Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:3151

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-08-2014
Datum publicatie
27-03-2015
Zaaknummer
200.145.213-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ontheffing gezag, onderzoek onafhankelijk en objectief, strafrechtelijke veroordeling, ontuchtige handelingen, geen nader onderzoek

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 1:306 BW, geldigheid: 2015-03-24
Burgerlijk Wetboek Boek 1 1:266 BW, geldigheid: 2015-03-24
Burgerlijk Wetboek Boek 1 1:268 BW, geldigheid: 2015-03-24
Burgerlijk Wetboek Boek 1 :261 BW, geldigheid: 2015-03-24
Burgerlijk Wetboek Boek 1 1:254 BW, geldigheid: 2015-03-24
Burgerlijk Wetboek Boek 1 810 a RV, geldigheid: 2015-03-24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 5 augustus 2014

Zaaknummer: 200.145.213/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/555126 / FA RK 13/9134

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. M. Erkens te Rotterdam,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam, locatie Amsterdam,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de moeder en de Raad genoemd.

1.2.

De moeder is op 14 april 2014 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 14 januari 2014 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk C/13/555126 / FA RK 13/9134.

1.3.

Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam (hierna: BJAA) heeft op 30 mei 2014 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zaak is op 30 juni 2014 tegelijkertijd met de zaken met zaaknummers 200.145.208/01 en 200.145.319/01 ter terechtzitting behandeld.

1.5.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- mevrouw [A], vertegenwoordiger van de Raad;

- mevrouw [B] (hierna: de gezinsmanager) en mevrouw [C], vertegenwoordigers van BJAA;

- mr. F.S. Jansen, advocaat te Rotterdam, namens na te noemen minderjarige [kind A].

1.6.

De heer en mevrouw [D] zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2 De feiten

2.1.

De moeder en de heer [E] hebben een relatie gehad. Uit deze relatie is geboren [...] (hierna: [kind A]) [in] 1998. De moeder en de heer [...] (hierna: [F]) hebben een relatie gehad. Uit deze relatie is geboren [...] (hierna: [kind B]) [in] 2001. [F] heeft [kind A] erkend. De moeder en de heer [...] (hierna: [G]) hebben een relatie gehad. Uit deze relatie is geboren [...] (hierna: [kind C]) [in] 2009.

2.2.

Bij beschikking van 4 november 2010 van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam zijn [kind A], [kind B] en [kind C] (hierna tezamen: de kinderen) onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling nadien telkens is verlengd.

2.3.

Bij beschikking van 24 februari 2012 van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam zijn de kinderen met een spoedmachtiging uit huis geplaatst. De machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen is nadien telkens verlengd.

2.4.

Bij beschikking van 14 maart 2014 heeft de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam toestemming verleend aan BJAA om [kind A] op grond van artikel 1:306 van het Burgerlijke Wetboek (BW) buiten Nederland te plaatsen.

2.5.

[G] is bij vonnis van 11 april 2014 door de rechtbank Amsterdam schuldig bevonden aan het plegen van ontuchtige handelingen met [kind A] en veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, het verzoek van de Raad, de moeder te ontheffen van het gezag over [kind A] en [kind B], en BJAA te benoemen tot voogdes, toegewezen.

3.2.

De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, primair het inleidend verzoek van de Raad af te wijzen en subsidiair een nader onderzoek te gelasten ex artikel 810a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

3.3.

BJAA verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en het door de moeder in hoger beroep verzochte af te wijzen.

3.4.

De Raad heeft ter zitting in hoger beroep verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

De moeder stelt in de eerste plaats dat haar standpunt niet is meegenomen in de besluitvorming door de Raad en dat het onderzoek door de Raad onzorgvuldig en in strijd met het kwaliteitskader van de Raad tot stand is gekomen. Het hof is anders dan de moeder van oordeel dat het onderzoek door de Raad voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. De Raad heeft met alle betrokkenen gesproken, heeft contact gehad met de betrokken instellingen en heeft dossieronderzoek gepleegd. De moeder en de heer [G] zijn in de gelegenheid gesteld om hun op- en aanmerkingen te maken. In hetgeen de moeder ter onderbouwing van haar stelling heeft aangevoerd bestaat onvoldoende aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

4.2.

Ter beoordeling aan het hof ligt voor de vraag of de rechtbank terecht en op goede gronden het verzoek van de Raad tot ontheffing van het gezag van de moeder over [kind A] en [kind B], heeft toegewezen.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:266 BW kan, mits het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet, de rechtbank een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen ontheffen op grond dat die ouder ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen. In het geval een ouder zich verzet tegen de ontheffing kan op grond van artikel 1:268 lid 1 jo lid 2 sub a BW ontheffing worden uitgesproken, indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 1:261 BW van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel, door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden.

4.3.

De moeder stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de moeder ongeschikt en onmachtig is om haar plicht tot verzorging en opvoeding van [kind A] en [kind B] te vervullen. Volgens de moeder staat niet vast dat er sprake is van ernstig seksueel misbruik van [kind A] en staat evenmin vast dat zij niet in staat is om [kind A] en [kind B] te beschermen. De moeder stelt dat het gezin verbetering heeft laten zien en dat zij wel leerbaar is. De moeder betwist dat [kind A] en [kind B] problemen hebben met douchen en dat er seksuele voorlichting gegeven is door middel van het kijken naar softporno. Volgens de moeder verzet het belang van [kind A] en [kind B] zich tegen de ontheffing en stapt de Raad te gemakkelijk heen over de effecten van een ontheffing op [kind A] en [kind B]. De moeder stelt dat de problemen bij [kind A] voortkomen uit haar dagelijkse leefomgeving en het gemis van de moeder. [kind A] is zonder duidelijk plan naar het buitenland verplaatst waarbij geen oog is voor alle mogelijke complicaties, aldus de moeder. De moeder stelt dat er nauwelijks sprake is van omgang.

Voor [kind B] is de thans ontstane situatie onduidelijk en was de situatie waarin [kind B] enkel uit huis was geplaats veel helderder, aldus de moeder. De rechtbank heeft volgens de moeder ten onrechte niet beslist op het verzoek van de moeder om een onderzoek op grond van artikel 810a Rv te gelasten. Gelet op de door de moeder in het appelschrift opgesomde feiten en omstandigheden verzoekt zij een onderzoek te doen door bijvoorbeeld het NIFP of de Horizon. De moeder is van mening dat door de Raad ten onrechte geen onderscheid wordt gemaakt tussen [kind A] en [kind B].

4.4.

BJAA voert aan dat wel degelijk vaststaat dat er sprake is geweest van seksueel misbruik van [kind A] en verwijst naar het vonnis waarbij [G] is veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf. BJAA is van mening dat de moeder niet in staat is de kinderen voldoende te beschermen tegen een onveilig opvoedingsklimaat. De kinderen zijn jarenlang blootgesteld aan een onveilige, onvoorspelbare en instabiele en bedreigende opvoedsituatie en er bestonden zorgen ten aanzien van de ontwikkeling van de kinderen. De moeder herkent en erkent de bestaande zorgen en problemen niet en zij blijft de problemen en trauma’s van de kinderen volgens BJAA bagatelliseren. Ondanks jarenlange intensieve hulpverlening is er geen, althans onvoldoende, verbetering gekomen in de opvoedsituatie van de kinderen. De moeder is niet in staat in het belang van de kinderen te handelen en stelt de belangen van haar ex-partner boven de belangen van haar kinderen, aldus BJAA. BJAA stelt dat de moeder via een email op de hoogte is gesteld van de overplaatsing van [kind A], dat er wel degelijk een duidelijk plan is, dat er nu [kind A] in het buitenland verblijft minder druk op haar wordt uitgeoefend en dat uit de weekverslagen uit [land] naar voren komt dat [kind A] op dit moment aan zichzelf kan toekomen en weer kind kan zijn. BJAA is van mening dat er voldoende onderzoek is gedaan, dat het duidelijk is dat een thuisplaatsing van de kinderen geen optie meer is, dat het belangrijk is voor de kinderen dat er duidelijkheid komt over hun toekomstperspectief en dat zij in een rustige en stabiele opvoedsituatie kunnen opgroeien en kunnen toekomen aan de verwerking van hun trauma’s. De zorgen over de veiligheid en stabiliteit van de opvoedsituatie bij de moeder betreffen alle kinderen in even grote mate en er is volgens BJAA geen aanleiding om onderscheid tussen de kinderen te maken.

4.5.

De Raad heeft ter zitting in hoger beroep gewezen op de lange voorgeschiedenis van hulpverlening en op het feit, dat de Bascule zelfstandig heeft waargenomen dat de moeder niet leerbaar is en dat de houding van de moeder en [G] naar de kinderen toe niet goed is. De moeder en [G] kunnen zich niet in de kinderen verplaatsen en stellen hun eigen beleving, van de gebeurtenissen, waarbij zij de kinderen diskwalificeren, bovenaan. De kinderen hebben bescherming, zekerheid en duidelijkheid nodig en een nader onderzoek zal te veel onrust mee brengen, hetgeen niet in het belang van de kinderen is. Het is in hun belang, dat er duidelijkheid ontstaat over hun toekomstperspectief, zodat zij zich in alle rust kunnen wijden aan hun opvoedingstaken en kind kunnen zijn. De Raad heeft verder verklaard dat de kinderen behandeling nodig hebben maar dat hiermee pas kan worden gestart als er rust is.

4.6.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het volgende gebleken. Naar aanleiding van zorgen ten aanzien van de thuis- en opvoedsituatie van de kinderen, alsmede gelet op de opvoedvaardigheden van de moeder en [G] is al sinds lange tijd (2003) hulp aan het gezin verleend en de kinderen zijn uiteindelijk op 4 november 2010 onder toezicht gesteld.

In maart 2011 is gestart met thuiszorg door Cordaan. Uit het evaluatieverslag van Cordaan van 28 juli 2011 blijkt dat door de hulpverlener wordt geconstateerd dat [G] zeer dominant is in huis en de vrijheid van de kinderen beperkt, dat dit ondermijnend is voor de ontwikkeling van de kinderen en dat de moeder de strenge aanpak van [G] niet corrigeert als gevolg waarvan de kinderen in de knel komen. De gesprekken die gevoerd zijn met de moeder en [G] hebben weinig tot geen resultaat opgeleverd.

De Viersprong is op 21 september 2011 gestart met de MST-CAN. Uit de evaluatie MST-CAN van 20 maart 2012 blijkt onder meer dat in de thuissituatie bij de moeder en [G] veel werd geschreeuwd en sprake was van (dreiging met) huiselijk geweld en strenge straffen, dat de moeder en [G] onvoldoende in staat waren om voldoende structuur en voorspelbaarheid te bieden aan de kinderen en in te spelen op de behoeftes van de kinderen, dat zij eveneens onvoldoende in staat waren om de kinderen voldoende complimenten te geven en dat MST-CAN voor alle gezinsleden individuele behandelingen heeft geadviseerd. De thuisbehandeling door MST-CAN is beëindigd op het moment dat de kinderen op 24 februari 2012 uit huis zijn geplaatst vanwege vermoedens van seksueel misbruik van [kind A] door [G]. Deze vermoedens zijn ontstaan naar aanleiding van een incident dat zich in februari 2013 tussen [kind A] en [G] heeft voorgedaan.

Uit de stukken komt verder naar voren dat er na de aanmelding van de moeder en de kinderen bij de Bascule onder meer op 30 augustus 2012 een duaal overleg heeft plaatsgevonden. In dit overleg is gesproken over de meest passende vorm van behandeling en is vervolgens gekozen voor een vooronderzoek naar de moeder bij de afdeling gezinspsychiatrie om haar zo een eerlijke kans te geven en, zonder de kinderen onnodig te belasten, een inschatting te kunnen maken van wat nodig en mogelijk is. In het kader van het vooronderzoek heeft onder meer een aantal telefonische gesprekken met de moeder plaatsgevonden, een intakegesprek, een afstemmingsgesprek, een gesprek in het kader van gezinsdiagnostiek, waar ook [G] bij aanwezig was, en is tenslotte een eindgesprek gevoerd. Uit de stukken blijkt dat de Bascule op basis van de gevoerde gesprekken heeft geconstateerd dat de moeder betrokken en gemotiveerd is maar dat zij een beperkt inlevingsvermogen heeft, dat de moeder en [G] ten aanzien van het incident tussen [kind A] en [G] beiden onvoldoende in staat zijn om vanuit het perspectief van [kind A] te kunnen denken en dat zij zich beiden als slachtoffer zien van het gedrag van [kind A]. Op basis hiervan heeft de Bascule besloten dat een vervolgtraject niet zinvol is omdat de beperkingen van de moeder zodanig zijn dat niet wordt verwacht dat zij in vervolggesprekken tot verder inzicht zou kunnen komen en dat er onvoldoende draagvlak is om de moeder en de kinderen een reële kans te geven. Er is een groot risico dat de moeder overvraagd zal worden.

Het hof is anders dan de moeder van oordeel dat voornoemd vooronderzoek voldoende zelfstandig door de Bascule is uitgevoerd en dat de Bascule onafhankelijk en objectief tot de conclusie is kunnen komen dat een vervolgtraject niet tot de mogelijkheden behoorde.

[G] is bij vonnis van 11 april 2014 door de rechtbank Amsterdam schuldig bevonden aan het plegen van ontuchtige handelingen met [kind A] en veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk. [G] heeft tegen de uitspraak hoger beroep ingesteld.

4.7.

Uit de stukken blijkt dat [kind A] en [kind B] beiden zeer beschadigd zijn en een belast verleden hebben als gevolg van gewelddadige en traumatische gebeurtenissen in hun thuissituatie. Beide kinderen voelen zich schuldig over de uithuisplaatsing. Ten aanzien van [kind A] bestaan er zorgen over haar lichamelijke ontwikkeling en haar sociaal-emotionele ontwikkeling. [kind A] is thans geplaatst op een paardenboerderij in [land]. Ter zitting in hoger beroep is naar voren gekomen dat het goed gaat met [kind A] en dat zij het naar haar zin heeft op de boerderij. Ten aanzien van [kind B] bestaan er zorgen over haar sociaal-emotionele ontwikkeling, zij is dromerig, heeft aandachtsproblemen en heeft een rijke fantasie. Daarnaast bestaan er zorgen over haar seksuele ontwikkeling aangezien zij uitlatingen doet die niet leeftijdsconform zijn. [kind B] verblijft sinds oktober 2013 in een perspectiefbiedend pleeggezin. De wenperiode in dit gezin is goed verlopen. [kind B] is in het voorjaar van 2013 gestart met gesprekken bij het Jeugdriagg. De gesprekken zijn gestaakt als gevolg van ziekte van de therapeute van [kind B] en besloten is dat de behandeling zal worden overgenomen door het Traumacentrum van de Bascule. De traumabehandeling kan worden gestart zodra [kind B] goed gewend is in haar huidige pleeggezin en alle juridische procedures zijn afgerond. De gezinsmanager heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat het weliswaar goed gaat met [kind B], maar dat zij nog steeds sociaal gewenst en aangepast gedrag vertoont en moeite heeft met het zelfstandig uitvoeren van taken.

Gelet op de hiervoor benoemde problematiek hebben [kind A] en [kind B] beiden specifieke opvoedingsbehoeften en hebben zij speciale begeleiding en traumabehandeling nodig. Het hof overweegt dat gebleken is dat de moeder weliswaar betrokken is maar dat zij over onvoldoende opvoedvaardigheden beschikt om te voorzien in hetgeen [kind A] en [kind B], gelet op hun kwetsbaarheid, nodig hebben. De moeder is niet in staat gebleken om een gestructureerde, voorspelbare en veilige opvoedomgeving te creëren voor [kind A] en [kind B], zij heeft onvoldoende inzicht in de problematiek van de kinderen en hun behoeftes en zij is daarbij niet in staat om de belangen van [kind A] en [kind B] voorop te stellen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de moeder zich openlijk blijft verzetten tegen de strafrechtelijke veroordeling van [G] en hetgeen in dit verband is voorgevallen blijft bagatelliseren waarmee zij er geen blijk van geeft in staat te zijn zich te verplaatsen in [kind A] en het belang van [kind A] voorop te stellen. De zeer langdurig ingezette intensieve hulpverlening heeft niet tot voldoende resultaat geleid. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat de moeder onmachtig en ongeschikt is om haar plicht tot verzorging en opvoeding van [kind A] en [kind B] te vervullen.

4.8.

Op grond van het vooroverwogene is naar het oordeel van het hof voldoende komen vast te staan dat het toekomstperspectief van [kind A] en [kind B] niet bij de moeder ligt. De doelstelling van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing, te weten uiteindelijk terugkeer naar de moeder, is gelet op alle omstandigheden van het geval niet meer aan de orde. De onzekerheid over het opvoedingsperspectief van [kind A] en [kind B] zal blijven voortduren zolang de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing jaarlijks moeten worden verlengd. Het hof is van oordeel dat dit belastend is voor [kind A] en [kind B] en derhalve niet in hun belang is. Daar komt bij dat de Bascule voornemens is om onderzoek te doen naar [kind A] en [kind B] en dat bij beide kinderen gestart moet worden met traumabehandeling, hetgeen evenwel pas mogelijk en zinvol is wanneer er rust is en er duidelijkheid bestaat omtrent het perspectief van [kind A] en [kind B]. Zij zijn dan ook het meest gebaat bij continuering van hun huidige opvoedingssituatie en bij zekerheid en duidelijkheid omtrent hun opvoedingsperspectief. Het hof acht de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing dan ook onvoldoende om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden. Het vorenstaande brengt mee dat de belangen van [kind A] en [kind B] zich niet verzetten tegen ontheffing van het gezag van de moeder.

4.9.

De moeder heeft verzocht om op grond van het bepaalde in artikel 810a lid 1 Rv een onderzoek te gelasten. Het hof overweegt dat een dergelijk verzoek slechts toewijsbaar is in het geval dat het onderzoek mede tot beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich hiertegen niet verzet. Er is naar het oordeel van het hof in het onderhavige geval reeds voldoende zorgvuldig en degelijk onderzoek gedaan en nader onderzoek zal bijdragen aan de beslissing van de zaak leiden. Daar komt bij dat het hof van oordeel is dat de belangen van [kind A] en [kind B] zich verzetten tegen de vertraging van de procedure en nog voortdurende onduidelijkheid die van het uitvoeren van een dergelijk onderzoek het gevolg zal zijn. Het hof acht het, zoals hiervoor overwogen onder 4.8, immers van belang dat er duidelijkheid komt voor [kind A] en [kind B] over hun toekomstperspectief. Het verzoek van de moeder zal dan ook worden afgewezen.

4.10.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat de gronden voor ontheffing van het gezag van de moeder over [kind A] en [kind B] aanwezig zijn. Het hof zal de bestreden beschikking derhalve bekrachtigen.

4.11.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M. Wigleven, M.M.A. Gerritzen - Gunst en M. Perfors in tegenwoordigheid van mr. S.E. Harenberg als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2014.