Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:3126

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-07-2014
Datum publicatie
06-08-2014
Zaaknummer
13/00072 en 13/00073
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2012:4518, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Proceskostenvergoeding beroepsfase. De hoofdprocedure betrof (de juistheid van) de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde voor 2009 en 2010 van 109 woningen en 14 bedrijfsruimten.

Het Hof is van oordeel dat belanghebbende in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van de werkzaamheden van de taxateur en dat ook het aantal in rekening gebrachte uren redelijk is.

het Hof acht het niet geraden om de vaststelling van de onderhavige proceskostenvergoeding te baseren op het uniforme beleid van de gerechtshoven. Er is sprake van een omvangrijke opdracht van een zodanige complexe en specialistische aard dat toepassing van het maximale uurtarief voor de taxateur gerechtvaardigd is. Voor de secretariële ondersteuning geldt een lager tarief.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:75, geldigheid: 2014-07-17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-1900 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N Vandaag 2014/1615
Belastingblad 2014/387
V-N 2015/2.23.5

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken 13/00072 en 13/00073

17 juli 2014

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op de hogere beroepen van

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar

tegen de uitspraken in de zaken met nrs. AWB 10/2557 en 10/2842 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 27 december 2012 in het geding tussen

[X] te [Z], belanghebbende,

gemachtigde: mr. C.J.J.C. Arnouts (Boekel de Nerée N.V.) te Amsterdam,

en

de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.1.

De heffingsambtenaar heeft, met dagtekening 28 februari 2009, bij op de voet van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) genomen beschikkingen de waarde voor het jaar 2009, naar de waardepeildatum 1 januari 2008, vastgesteld van 121 onroerende zaken te [Q]. In hetzelfde geschrift zijn ook de aanslagen onroerendezaakbelasting voor het jaar 2009 ter zake van die objecten bekend gemaakt.

1.1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak van 14 april 2010 de waardebeschikkingen en de aanslagen ter zake van 95 objecten gehandhaafd en die ter zake van 26 objecten verminderd.

1.2.1.

De heffingsambtenaar heeft, met dagtekening 28 februari 2010, bij op de voet van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) genomen beschikkingen de waarde voor het jaar 2010, naar de waardepeildatum 1 januari 2009, vastgesteld van 135 onroerende zaken te [Q]. In hetzelfde geschrift zijn ook de aanslagen onroerendezaakbelasting voor het jaar 2010 ter zake van die objecten bekend gemaakt.

1.2.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak van 13 mei 2010 de waardebeschikkingen en de aanslagen gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de heffingsambtenaar beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van 27 december 2012 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard en de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende veroordeeld ten bedrage van € 11.334,83.

1.4.

Het hogerberoepschrift is op 28 januari 2013 ter griffie van het Hof ontvangen. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2014, alwaar de beide zaken tegelijkertijd zijn behandeld. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak, waarin belanghebbende als eiser wordt aangeduid en de heffingsambtenaar als verweerder, de volgende feiten opgenomen:

“Eiser is eigenaar van 121 objecten in [Q]. Partijen hebben in beroep overeenstemming bereikt over de WOZ-waardes van deze objecten voor de jaren 2009 en 2010.

Voor het indienen van de bezwaarschriften heeft eiser gebruik gemaakt van de diensten van [A]. Tot de gedingstukken behoort een factuur van [A] aan eiser voor werkzaamheden verricht voor de bezwaarprocedure 2009 voor een bedrag van € 9.150 exclusief btw (€ 10.888,50 inclusief btw). In een bijlage is dit bedrag als volgt gespecificeerd:

Overzicht declaratie [X] taxatie belastingjaar 2009 (1-1-2008)

omschrijving werkzaamheden aantal verricht uurloon totaal

uren door

overleg met cliënt en voorbespreking 3,5 taxateur € 100,00 € 350,00

maken van een overzicht met vergelijkingen /

waarderingen (Excel) 20 secretaresse € 50,00 € 1.000,00

maken van een overzicht na verwerking bezwaar

(Excel) 3 taxateur € 100,00 € 300,00

uitzoeken via Funda van de gebruikte vergelijkingen

gemeente 10 secretaresse € 50.00 € 500,00

beoordelen en plaatselijke opname woningen/panden 25 taxateur € 100,00 € 2.500,00

uitwerken beoordelingen 7,5 taxateur € 100,00 € 750,00

uitzoeken vergelijkingen [A] 10 taxateur € 100,00 € 1.000,00

printen van de vergelijkingen 8 secretaresse € 50,00 € 400,00

maken van overzicht met vergelijkingen [A] en € 100,00

beoordelingen 14,5 taxateur € 100,00 € 1.450.00

overleg met gemeente en taxateurs 6 taxateur € 100,00 € 600,00

overleg met cliënt omtrent samenvatting vóór

eindbespreking met gemeente 3 taxateur € 100,00 € 300,00

110,5 € 9.150,00

ex btw

Tot de gedingstukken behoort voorts een factuur van [A] aan eiser voor werkzaamheden verricht voor de bezwaarprocedure 2010 voor een bedrag van € 1.750 excl. btw (€ 2.082,50 incl. btw). In een bijlage is dit bedrag als volgt gespecificeerd:

overzicht declaratie [X] taxatie belastingjaar 2010 (1-1-2009)

omschrijving werkzaamheden aantal verricht uurloon totaal

uren door

overleg met cliënt en voorbespreking 1 taxateur € 100,00 € 100,00

beoordelen en plaatselijke opname woningen/panden

(zit al in jaar 2009) 0 taxateur € 100,00 € 0,00

uitwerken beoordelingen (zit al in jaar 2009) 0 taxateur € 100,00 € 0,00

uitzoeken vergelijkingen [A] 5 taxateur € 100,00 € 500,00

printen van de vergelijkingen 6 secretaresse € 50,00 € 300,00

maken van overzicht met vergelijkingen [A] en

beoordelingen 8 taxateur € 100,00 € 800,00

overleg met gemeente en taxateurs 0,5 taxateur € 100,00 € 50,00

overleg met cliënt ivm voorstel [B]

(1-1-2008 = 1-1-2009) 2 taxateur € 100,00 € 200,00

emailwisseling met [B] 0.75 taxateur € 100,00 € 75,00

23,25 € 1.750,00

ex btw

[A] heeft daarnaast eiser nog een derde nota, evenals de twee hiervoor genoemde nota’s met dagtekening 6 januari 2011, gestuurd voor werkzaamheden (”laatste overleg met de gemeente”) welke betrekking heeft op zowel 2009 als 2010, voor een bedrag van € 1.904,00 (16 uur à € 100,00 per uur, vermeerderd met 19% btw).

Tot de gedingstukken behoort verder een offerte van [C] Makelaardij o.z. B.V. van 23 maart 2011, gericht aan [A] voor in het kader van de bezwaarprocedures tegen de WOZ-beschikkingen over het jaar 2010 verrichten van onderstaande werkzaam-heden:

voorbespreking met cliënt 2 uren € 110,00 € 220,00

opname objecten 65 uren € 110,00 € 7.150,00

vergelijkingen zoeken / waarde bepalen 20 uren € 110,00 €2.200,00

recherche kadaster 2 uren € 110,00 € 220,00

recherche gemeente 10 uren € 110,00 € 1.100,00

uitwerken rapport 30 uren € 110,00 € 3.300,00

nader overleg cliënten 1 uur € 110,00 € 110,00

€ 14.300,00

Dit bedrag is exclusief omzetbelasting, gemeentelijke leges en kadasterkosten.”

2.2.

Partijen hebben daartegen geen bezwaren geuit.

Uit de gedingstukken en uit hetgeen ter zitting is verhandeld is het Hof echter gebleken (hetgeen partijen desgevraagd hebben bevestigd) dat het, anders dan waarvan de rechtbank - mogelijk (haar overwegingen zijn op dit punt niet eensluidend) - is uitgegaan, gaat om de kosten die door belanghebbende in de beroepsfase (en niet in de bezwaarfase) zijn gemaakt.

Het Hof zal de hiervóór opgenomen feiten met die aanpassing lezen en voor het overige van de door de rechtbank vastgestelde feiten uitgaan.

2.3.

Het Hof voegt aan die feiten nog het volgende toe.

2.3.1.

Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende onder meer het volgende verklaard:

“Ik heb steeds eerst zelf bezwaar gemaakt. De gemeente neemt mij echter niet serieus en wijst ongezien alle bezwaren af. Ik moet vervolgens in beroep komen en een taxateur inschakelen voordat de gemeente bereid is te luisteren en in overleg wil treden. Dat is elk jaar het geval. De gemeente jaagt mij met haar houding op hoge kosten.”

2.3.2.

Ter zitting van het Hof heeft de taxateur van belanghebbende, [E] (hierna: [E]), het volgende verklaard:

“Ik hoor de gemeente zeggen dat een deel van de door [A] gedeclareerde uren zien op kosten voor rechtsbijstand. Dat klopt niet, want de rechtsbijstandsuren zijn reeds gescheiden van de uren taxatiewerkzaamheden. Bij [A] was er aanvankelijk een medewerker die de juridische kant van de zaak deed, en daarnaast een medewerker die de taxatietechnische kant deed, ikzelf. De juridische aspecten van de zaak werden gedaan door [D]. Wij hielden ieder onze eigen uren bij en declareerden die ook separaat. Alleen de door mij gedeclareerde uren worden hier door belanghebbende geclaimd. Later heeft belanghebbende een advocaat ingeschakeld en heeft [D] zijn werkzaamheden gestaakt.

Eerlijk gezegd vind ik het flauw dat de gemeente stelt dat nimmer een taxatierapport is overgelegd. Omdat het zoveel panden betrof, is gekozen voor een excelsheet. Die sheet bevat alle informatie die nodig is om een taxatierapport op te stellen. Het had op de weg van de gemeente gelegen om nadere informatie op te vragen.”

2.3.3.

Ter zitting van het Hof heeft mr. D.W.N. Brand, (kantoorgenoot van) de gemachtigde van belanghebbende, onder meer het volgende verklaard:

“Belanghebbende heeft er altijd voor gekozen om separaat juridische bijstand in te roepen naast de taxatietechnische bijstand die hij bij dit soort zaken nodig heeft. Ook bij deze zitting wordt belanghebbende vergezeld van de beide deskundigen.”

3 Geschil in hoger beroep

Evenals in eerste aanleg is voor het Hof uitsluitend nog in geschil de hoogte van de proceskostenvergoeding als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) voor de in beide zaken door belanghebbende gemaakte kosten in de beroepsfase.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard en daartoe als volgt overwogen:

“2. Doordat partijen in beroep overeenstemming hebben bereikt over de WOZ-waardes van de objecten over 2009 en 2010 en de hieruit voortvloeiende vermindering van de belastingaanslagen is verweerder geheel aan de bezwaren van eiser tegemoetgekomen, zodat voorzetting van de procedure niet meer tot een voor eiser gunstig(er) resultaat kan leiden. Een verzoek om vergoeding van proceskosten is niet voldoende voor het aannemen van procesbelang omdat op die verzoeken ook moet worden beslist bij niet-ontvankelijkverklaring wegens het komen te ontbreken van procesbelang. Dit betekent dat de rechtbank de beroepen van eiser niet-ontvankelijk zal verklaren wegens het ontbreken van procesbelang. (…)”

4.2.

Het Hof verenigt zich met deze overwegingen van de rechtbank en maakt die tot de zijne. Gelet op het arrest Hoge Raad van 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO5988, BNB 2011/69, is deze beslissing immers juist.

4.3.

Omtrent het verzoek om de heffingsambtenaar te veroordelen tot een vergoeding van de proceskosten van belanghebbende heeft de rechtbank het volgende overwogen:

“3. Eiser verzoekt om toekenning van een proceskostenvergoeding tot de som van de hierboven genoemde facturen, te weten in totaal € 14.875 inclusief btw, als zijnde kosten van de door eiser ingeschakelde deskundige.

4. De hoogte van de toe te kennen proceskostenvergoeding wordt bepaald op grond van de in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) opgenomen regeling. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser recht heeft op vergoeding van kosten voor de door hem ingeschakelde deskundige tegen het hiervoor maximum uurtarief van het Bpb, te weten € 81,23 per uur, te vermeerderen met btw. Bijzondere omstandigheden welke aanleiding zouden kunnen geven tot toekenning van een integrale proceskostenvergoeding zijn gesteld noch gebleken.

Voor zover de facturen van [A] uitgaan van uurtarieven voor een makelaar van € 100 zijn deze hoger dan door het Bpb voor vergoeding in aanmerking komen. Reeds hierom is de door eiser gevorderde vergoeding niet toewijsbaar.

5. Wat betreft de werkzaamheden welke door (het kantoor van) de taxateur zijn verricht overweegt de rechtbank dat niet alle door eiser opgevoerde kosten voor taxatietechnische werkzaamheden in aanmerking kunnen komen als vergoedbare kosten. Voor de hoogte van de toe te kennen vergoeding neemt de rechtbank als uitgangspunt de hiervoor genoemde offerte en is van oordeel dat in deze zaak in redelijkheid voor vergoeding in aanmerking komen de in deze offerte opgenomen posten ‘opname objecten’, ‘vergelijkingen zoeken / waarde bepalen’ en ‘uitwerken rapport’, die in totaal een tijdsbesteding van 115 uren omvatten. De rechtbank gaat er voorts van uit dat eiser, ook wat betreft de niet-woningen, de omzetbelasting niet kan verrekenen.

6. Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank de proceskostenvergoeding in bezwaar als volgt vast:

opname objecten 65 uren € 81,23 € 5.279,95

vergelijkingen zoeken / waarde bepalen 20 uren € 81,23 € 1.624,60

uitwerken rapport 30 uren € 81,23 € 2.436,90

€ 9.341,45

btw 19% € 1.774,88

totaal € 11.116,33

Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten voor de bezwaarfase is de rechtbank niet gebleken.”

4.4.

De heffingsambtenaar heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte het maximaal te vergoeden bedrag van € 81,23 per uur (exclusief BTW) heeft gehanteerd. In zoverre stelt het Hof vast dat kennelijk onjuist is de overweging van de rechtbank dat dit tussen partijen niet in geschil is (was). De heffingsambtenaar meent dat een bedrag van € 50 per uur (excl. BTW) tot uitgangspunt moet worden genomen, conform het uniforme beleid van de gerechtshoven zoals (onder meer) gepubliceerd in de uitspraak van dit hof van 8 november 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BY2756.

Voorts is de rechtbank volgens de heffingsambtenaar uitgegaan van een te hoog aantal bestede en te vergoeden uren. De getaxeerde objecten waren immers alle van eenvoudige aard; het betreft een mandje met (eenvoudige) woningen, aldus de heffingsambtenaar. Het door [A] in rekening gebrachte aantal uren is volgens hem buiten proporties.

Hij acht een vergoeding van, primair, maximaal € 1.300 (26 uren à € 50 plus BTW) redelijk. Subsidiair meent hij dat een vergoeding van maximaal € 4.434,29 kan worden toegekend (73,75 uren, waarvan 14/123e à € 65 zonder BTW en 109/123e à € 50 plus BTW).

Meer subsidiair stelt hij dat een vergoeding van € 6.914,48 maximaal is (115 uren, waarvan 14/123e à € 65 zonder BTW en 109/123e à € 50 plus BTW).

4.5.

Belanghebbende heeft geen incidenteel hoger beroep ingesteld doch ter zitting te kennen gegeven van mening te zijn dat het niet aangaat om van het uniforme beleid van de gerechts-hoven betreffende de kostenvergoedingen voor taxaties uitsluitend het forfaitair vastgestelde uurtarief (van € 50 voor een woningtaxatie) te hanteren en niet het daarbij eveneens forfaitair vastgestelde aantal uren (van 2 voor een woningtaxatie). Dat beleid moet hetzij integraal worden toepast, zowel wat uurtarief als in aanmerking te nemen aantal uren betreft, hetzij in het geheel niet worden toegepast, aldus belanghebbende. Het bedrag dat de rechtbank heeft toegekend is volgens hem eerder te laag dan te hoog.

4.6.

Het Hof overweegt als volgt.

4.7.1.

De hoofdprocedure, waarbij belanghebbende [E] als taxateur/deskundige van [A] in de arm heeft genomen, betrof (de juistheid van) de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarden voor de jaren 2009 en 2010 van een gevarieerde portefeuille van - naar tussen partijen vaststaat: in elk geval - 109 woningen en 14 bedrijfsruimten in [Q]. Die WOZ-waarden zijn uiteindelijk in de beroepsfase (kort voor de zitting van de rechtbank) door partijen en hun taxateurs gezamenlijk en in overeenstemming vastgesteld op lagere waarden (veelal zoals door belanghebbende bepleit).

4.7.2.

Aan belanghebbende is door [E]/[A] bij 3 facturen in totaal € 14.875 inclusief BTW (105,75 uren à € 100 per uur excl. BTW en 44 uren à € 50 per uur excl. BTW) in rekening gebracht. Belanghebbende heeft in eerste aanleg verzocht om een integrale vergoeding van deze kosten; hij heeft ter zitting in hoger beroep nader toegelicht dat hij zich, gezien de onwillige houding van de gemeente in de bezwaarfase, gedwongen zag deze kosten te maken.

4.8.

Het Hof is van oordeel dat belanghebbende in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van de werkzaamheden van een taxateur/deskundige voor de waardebepaling van de 109 woningen en 14 bedrijfsruimten, en dat ook het aantal door deze taxateur/deskundige hiervoor in rekening gebrachte uren redelijk is.

Het Hof heeft bij dit oordeel in aanmerking genomen dat het om een specifieke opdracht ging: de taxatie van ‘strengen’ woningen, gelegen in diverse stadsdelen van [Q], welke voor een deel nagenoeg identiek zijn (bijvoorbeeld twee of meer verdiepingen/ appartementen in één pand), maar ook voor een deel divers, bijvoorbeeld rijksmonument, en waarvan enkele zijn gecombineerd met een winkel- of andere bedrijfsruimte. Daarnaast omvatte de te taxeren portefeuille enige bedrijfsruimten zonder woning. Aldus verschillen de diverse objecten niet alleen van elkaar qua ligging, inhoud, oppervlakte en staat van onderhoud, ook zijn zij veelal verschillend qua bouwjaar, bouwstijl, bouwkwaliteit, etc.

Anders dan de gemeente stelt, is het Hof van oordeel dat de getaxeerde objecten daarmee geenszins “alle (…) van eenvoudige aard” zijn.

4.9.1.

Gelet op het voorgaande en op de omstandigheid dat de taxateur/deskundige voor zijn werkzaamheden en die van zijn secretaresse 149,75 uren heeft gedeclareerd en gespecificeerd, acht het Hof het in casu niet geraden om de vaststelling van de onderhavige proceskostenvergoeding te baseren op het uniforme beleid van de gerechtshoven als in 4.4 en 4.5 hiervoor bedoeld. Mitsdien zal het Hof de voor vergoeding in aanmerking komende kosten op reguliere wijze bepalen ingevolge de regeling van artikel 1, aanhef en sub b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) en het Besluit tarieven in strafzaken (hierna: Bts) dat ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en sub b, van het Bpb te dezen van overeen-komstige toepassing is.

4.9.2.

Het Hof is van oordeel dat sprake was van een omvangrijke opdracht van een zodanige complexe en specialistische aard dat toepassing van het maximale uurtarief als bedoeld in artikel 6 van het Bts in beginsel gerechtvaardigd is. Dat geldt in elk geval voor de door [E] bestede uren; voor de door de secretariële ondersteuning verrichte werkzaamheden acht het Hof het passend een lager uurtarief dan het maximale uurtarief te hanteren, te weten 50% van dat maximale uurtarief. Het Hof acht het ook overigens niet onredelijk om de onderhavige kosten te doen vergoeden op basis van het maximale uurtarief ingevolge het Bpb/Bts. Daarbij tekent het aan dat in deze niet, zoals de gemachtigde heeft bepleit, het bij het besluit van 28 augustus 2012 (Stb. 2012, 390) gewijzigde, per 1 januari 2013 geldende tarief van het Bts (Besluit van 19 september 2012, Stb. 2012, 423) van ten hoogste € 116,09 per uur van toepassing is; de opdracht aan de taxateur/deskundige is door belanghebbende immers verstrekt vóór de inwerkingtreding van het besluit van 28 augustus 2012 (vide artikel II van dat besluit).

4.9.3.

Bij de vaststelling van de onderhavige proceskostenvergoeding gaat het Hof uit van het aantal uren dat aan belanghebbende door de taxateur/deskundige in rekening is gebracht. Het Hof acht het aantal door de taxateur/deskundige aan de waardering van belanghebbendes vastgoedportefeuille bestede uren in verhouding tot het aantal objecten geenszins onredelijk; een gemiddelde van ruim 70 minuten per taxatie is niet bovenmatig te achten. Het Hof ziet geen aanleiding op het aantal aan belanghebbende in rekening gebrachte uren een aftrek toe te passen wegens rechtsbijstandsuren, zoals de rechtbank heeft gedaan en de heffings-ambtenaar heeft bepleit. Het Hof acht, mede gelet op de verklaringen van de gemachtigde, belanghebbende en de taxateur/deskundige in dit verband (zie in 2.3 van deze uitspraak), aannemelijk dat de laatstgenoemde uitsluitend taxatietechnische uren aan belanghebbende in rekening heeft gebracht en geen rechtsbijstandsuren en voorts, dat hij ook feitelijk geen rechtsbijstand aan belanghebbende heeft verleend. Belanghebbende heeft gesteld, en uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting volgt ook, dat belanghebbende in alle stadia van de onderhavige procedure, vanaf inschakeling van de taxateur/deskundige, steeds door zowel een taxateur/deskundige als een rechtsbijstandverlener is bijgestaan en (ter zitting) vergezeld. Het Hof heeft in dit verband geen reden te twijfelen aan de juistheid van de nadrukkelijke verklaring van [E] ter zitting.

4.9.4.

Dat de gemeente, naar de heffingsambtenaar heeft gesteld, in totaal slechts 13 uur en 45 minuten heeft besteed aan de taxatie van belanghebbendes vastgoedportefeuille, doet aan het voorgaande niet af. De door de gemeente aan de taxatie van belanghebbendes vastgoed-portefeuille bestede tijd vormt immers niet de maatstaf voor de aard of het gewicht van de werkzaamheden van de door belanghebbende ingeschakelde taxateur/deskundige bij het bepalen van de onderhavige proceskostenvergoeding.

4.10.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen acht het Hof een kostenvergoeding van 105,75 uren à € 81,23 plus 44 uren à € 40,50 ofwel (afgerond) € 10.372 exclusief BTW, niet onredelijk en in beginsel toewijsbaar. Vermeerderd met BTW (19%) voor zover betrekking hebbend op de taxatie van de woningen (109/123 x € 10.372) zou het totaal van de kosten-vergoeding dan uitkomen op € 12.118.

Slotsom

4.11.

De slotsom is dat de rechtbank met het bedrag van € 11.116,33 niet een te hoge proceskostenvergoeding wegens taxatiewerkzaamheden aan belanghebbende heeft toegekend. Haar uitspraak dient te worden bevestigd.

Van de heffingsambtenaar zal op de voet van artikel 8:109, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht griffierecht worden geheven voor het instellen van hoger beroep.

5 Kosten

5.1.

Het Hof acht termen aanwezig de heffingsambtenaar op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende voor zijn verweer in hoger beroep heeft moeten maken. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Bpb.

5.2.

Voor het onderhavige geval zijn dat in de eerste plaats de in onderdeel a vermelde kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Bpb stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeen-komstig het in de bijlage bij het Bpb opgenomen tarief op:

2 (proceshandelingen: indienen verweerschrift in hoger beroep en verschijnen ter zitting) x € 487 x 0,5 (wegingsfactor) = € 487.

Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van de forfaitaire vergoedingsbedragen zou moeten worden afgeweken, is geen sprake.

5.3.

Voorts komen voor vergoeding in aanmerking de in onderdeel b van artikel 1 van het Bpb vermelde kosten van de taxateur/deskundige die door belanghebbende ter zitting is meege-bracht. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van het Bpb juncto artikel 6 van het Bts (tekst per 1 januari 2013) stelt het Hof het bedrag van deze kosten in goede justitie op (3 uren à € 58 plus BTW (21%) over 109/123e daarvan is) € 206.

5.4.

Tot slot komen voor vergoeding in aanmerking (zie artikel 1 onder c van het Bpb) de kosten die belanghebbende heeft moeten maken voor het bijwonen van de zitting van het Hof, zijnde de reiskosten per openbaar vervoer, 2e klasse, [Z]-Amsterdam v.v., ten bedrage van (afgerond) € 5.

5.5.

Mitsdien bedraagt de totale kostenvergoeding in het hoger beroep € 698.

6 Beslissing

Het Hof

  • -

    bevestigt de uitspraak van de rechtbank;

  • -

    veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van belanghebbende tot een bedrag van € 698;

  • -

    bepaalt dat van de heffingsambtenaar een griffierecht wordt geheven van € 466.

De uitspraak is gedaan door mrs. E.F. Faase, voorzitter, H.E. Kostense en A.O. Lubbers, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. B.J.E. Lodder als griffier. De beslissing is op 17 juli 2014 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.