Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:3111

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-07-2014
Datum publicatie
06-08-2014
Zaaknummer
200.151.244/ 01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

beëinidging schuldsaneringsregeling, artikel 350, derde lid, Fw, inlichtingenplicht, artikel 288, eerste lid, onder c, Fw, sollicitatieverplichting, nieuwe schuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.151.244/ 01

insolventienummer rechtbank Noord-Holland : C/14/11/217 R

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 29 juli 2014

in de zaak van

[appellant],

wonend te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. M.V. Vermeij te[vestigingsplaats].

1 Het geding in hoger beroep

Appellant wordt hierna [appellant] genoemd.

[appellant] is bij op 26 juni 2014 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 18 juni 2014, waarbij de op [appellant] toepasselijke schuldsaneringsregeling is beëindigd zonder hem de zogenoemde schone lei te verlenen.

Het hoger beroep is behandeld op de zitting van het hof van 22 juli 2014. Bij die behandeling is [appellant] verschenen, bijgestaan door mr. Vermeij die het verzoekschrift heeft toegelicht aan de hand van een pleitnotitie die aan het hof is overgelegd. Voorts is de bewindvoerder, [X.], verschenen.

Het hof heeft kennis genomen van het verzoekschrift, van het dossier van de rechtbank, waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg en van de namens [appellant] op 18 juli 2014 nader overgelegde producties 20 tot en met 27 en de op 21 juli 2014 overgelegde productie 28. Hoewel de voorzitter namens het hof ter zitting in hoger beroep heeft verklaard niet over productie 29 te beschikken, blijkt deze achteraf op 21 juli 2014 ter griffie van het hof te zijn ingekomen. [appellant] heeft verklaard eveneens kennis te hebben genomen van de genoemde stukken.

2 Beoordeling

2.1

[appellant] heeft in het verzoekschrift verzocht om het vonnis waarin de op hem toepasselijke schuldsaneringsregeling tussentijds werd beëindigd zonder schone lei, te vernietigen en hem primair alsnog een schone lei te verlenen en subsidiair in staat te stellen de wettelijke schuldsaneringsregeling te voltooien onder verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling met zes maanden dan wel een termijn die het hof redelijk voorkomt. Daartoe heeft [appellant] – samengevat en voor zover voor de beslissing van belang – het volgende aangevoerd.

2.2

[appellant] betwist dat hij zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling niet naar behoren is nagekomen. Hij ontkent dat hij zich niet voldoende heeft gehouden aan zijn informatieverplichting. Wanneer er door de bewindvoerder werd aangegeven dat er stukken ontbraken, heeft [appellant] deze steeds zo spoedig mogelijk aan de bewindvoerder overgelegd. Inmiddels heeft [appellant] alle ontbrekende informatie, voor zover bij hem bekend, aan de bewindvoerder toegestuurd. [appellant] realiseert zich dat hij voor zijn verblijf in [land] toestemming van de bewindvoerder en de rechter-commissaris had behoren te vragen. Zijn vader werd echter plotseling ernstig ziek zodat de tijd om toestemming te vragen ontbrak [appellant] erkent dat hij een nieuwe schuld aan Univé van € 1.297,42 heeft laten ontstaan. [appellant] is pas na het lezen van het zesde verslag van de bewindvoerder van het ontstaan van deze schuld op de hoogte geraakt, waardoor er te weinig tijd was deze te voldoen. Na contact met Univé bleek [Univé] niet bereid ter zake van genoemde schuld een betalingsregeling met [appellant] te treffen. [appellant] heeft inmiddels echter reeds een totaalbedrag van € 425,= op genoemde schuld afgelost. In verband met de volgens de bewindvoerder op hem rustende sollicitatieverplichting heeft [appellant] gesteld dat hij door het uitspreken van het faillissement van zijn onderneming, de gedwongen verkoop van zijn woning en de daarmee gepaard gaande stressvolle thuissituatie de nodige psychische moeilijkheden heeft ondervonden, waarvoor hij zich onder behandeling van een psycholoog heeft gesteld. Gedurende de periode van 14 juni 2011 tot 16 december 2012 was [appellant] in verband daarmee arbeidsongeschikt en ontving hij een uitkering ingevolge de Ziektewet (Zw). Mede gelet op zijn psychische moeilijkheden is [appellant] - nadat zijn aanvraag om toekenning van een uitkering op grond van de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA-uitkering) was afgewezen - door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) vrijgesteld geweest van de sollicitatieplicht, zoals blijkt uit het door hem bij zijn verzoekschrift als productie 16 overgelegde werkplan van het UWV van 26 februari 2013. [appellant] ging ervan uit dat deze vrijstelling ook gold in het kader van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Ondanks de ontheffing van de sollicitatieplicht heeft [appellant] geprobeerd te werken en heeft hij met veel moeite werk gevonden bij uitzendbureau […]. Door zijn onregelmatige werktijden heeft hij, hoewel hij in sommige weken minder dan 32 uur heeft gewerkt, niet aanvullend gesolliciteerd. Hij wist pas kort tevoren of hij zou moeten werken. Uit de door hem bij het verzoekschrift overgelegde producties 18a en 18b blijkt dat hij in het jaar 2014 in ieder geval aan zijn sollicitatieverplichting heeft voldaan, aldus steeds [appellant]. Volgens [appellant] is hij niet toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Voor zover het hof oordeelt dat daarvan wel sprake is, verzoekt [appellant] deze gelet op de geringe betekenis van de tekortkomingen en/of de bijzondere aard daarvan buiten beschouwing te laten. Daarbij wil [appellant] mede wijzen op de zware impact van de nu aan de tekortkomingen verbonden sanctie.

2.3

De bewindvoerder heeft in hoger beroep het volgende aangevoerd. De informatieverplichting werd door [appellant] regelmatig nagekomen, echter steeds onvolledig. In verband met zijn vertrek naar [land] in april 2012 heeft [appellant] de bewindvoerder niet om toestemming verzocht. Dat [appellant] daarvoor geen mogelijkheid had, komt ongeloofwaardig over, nu de factuurdatum van Arke Reizen op 31 maart 2012 is gesteld en [appellant] pas op 8 april 2012 is vertrokken. Bovendien is [appellant] eerder in de zomer van 2011 met toestemming naar [land] afgereisd, zodat het hem bekend was dat hij toestemming moest vragen Hij is destijds op het belang van het verkrijgen van toestemming gewezen. Verder heeft [appellant] een nieuwe schuld van € 1.297,42 aan Univé laten ontstaan en is [appellant] tekortgeschoten in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende sollicitatieverplichting. Reeds in het verslag van het voortgangsgesprek van 20 april 2012 werd [appellant] op laatstgenoemde verplichting gewezen. Hoewel [appellant] zichzelf arbeidsongeschikt achtte, verklaarde de arts van het UWV hem op 5 maart 2012 weer geschikt om aan het werk te gaan. Op 29 januari 2013 werd het arbeidsongeschiktheidspercentage – na bezwaar van [appellant] – vastgesteld op 7,39%. De bewindvoerder heeft [appellant] erop gewezen dat als het UWV hem arbeidsgeschikt zou vinden, hij onmiddellijk moest gaan solliciteren. Sollicitaties over de maanden februari en maart 2013 bleven uit, waarna [appellant] op de verificatievergadering van 19 april 2013 meedeelde dat hij per 3 april 2013 een dienstbetrekking zou hebben in de bouw. [appellant] heeft in week 14 tot en met 49 van 2013 gewerkt voor een uitzendbureau. Gedurende 13 weken werkte [appellant] echter minder dan 32 uur waarvan 9 weken helemaal niet. In deze weken heeft [appellant] verzuimd aanvullend te solliciteren, aldus steeds de bewindvoerder. De bewindvoerder heeft geadviseerd het vonnis van de rechtbank te bekrachtigen.

2.4

Het hof stelt bij zijn beoordeling voorop dat - zoals in het bijzonder blijkt uit artikel 350, derde lid, Fw - vergaande verplichtingen rusten op de schuldenaar op wie de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is. Deze verplichtingen vinden hun grond in de doelstelling van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Die komt erop neer, dat natuurlijke personen die in een uitzichtloze financiële situatie terecht zijn gekomen, de kans moeten krijgen weer met een schone lei verder te gaan. Daar staat echter tegenover dat van de schuldenaar een actieve medewerking wordt verwacht aan de doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling.

2.5

Het hof is van oordeel dat [appellant] is tekortgeschoten in meerdere uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Op de schuldenaar rust onder meer de verplichting tot het verschaffen van die inlichtingen waarvan de schuldenaar weet of behoort te begrijpen dat zij van belang zijn voor een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling. [appellant] heeft nagelaten de bewindvoerder (spontaan en tijdig) toestemming te vragen voor en in kennis te stellen van zijn vertrek naar [land], ondanks dat hij daartoe ruim de mogelijkheid heeft gehad, daar zijn ticket is geboekt op 31 maart 2012 en hij pas op 8 april is vertrokken. Bovendien was [appellant] ermee bekend dat hij toestemming nodig had. [appellant] heeft bij een eerder vertrek naar [land] wel toestemming gevraagd en gekregen.

2.6

Volgens artikel 288, eerste lid, onder c, Fw rust op de schuldenaar verder onder meer de verplichting om zich in te spannen zo veel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Daarom moest [appellant] - zoals herhaaldelijk aan hem is medegedeeld - ten minste gemiddeld viermaal per maand solliciteren naar betaald werk. Uit opgave van de bewindvoerder blijkt dat [appellant] hieraan over een aantal periodes in 2013 niet heeft voldaan. Het betoog van [appellant] dat hij door het UWV was vrijgesteld van zijn sollicitatieplicht en er daarom vanuit ging dat deze vrijstelling ook gold in het kader van de wettelijke schuldsaneringsregeling, faalt. De bewindvoerder heeft [appellant] er immers reeds bij brief van 6 februari 2013 op gewezen dat als het UWV hem arbeidsgeschikt zou vinden, hij onmiddellijk moest gaan solliciteren. Nu op grond van de medische rapportage van 29 januari 2013 blijkt dat [appellant] door het UWV slechts 7,39% arbeidsongeschikt is bevonden diende hij te solliciteren. Het maakt voor de verplichtingen uit de WSNP immers niet uit of [appellant] door het UWV was vrijgesteld van de sollicitatieplicht. Dat [appellant] in het jaar 2014 mogelijk wel voldoende vaak heeft gesolliciteerd, doet verder aan voorgaand genoemde tekortkoming in 2013 niet af.

2.7

Voorts heeft [appellant] een nieuwe schuld aan Univé van € 1.297,42 laten ontstaan in verband met het niet voldoen van premie, hoewel in de berekening van het vrij te laten bedrag er rekening mee is gehouden dat hij de desbetreffende premie zou betalen.

2.8

Van bovengenoemde tekortkomingen valt [appellant] een verwijt te maken, zodat deze aan hem kunnen worden toegerekend. De tekortkomingen zijn van dien aard dat een beëindiging zonder schone lei van de schuldsaneringsregeling gerechtvaardigd is. Het hof ziet geen aanleiding de schuldsaneringsregeling te verlengen, nu [appellant] er door de bewindvoerder vele malen op is gewezen dat hij zijn verplichtingen niet nakwam maar dat niet geleid heeft tot voldoende medewerking van [appellant] om tot een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling te komen. Het vonnis van de rechtbank zal dan ook worden bekrachtigd.

3 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.M.A. Verscheure, G.C. Makkink en H.J.M. Boukema en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.

Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.