Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:3118

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-08-2014
Datum publicatie
17-09-2014
Zaaknummer
200.139.922/01
Formele relaties
Na verwijzing door: ECLI:NL:HR:2013:1393
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht.

Verdeling bij helfte van de ontbonden gemeenschap is in de omstandigheden van het geval niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 100, geldigheid: 2014-09-17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer : 200.139.922/01

arrest van de meervoudige familiekamer van 5 augustus 2014

inzake

[…],

wonend te […],

APPELLANT,

advocaat: mr. C.P.J.M. van Ruijven te Naaldwijk,

tegen:

[…],

wonend te […],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. E.J.L. Mulderink te Breda.

1 Het geding na verwijzing door de Hoge Raad

De partijen worden hierna de man en de vrouw genoemd.

Bij arrest van 22 november 2013 heeft de Hoge Raad onder zaaknummer 12/04506 het in deze zaak tussen de man en de vrouw gewezen arrest van het Gerechtshof 's‑Gravenhage van 27 maart 2012 vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar dit hof. Bij exploot van 16 december 2013 heeft de man de vrouw opgeroepen om voort te procederen voor dit hof.

Bij arrest van 28 januari 2014 heeft het hof een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie, die op 27 maart 2014 heeft plaatsgevonden, heeft niet tot een minnelijke regeling tussen partijen geleid.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

Het hof zal uitgaan van de feiten die de Hoge Raad in zijn arrest van 22 november 2013 onder 3.1 heeft vermeld, die overeenstemmen met de feitenvaststelling door de rechtbank te Rotterdam onder 2.1 in het bestreden vonnis van 21 juni 2006, waarvan de juistheid tussen partijen niet in geschil is.

3 Beoordeling

3.1.

Tussen partijen, die in algehele gemeenschap van goederen gehuwd waren, is bij beschikking van 11 december 2002 de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 17 januari 2003 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2.

Bij tussenvonnis van de rechtbank Rotterdam van 21 juni 2006 is – met uitzondering van de door de man gedreven onderneming [x] (hierna: de onderneming) – de huwelijksgoederengemeenschap van partijen verdeeld zonder nadere verrekening. Voorts is een tweetal schulden, te weten een schuld aan [schuldeiser a] van € 9.075,60 en een schuld aan [schuldeiser b] van € 1.747,19 aan de vrouw toegedeeld, onder de verplichting deze twee bedragen te verrekenen nadat eindvonnis is gewezen.

In het eindvonnis van 29 april 2009 heeft de rechtbank overwogen dat de vrouw door overlegging van het taxatierapport van Troostwijk afdoende heeft aangetoond dat de waarde van de onderneming op de peildatum (eind 2001) € 64.437,- bedroeg, en beslist dat de onderneming tegen een waarde van € 64.437,- aan de man wordt toegedeeld, en de man veroordeeld wegens overbedeling aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 37.629,89.

3.3.

In het tussenarrest van 16 augustus 2011 heeft het hof ’s-Gravenhage overwogen dat de onderneming, een eenmanszaak, geen afgescheiden vermogen vormt, en niet als zodanig aan de man kan worden toegedeeld. De activa waarmee de onderneming wordt geëxploiteerd behoren – aldus het hof – tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap en de tijdens de huwelijkse periode ontstane schulden met betrekking tot de exploitatie van de onderneming dienen als gemeenschapsschulden in de verdeling te worden betrokken.

In het eindarrest van 27 maart 2012 heeft het hof ’s-Gravenhage op de door het hof gehanteerde peildatum van 1 december 2000 de waarde van de activa ten behoeve van de onderneming vastgesteld op € 25.000,- en de aan de onderneming verbonden schulden op € 34.404,- (schuld aan [schuldeiser c]) en € 32.809,- (kortlopende schulden). Vervolgens heeft het hof de activa van de onderneming aan de man toegedeeld, de onderbedelingsvordering van de vrouw op € 17.911,39 vastgesteld, en de draagplicht van partijen ter zake van de gemeenschapsschulden gewijzigd in die zin dat de man alle schulden met betrekking tot de onderneming als eigen schuld dient te voldoen, zonder enige verrekening. Het hof heeft daartoe, kort gezegd, overwogen dit redelijk en billijk te achten, aangezien – aldus het hof – de man met de activa gedurende een reeks van jaren een kasstroom heeft kunnen genereren, nu hij zelf heeft gesteld dat hij de onderneming heeft voortgezet.

3.4.

De man heeft in cassatie klachten ingediend tegen het oordeel van het hof ’s-Gravenhage met betrekking tot de aan de onderneming verbonden schulden. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 22 november 2013 het volgende vooropgesteld. Ingevolge artikel 1:100 BW hebben de echtgenoten in beginsel een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap, zodat die gemeenschap bij helfte dient te worden verdeeld. Afgezien van de in de wet reeds genoemde gevallen, is een afwijking van deze regel niet geheel uitgesloten. Zij kan evenwel slechts worden aangenomen in zeer uitzonderlijke omstandigheden, die meebrengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de ene echtgenoot zich jegens de andere beroept op een verdeling bij helfte van de ontbonden gemeenschap. De Hoge Raad heeft de klachten van de man gegrond verklaard, omdat – aldus de Hoge Raad – uit de overweging van het hof niet blijkt dat het hof voornoemde maatstaf voor afwijking van de verdeling bij helfte in acht heeft genomen.

3.5.

Aan dit hof ligt derhalve ter beoordeling voor of onverkorte toepassing van de regel “verdeling bij helfte” naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

Het hof stelt vast dat de thans nog te verdelen gemeenschap bestaat uit:

activa van de onderneming € 25.000,-

schuld aan [schuldeiser c] - € 34.404,-

kortlopende schuld - € 32.809,-

schuld aan [schuldeiser a] - € 9.075,60

schuld aan [schuldeiser b] - € 1.747,19

------------- -----------------

€ 25.000,- - € 78.035,79

3.6.

De huwelijksgoederengemeenschap heeft derhalve een negatieve waarde van € 53.035,79, waarvan in beginsel ieder de helft, te weten € 26.517,90 dient te dragen.

De man heeft door de toedeling aan hem van de aan de onderneming verbonden activa en de beslissing dat hij de aan de onderneming verbonden schulden moet voldoen, een negatieve waarde van de gemeenschap van totaal € 42.213,- ( € 25.000,- en - € 67.213,-) toegedeeld gekregen. De vrouw heeft door de beslissing dat zij de schulden aan [schuldeiser a] en [schuldeiser b] moet voldoen, een negatieve waarde van de gemeenschap toegedeeld gekregen van totaal € 10.822,79. Verdeling bij helfte betekent in dit geval dat de vrouw € 15.695,11 aan de man dient te voldoen teneinde te bewerkstelligen dat ieder voor de helft de schulden van de gemeenschap draagt.

3.7.

De vrouw heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die zouden moeten leiden tot het oordeel dat verdeling bij helfte – die in dit geval inhoudt dat de vrouw voor de helft draagplichtig is voor de aan de onderneming verbonden schulden – naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Dat de man de onderneming na de peildatum heeft voortgezet is onvoldoende om tot dat oordeel te leiden, mede in het licht van het voorstel van de vrouw onder 33 van haar memorie van antwoord, waarin zij er zelf van uitgaat dat de door haar gestelde waarde van de onderneming wordt verminderd met de door haar gestelde schulden van de onderneming. Hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de negatieve waarde van de gemeenschap in aanmerking genomen, kan ook overigens niet geoordeeld worden dat verdeling bij helfte naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

3.8.

De grieven slagen. Het bestreden eindvonnis van de rechtbank Rotterdam van 29 april 2009 zal worden vernietigd. Het hof zal bepalen dat de activa van de onderneming aan de man worden toegedeeld, dat de man de schulden van de onderneming als zijn eigen schuld dient te voldoen, en dat de vrouw aan de man een bedrag dient te voldoen van € 15.695,11.

3.9.

Partijen zijn ex-echtelieden. Het hof zal daarom bepalen dat de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep worden gecompenseerd als na te melden.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden eindvonnis van 29 april 2009 van de rechtbank Rotterdam

en opnieuw rechtdoende:

stelt de (gedeeltelijke) verdeling van de huwelijksgemeenschap aldus vast dat de activa van de onderneming [x] worden toegedeeld aan de man;

bepaalt dat de man de schuld aan [schuldeiser c] € 34.404,- en de kortlopende schulden van de onderneming [x] van totaal € 32.809,- als zijn eigen schuld dient te voldoen en de vrouw ter zake van deze schulden dient te vrijwaren;

veroordeelt de vrouw om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de man te voldoen een bedrag van € 15.695,11, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van ingebrekestelling tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep aldus dat ieder de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.J. van den Bergh, C.G. Kleene-Eijk en A.R. Sturhoofd en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2014.