Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:3148

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-07-2014
Datum publicatie
09-09-2014
Zaaknummer
200.141.766/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2013:13692, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming verhuizing.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253a, geldigheid: 2014-09-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 22 juli 2014

Zaaknummer: 200.141.766/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/15/206991 / FA RK 13-3323

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te [a],

appellant,

advocaat: mr. Th.C.J. Kaandorp te Alkmaar,

tegen

[…],

wonende te [b],

geïntimeerde,

advocaat: mr. D. Beuving te Hengelo.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

De man is op 12 februari 2014 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 9 december 2013 van de rechtbank Noord-Holland, met kenmerk C/15/206991 / FA RK 13-3323.

1.3.

De vrouw heeft op 16 april 2014 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zaak is op 7 mei 2014 ter terechtzitting behandeld.

1.5.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de heer R. Koops, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de Raad).

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben van medio 2005 tot medio 2013 een relatie gehad. Uit hun relatie zijn geboren […] (hierna: [kind 1]) [in] 2006 en […] (hierna: [kind 2]) [in] 2011 (hierna tezamen: de kinderen). Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw.

2.2.

Op 3 januari 2014 is de vrouw met de kinderen naar haar huidige woonadres te [b] verhuisd.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is vervangende toestemming verleend aan de vrouw om met de kinderen te verhuizen naar [b]. Voorts is vervangende toestemming verleend om [kind 1] uit te schrijven op haar school in [a] en in te schrijven op de [school] in [b]. Deze beschikking is gegeven op het dienovereenkomstige verzoek van de vrouw.

3.2.

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, primair de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar inleidende verzoeken en subsidiair de verzoeken van de vrouw af te wijzen. De man verzoekt verder om de vrouw te gelasten binnen 30 dagen na betekening van de door het hof te geven beschikking terug te verhuizen naar de aan partijen in gemeenschappelijke eigendom toebehorende woning in [a], althans de gemeente [a], althans terug te verhuizen naar een plaats binnen een zodanige straal, gemeten vanuit het [adres] te [a] als het hof juist acht en om de vrouw te gelasten [kind 1] uit te schrijven op de [school] en in te schrijven op haar oude school in [a], althans op een nader door partijen in gezamenlijk overleg te bepalen school.

3.3.

De vrouw verzoekt het door de man in hoger beroep verzochte af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Aan het hof ligt ter beoordeling voor de vraag of de rechtbank terecht en op juiste gronden vervangende toestemming aan de vrouw heeft verleend om met de kinderen naar [b], te verhuizen en om [kind 1] uit te schrijven op haar school in [a] en in te schrijven op de [school] in [b].

De voorliggende vraag wordt bestreken door artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek. Ingevolge dit artikel dient de rechter in een geschil omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag een zodanige beslissing te nemen als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Volgens vaste rechtspraak dient de rechter bij de beoordeling de belangen van alle betrokkenen tegen elkaar af te wegen. Het belang van de betrokken kinderen vormt daarbij een eerste overweging, maar dat neemt niet weg dat, afhankelijk van alle omstandigheden van het geval, andere belangen zwaarder kunnen wegen.

4.2.

De man betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat hij de door de vrouw gestelde seksuele contacten met derden heeft erkend en stelt voorts dat partijen op zijn initiatief uit elkaar zijn gegaan. Volgens de man hebben de belangen van de kinderen niet een eerste overweging van de rechtbank gevormd. De man is van mening dat die belangen zich verzetten tegen een verhuizing. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat een verhuizing een betrekkelijke geringe invloed heeft op de intensiteit van het contact tussen de man en de kinderen en hij vreest dat de zorgregeling door de verhuizing onder druk zal komen te staan en extra belastend zal zijn voor de kinderen. De man betwist dat hij het contact met de kinderen zou kunnen combineren met zijn werk in het buitenland. Voorts neemt de rechtbank ten onrechte aan dat [b] een bekende omgeving is voor de kinderen; de kinderen zijn in [a] geworteld en hebben daar hun woon- en sociale omgeving. Uit niets blijkt dat de vrouw de verhuizing zorgvuldig heeft voorbereid en zij heeft de man hiervan niet tijdig op de hoogte gesteld. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat het belang van de vrouw om te verhuizen zwaarder weegt dan het belang van man bij afwijzing van het verzoek van de vrouw, aldus de man.

4.3.

De vrouw stelt dat de man gedurende een lange periode meerdere sekscontacten onderhield en dat hij ingeschreven stond op diverse seksdatingssites. Hetgeen zich tussen partijen heeft afgespeeld heeft een dermate grote impact gehad op de vrouw dat van haar niet verwacht kon worden dat zij in [a] blijft wonen. De relatie met de familie van de man is verstoord en zij voelt dat zij in [a] wordt “aangekeken” als gevolg van hetgeen tussen de man en haar is voorgevallen. Daar komt bij dat in [a] blijven financieel gezien ook geen optie was, nu zij geen werk in de omgeving van [a] kan vinden en geen bijdrage in haar levensonderhoud van de man ontvangt. In [b] kan de vrouw voor emotionele en psychische steun en onderdak en opvang voor de kinderen, terugvallen op haar moeder en familie. Volgens de vrouw kan de weekend- en vakantieregeling in stand blijven maar heeft de man zelfstandig besloten de contacten met de kinderen te verminderen. De vrouw voert aan dat zij actief op zoek is naar een baan en een woning en dat zij de verhuizing wel degelijk goed heeft voorbereid en hier veel aandacht aan heeft besteed. De rechtbank heeft volgens de vrouw terecht vervangende toestemming verleend nu haar belang zwaarder weegt dan dat van de man. Het gaat goed met de kinderen, zij hebben hun draai in [b] gevonden. Het zou volgens de vrouw niet in hun belang zijn wanneer zij weer terug zouden moeten verhuizen naar [a].

4.4.

De Raad heeft het hof ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. De Raad heeft in dit verband verklaard dat continuïteit in hun verzorgings- en opvoedingssituatie voor kinderen heel belangrijk is, dat het in het onderhavige geval gaat om jonge kinderen, dat de vrouw altijd de verzorgende ouder is geweest en dat de kinderen recht hebben op intensief contact met beide ouders.

4.5.

Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het volgende gebleken. Tijdens de relatie van partijen was sprake van een traditioneel rollenpatroon waarbij de man de kostwinner was en de vrouw niet werkte en de dagelijkse zorg voor de kinderen had. Partijen zijn eind maart 2013 feitelijk uit elkaar gegaan waarna de vrouw enige tijd met de kinderen in de gezamenlijke woning van partijen heeft gewoond. Na hun uiteengaan hebben partijen aanvankelijk uitvoering gegeven aan een co-ouderschapsregeling. In onderling overleg hebben zij de regeling aangepast in die zin dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw is, dat de kinderen eenmaal per veertien dagen van vrijdagmiddag na school tot maandagochtend voor school bij de man verblijven en dat de man de kinderen begeleidt en verzorgt tijdens de doordeweekse sportactiviteiten. Uit het voorgaande vloeit voort dat aan de zorg voor de kinderen ook na het uiteengaan van partijen hoofdzakelijk door de vrouw uitvoering is gegeven. Zoals ook door de Raad is benadrukt hebben de kinderen belang bij continuïteit op dit vlak.

De stelling van de man dat hij bij toewijzing van het verzoek van de vrouw wordt beperkt in zijn mogelijkheden om contact te hebben met de kinderen en dat dit negatieve gevolgen zal hebben voor de frequentie van deze contacten is aannemelijk. Het belang van de man bij afwijzing van het verzoek van de vrouw ligt in zoverre voor de hand. Daar staat evenwel tegenover dat is gebleken dat de man er, voorafgaand aan de verhuizing van de vrouw en de kinderen naar [b], voor heeft gekozen om de kinderen niet elk weekend maar om het weekend bij zich te hebben en dat hij bovendien toen niet in staat is gebleken om structureel uitvoering te geven aan de tussen partijen gemaakte afspraken met betrekking tot de zorgregeling.

4.6.

Het hof overweegt met betrekking tot de stellingen van de man dat de verhuizing van de vrouw en de kinderen naar [b] niet noodzakelijk is omdat zij een baan zou kunnen vinden in [a] en zij met de kinderen in de gezamenlijk woning van partijen in [a] zou kunnen blijven wonen, als volgt. Vast staat - en de man heeft ook erkend - dat hij gedurende de relatie met de vrouw sekswebsites bezocht. Voorts is op grond van de door de vrouw overgelegde stukken voldoende aannemelijk geworden dat de man met enige regelmaat seksdates had. De vrouw heeft verder ter zitting in hoger beroep onweersproken gesteld dat de man directeur is van een bekend bedrijf in [a], dat partijen als gevolg hiervan een zekere mate van bekendheid hebben in [a] en dat veel mensen in [a] op de hoogte zijn van de problemen tussen partijen. Het hof acht het begrijpelijk dat de vrouw als gevolg van het handelen van de man zeer aangeslagen is geraakt en is van oordeel dat zij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het voor haar ondragelijk was om met de kinderen in de gezamenlijke woning van partijen in [a] te blijven wonen, waarmee zij haar aanzienlijke belang bij een verhuizing naar een plaats buiten [a] eveneens aannemelijk heeft gemaakt. Het hof overweegt voorts dat de vrouw, met name gelet op haar financiële situatie, in dat verband geen andere mogelijkheid had dan (in elk geval tijdelijk) met de kinderen bij haar familie in te trekken in [b].

Hierbij is mede van belang dat de financiële gevolgen van de scheiding nog niet bekend zijn en dat eveneens nog onduidelijk is wat de eventuele voorwaarden zijn die de man stelt aan een eventuele voortzetting van de bewoning van de woning in [a] door de vrouw. De vrouw is er dan ook in geslaagd haar belang, en dat van de kinderen, bij een verhuizing naar [b] voldoende aannemelijk te maken en aan dit belang komt, mede gelet op het feit dat het jonge kinderen betreft en de vrouw tot op heden de verzorgende ouder is geweest, in het kader van de vereiste belangenafweging naar het oordeel van het hof een groot gewicht toe.

4.7.

De vrouw is op 3 januari 2014 met de kinderen verhuisd naar [b]. Zij heeft advies bij een kinderpsycholoog ingewonnen met betrekking tot de voorgenomen verhuizing en zij heeft de school van [kind 1] tijdig ingelicht zodat daar een passend afscheid kon worden georganiseerd. Het hof is van oordeel dat de vrouw onder de gegeven omstandigheden de verhuizing voldoende heeft voorbereid. De stelling van de man dat [b] geen bekende omgeving voor de kinderen was wordt, gelet op de frequente bezoeken aan de familie van de vrouw gedurende de relatie van partijen verworpen. De vrouw heeft ter zitting in hoger beroep onweersproken verklaard dat het goed gaat met de kinderen, dat zij de veranderingen goed aan kunnen, dat zij hun draai gevonden hebben in [b] en dat [kind 1] het naar haar zin heeft op haar nieuwe school. Verder is gebleken dat er sinds de verhuizing van de vrouw en de kinderen in een aantal weekenden en in de meivakantie omgang heeft plaatsgevonden tussen de kinderen en de man, dat zowel de omgang als het halen en brengen van de kinderen goed verlopen is en dat partijen erin geslaagd zijn afspraken te maken met betrekking tot de zorgregeling. Het hof is al met al van oordeel dat het belang van de kinderen zich verzet tegen een terugkeer naar (de omgeving van) [a], zoals de man verzoekt. De stelling van de man dat de lange reistijd een belasting vormt voor de kinderen, wat daar verder ook van zij, legt onvoldoende gewicht in de schaal.

4.8.

Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat het belang van de vrouw en de kinderen om in [b] te blijven zwaarder weegt dan het belang van de man bij toewijzing van zijn verzoeken, die erop neerkomen dat de kinderen dienen terug te keren. Het hof is dan ook van oordeel dat de rechtbank de vrouw op goede gronden vervangende toestemming heeft verleend om met de kinderen naar [b] te verhuizen. Hieruit vloeit voort dat de vrouw op goede gronden [kind 1] heeft ingeschreven op de [school] in [b], nu de man geen bezwaren tegen deze school heeft ingebracht.

4.9.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst af het meer of anders in hoger beroep verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M. Wigleven, A.V.T. de Bie en R.G. Kemmers in tegenwoordigheid van mr. S.E. Harenberg als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2014.