Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:3152

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-07-2014
Datum publicatie
09-09-2014
Zaaknummer
200.137.815/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 29 juli 2014

Zaaknummer: 200.137.815/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/520663 / FA RK 12-5338 (FL/AP)

Beschikking van de meervoudige familiekamer

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellante,

advocaat: mr. E.P. van der Schraaf te Hilversum,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde,

advocaat: mr. K.Y. van Oosten te Waddinxveen.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2.

De vrouw is op 28 november 2013 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 28 augustus 2013 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk C/13/520663 / FA RK 12-5338 (FL/AP).

1.3.

De man heeft op 20 januari 2014 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De vrouw heeft op 6 maart 2014 nadere stukken ingediend. De man heeft op 14 maart 2014 nadere stukken ingediend.

1.5.

De zaak is op 26 maart 2014 ter terechtzitting behandeld.

1.6.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

1.7.

Na te noemen meerderjarigen [H] en [M] hebben voorafgaand aan de zitting in hoger beroep laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen. [C] en [L] hebben in een brief aan het hof, ingekomen op 26 maart 2014, hun mening kenbaar gemaakt.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn [in] 1992 gehuwd. Hun huwelijk is op 23 mei 2005 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 29 december 2004 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren [H] (hierna: [kind 1]) [in] 1993, [M] (hierna: [kind 2]) [in] 1995, [C] (hierna: [kind 3]) [in] 1998 en [L] (hierna: [kind 4]) [in] 1999 (hierna tezamen: de kinderen).

2.2.

Bij de echtscheidingsbeschikking van 29 december 2004 is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen bepaald van € 210,- per kind per maand.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.3.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1965.

Sinds september 2005 heeft de man, via zijn persoonlijke holding [de holding], een belang van 51% in [de groep]. De overige aandelen (49%) zijn in handen van een compagnon. [de groep] bezit 100% van de aandelen van de besloten vennootschap [de b.v.] Het bedrijfsresultaat van [de b.v.] bedroeg volgens de jaarstukken in 2010, 2011 en 2012 respectievelijk € 5.267,- negatief, € 13.479,- en € 15.079,-. Blijkens een fiscaal rapport van 2013 heeft de man in 2011, 2012 en 2013 uit [de b.v.] een salaris ontvangen van respectievelijk € 14.574,-, € 9.967,- en € 12.000,-. Hij is geen bijdrage op grond van de Zorgverzekeringswet verschuldigd.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt hij € 89,- per maand. Hij ontvangt € 72,- per maand aan zorgtoeslag.

2.4.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1963. Zij vormt met de kinderen een eenoudergezin.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is op verzoek van de man de beschikking van de rechtbank Utrecht van 29 december 2004 gewijzigd aldus, dat de door hem te betalen bijdrage in de kosten in de verzorging en opvoeding van [kind 4] en [kind 3] en de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [kind 1] en [kind 2] met ingang van 3 juli 2012 op nihil zijn gesteld, met dien verstande dat voor zover de man over de periode vanaf 3 juli 2012 tot 28 augustus 2013 meer heeft betaald en/of op hem is verhaald, de bijdrage tot 28 augustus 2013 is bepaald op hetgeen door de man is betaald en/of op hem is verhaald.

3.2.

De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het verzoek van de man alsnog af te wijzen.

3.3.

De man verzoekt, naar het hof begrijpt, de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Ten aanzien van de reeds ten tijde van de procedure in eerste aanleg meerderjarige [kind 1], die in eerste aanleg zelf verweer heeft gevoerd, heeft te gelden dat nu hij niet van de bestreden beschikking in hoger beroep is gekomen, de nihilstelling van de voor hem bestemde bijdrage met ingang van 3 juli 2012 vaststaat.

Ten aanzien van – de tijdens de procedure in eerste aanleg meerderjarig geworden – [kind 2] heeft te gelden dat, nu zij evenmin hoger beroep heeft ingesteld tegen de bestreden beschikking, vanaf de dag van haar meerderjarigheid van [dag en maand] 2013 de nihilstelling van de bijdrage eveneens vast staat. Het hoger beroep van de vrouw strekt wat [kind 2] betreft tot beoordeling van de bijdrageverplichting van de man in de periode van 3 juli 2012 tot [dag en maand] 2013, zoals de vrouw ter zitting in hoger beroep ook heeft bevestigd.

4.2.

Tussen partijen is in hoger beroep niet in geschil dat in het onderhavige geval sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), zodat ook het hof daarvan uitgaat. Ter beoordeling ligt de vraag voor of de man nog steeds voldoende draagkracht heeft om de bij beschikking van 29 december 2004 vastgestelde bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen te voldoen.

4.3.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de man geen draagkracht meer heeft om een onderhoudsbijdrage te voldoen. De rechtbank is voorts ten onrechte ervan uitgegaan dat de vrouw ter zitting in eerste aanleg heeft erkend dat op basis van de financiële stukken van [de b.v.] geconcludeerd kan worden dat de man onvoldoende draagkracht heeft. Volgens de vrouw is er veel onduidelijkheid over deze stukken. Zij heeft naar aanleiding daarvan vragen gesteld, die door de man niet of nauwelijks zijn beantwoord. Daarnaast dient de man aan te tonen dat hij geen inkomsten ontvangt uit de onderneming die hij in Engeland heeft opgericht, te weten [de holding], zo stelt de vrouw. De man dient openheid van zaken te geven en alle relevante informatie van de Engelse Kamer van Koophandel over deze onderneming te verstrekken, hetgeen hij heeft nagelaten. De vrouw stelt voorts dat de man zich onvoldoende inspant om aan zijn onderhoudsverplichting jegens de kinderen te voldoen. Uit het feit dat het LBIO betaling door de man heeft verkregen, blijkt dat hij wel degelijk over voldoende financiële middelen beschikt, zo stelt de vrouw.

4.4.

De man stelt zich op het standpunt dat, nu zijn bedrijf vanwege de economische crisis een aantal jaren verlies heeft geleden en hij zichzelf daardoor sinds 2010 niet of nauwelijks loon heeft kunnen uitkeren, hij onvoldoende draagkracht heeft om een onderhoudsbijdrage te betalen. Volgens de man heeft de vrouw dit ter zitting in eerste aanleg erkend. Om de vastgestelde bijdrage te kunnen blijven voldoen en in zijn levensonderhoud te kunnen blijven voorzien, heeft hij zijn vermogen opgesoupeerd en heeft hij een bedrag van € 10.000,- van zijn ouders moeten lenen, zo stelt hij.

Volgens de man is [de holding]. een persoonlijke holding waarin geen inkomen wordt verworven. Hij stelt dat hij die onderneming in Engeland heeft opgericht omdat daarvoor ten tijde van de oprichting geen startkapitaal vereist was, zoals dit in Nederland toen nog wel was vereist bij de oprichting van een besloten vennootschap.

Volgens de man is het ondanks veelvuldig solliciteren niet gelukt om op een andere wijze inkomsten te verwerven, zodat aan hem geen (hogere) verdiencapaciteit moet worden toegekend.

4.5.

Het hof zal aan de stelling van de man dat de vrouw ter zitting in eerste aanleg heeft erkend dat hij gezien de financiële stukken van [de b.v.] geen draagkracht heeft, voorbijgaan, nu het hoger beroep mede ertoe strekt fouten en omissies in eerste aanleg te herstellen en dit kennelijk een dergelijke fout of omissie betreft.

4.6.

Het hof volgt de vrouw op haar beurt niet in haar stelling dat de financiële stukken van [de b.v.] onduidelijk zijn. In hoger beroep heeft de man de jaarstukken van [de holding]., [de groep]. en [de b.v.] van 2010, 2011 en 2012 overgelegd, alsmede een brief van G.J. Op ’t Landt van Rijnstreek Accountants en Belastingadviseurs van 10 juni 2013, waarin een toelichting wordt gegeven op de activiteiten van [de holding]. en waarin wordt vermeld dat er in de periode van 2006 tot 2012 geen andere economische activiteiten zijn geweest dan de deelname in [de groep]., die voor 100 % eigenaar is van [de b.v.] Aldus acht het hof genoegzaam aangetoond dat door middel van deze Engelse ondernemingen geen inkomsten worden verworven. Het hof is tevens van oordeel dat de man door het overleggen van deze stukken alsmede op grond van de door hem ter zitting in hoger beroep gegeven toelichting op deze stukken, genoegzaam inzage heeft gegeven in zijn inkomenssituatie alsmede genoegzaam antwoord heeft gegeven op de door de vrouw opgeworpen vragen – voor zover relevant. Hierop stuit hetgeen de vrouw in haar grieven 1 tot en met 3 heeft aangevoerd af.

4.7.

Nu de man stelt dat de winst uit onderneming sinds begin 2012 een voorzichtig stijgende lijn vertoont en dat de onderneming niet probleemloos van de ene op de andere dag kan worden opgeheven, dat hij thans niet over voldoende middelen beschikt om een nieuwe opleiding te volgen, dat hij tevergeefs heeft getracht een andere betaalde baan te vinden, waaronder als zij-instromer in het onderwijs, hetgeen ook uit de door hem overgelegde sollicitatiebrieven is gebleken, valt naar het oordeel van het hof niet in te zien dat aan de man een hogere verdiencapaciteit moet worden toegekend, zoals de vrouw heeft gesteld. Het hof zal ook hieraan voorbij gaan.

4.8.

Het hof zal met betrekking tot het inkomen van de man derhalve – zoals te doen gebruikelijk – uitgaan van het gemiddelde loon dat de man aan zichzelf als DGA heeft laten uitkeren in de afgelopen drie jaren van € 12.180,- bruto per jaar. Gelet op het hiervoor overwogene ziet het hof geen aanleiding om met een hoger bedrag rekening te houden.

4.9.

Met betrekking tot de lasten van de man wordt als volgt overwogen.

Het hof zal geen rekening houden met woonlasten, aangezien de man ter zitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij per 5 juli 2013 de huur van zijn woonruimte heeft opgezegd en sindsdien bij familie of vrienden verblijft. Zoals hierna nog zal blijken, kan voorts in het midden blijven wat de woonlasten van de man voor 5 juli 2013 waren. Evenmin zal het hof rekening houden met een lening van de man bij zijn ouders ten bedrage van € 10.000,-, reeds nu hij ter zitting in hoger beroep heeft verklaard daarop niet af te lossen. Wel zal het hof rekening houden met de hiervoor onder 2.3 genoemde premie ziektekostenverzekering waarop de zorgtoeslag in mindering wordt gebracht.

4.10.

Gezien het hiervoor overwogene en voorts rekening houdend met de norm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 70, heeft de man met ingang van 3 juli 2012 onvoldoende draagkracht om een onderhoudsbijdrage voor [kind 2], [kind 3] en [kind 4] te voldoen.

4.11.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.R. Sturhoofd, A.V.T. de Bie en J.C.E. Ackermans-Wijn in tegenwoordigheid van mr. S.E. Harenberg als griffier, en in het openbaar door de oudste raadsheer uitgesproken op 29 juli 2014.