheer enerzijds en de opvoeding over [A] anderzijds van elkaar gescheiden. De benoeming van de pleegouders tot bewindvoerders druist derhalve in tegen de laatste wil van de erflaatster.

4.3.

BJZZH stelt dat er gewichtige redenen aanwezig zijn voor het ontslag van appellante, nu er sprake is van een ernstig verstoorde relatie tussen [A] en appellante. [A] ervaart een grote weerstand tegen appellante en wenst geen contact met haar te hebben. Door zijn huidige leeftijd en woonsituatie zijn [A's] behoeftes op financieel gebied gewijzigd en is er thans sprake van een onwerkbare situatie. Het heeft de voorkeur om de pleegouders tot opvolgend bewindvoerders te benoemen omdat [A] daarmee een goede relatie heeft, aldus BJZZH.

[A] en de pleegouders hebben zich achter het standpunt van BJZZH geschaard.

4.4.

Het hof overweegt als volgt.

Hoewel het hof van oordeel is dat niet is gebleken dat appellante haar taak als bewindvoerder niet goed en kundig heeft uitgeoefend, ziet het hof in de navolgende omstandigheden een voldoende gewichtige reden om appellante te ontslaan als bewindvoerder.

Uit de stukken van het geding, de zitting(en) in hoger beroep en het verhoor van [A] is gebleken dat reeds langdurig sprake is van een uiterst moeizame relatie tussen appellante enerzijds en de pleegouders en [A] anderzijds. [A] heeft bij herhaling aangegeven dat hij geen contact met appellante wenst. Op grond van de stukken en hetgeen [A] tijdens het gehoor op 5 februari 2014 naar voren heeft gebracht stelt het hof vast dat het verzet van [A] tegen contact met appellante mede is ingegeven door angst opnieuw geconfronteerd te worden met het in het verleden ontstane trauma door (onder meer) het overlijden van zijn moeder. Verder is ook de verhouding tussen de pleegouders en appellante in de loop der jaren verstoord geraakt. Er is inmiddels al geruime tijd geen vruchtbaar overleg tussen appellante en [A] en/of de pleegouders meer mogelijk en het hof acht het, mede gezien hetgeen [A] daarover heeft verklaard, niet aannemelijk dat hier binnen afzienbare tijd verbetering in op zal treden. Daarbij kan in het midden blijven wie of wat de oorzaak is van de verstoorde verhouding. Naar ’s hofs oordeel vergt het belang van [A], ten behoeve waarvan het bewind is ingesteld, dat er communicatie kan zijn tussen enerzijds zijn pleegouders of hemzelf en anderzijds de bewindvoerder. Enige vorm van overleg is immers vereist om de vermogensrechtelijke belangen van [A] naar behoren te kunnen behartigen, te meer nu [A's] begeleiding er op is gericht om hem steeds meer zelfstandigheid te geven en hij gelet hierop en gezien zijn huidige leeftijdsfase steeds meer aanspraak zal moeten maken op de onder bewind gestelde gelden.

4.5.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de kantonrechter terecht en op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat er sprake is van gewichtige redenen om tot ontslag van appellante over te gaan. De bestreden beschikking zal in zoverre worden bekrachtigd.

4.6.

Wat betreft de benoeming van een nieuwe testamentair bewindvoerder overweegt het hof als volgt. Uit het testament van erflaatster volgt dat zij de behartiging van de persoonlijke belangen van [A] en de behartiging van haar nalatenschap niet in één hand wenste te laten. Immers, in het testament is onder I bepaald dat de persoon die belast zal worden met de voogdij over [A] een ander is dan de persoon die onder II is aangewezen tot testamentair bewindvoerder. Naar het oordeel van het hof dient de uiterste wil van erflaatster wat betreft deze tweedeling te prevaleren boven de door BJZZH, de pleegouders en [A] genoemde voordelen om de pleegouders tot opvolgend bewindvoerder te benoemen. Het hof volgt appellante in haar stelling dat een professionele bewindvoerder dient te worden benoemd. Het hof heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat [A] tijdens het verhoor heeft verklaard het benoemen van een professionele bewindvoerder een goed alternatief te vinden voor de pleegouders. Het hof zal de heer [x] van Rappórt bewindvoering & inkomensbeheer, wiens bereidverklaring aan deze beschikking is gehecht, benoemen tot (opvolgend) testamentair bewindvoerder.

De bestreden beschikking zal in zoverre worden vernietigd.

4.7.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover daarbij appellante is ontslagen als testamentair bewindvoerder over al hetgeen [A] uit de nalatenschap van erflaatster verkrijgt;

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover daarbij de pleegouders tot opvolgend testamentair bewindvoerders zijn benoemd en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

benoemt tot (opvolgend) testamentair bewindvoerder over al hetgeen [A] uit de nalatenschap van erflaatster verkrijgt:

de heer [x]

[adres]

[adres];

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.F.G.H. Beckers, mr. A.N. van Beek en mr. M. Perfors in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2014.