Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:3039

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-07-2014
Datum publicatie
18-08-2014
Zaaknummer
200.108.426-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van opdracht. Vertegenwoordiging. Is de rechtspersoon Alitalia Servizi ten behoeve waarvan de werkzaamheden worden verricht, de betalingsplichtige contractspartij? Antwoord luidt negatief na uitleg overeenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2014, afl. 6, p. 301

Uitspraak


GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I AOF

zaaknummer : 200.108.426/01


zaak/rolnummer rechtbank Amsterdam : 487286 / HA ZA 11-1052

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 29 juli 2014

inzake

de rechtspersoon naar buitenlands recht
STUDIO DE VITO & ASSOCIATI,

gevestigd te Rome (Italië),

appellante,

advocaat: voorheen mr. K. Beston-Kamminga te Amsterdam,
thans mr. Z. Jusic te Veghel,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MOLADE TRUST MANAGEMENT B.V.,

gevestigd te Amstelveen,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.W. Hilhorst te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Studio de Vito en MTM genoemd.

Studio de Vito is bij dagvaarding van 25 mei 2012 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 februari 2012, onder bovenvermeld zaak/rolnummer gewezen tussen MTM als eiseres en Studio de Vito als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 13 juni 2014 door hun raadslieden doen bepleiten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Beide partijen hebben nog inlichtingen verstrekt.

Ten slotte is arrest gevraagd.

Studio de Vito heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog de vordering van MTM zal afwijzen, met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten.

MTM heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met beslissing over de proceskosten.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2 (2.1 tot en met 2.5) de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1

Het gaat in dit geding in het kort om de volgende kwestie.

3.1.1

MTM heeft op verzoek van Studio de Vito in Nederland managementwerkzaamheden verricht ten behoeve van Alitalia Servizi SpA (verder: Alitalia Servizi). Alitalia Servizi oefent een deel van haar bedrijf in Nederland uit.
Studio de Vito heeft op 25 juni 2007 met MTM namens Alitalia Servizi een ‘Representative Agreement’ gesloten. Bovendien is Studio de Vito in juni 2007 met MTM een ‘Indemnity Agreement’ overeengekomen. Beide overeenkomsten zijn neergelegd in een schriftelijk stuk; die stukken zijn ondertekend door een vertegenwoordiger van MTM [naam vertegenwoordiger geintimeerde]) en een vertegenwoordiger van Studio de Vito ([naam vertegenwoordiger appellante]). Op beide overeenkomsten is Nederlands recht van toepassing verklaard.

3.1.2

MTM heeft voor managementwerkzaamheden die zij ten behoeve van Alitalia Servizi heeft verricht, gefactureerd aan Studio de Vito op 10 juli 2008, 2 oktober 2008, 13 januari 2009 en 16 januari 2009. In totaal bedroeg het in rekening gebrachte bedrag € 12.173,-.
De in juli 2008 in rekening gebrachte werkzaamheden zijn verricht in de periode van 2 april 2008 tot en met 30 juni 2008.
De in oktober 2008 in rekening gebrachte werkzaamheden zijn verricht in de periode van 3 juli 2008 tot en met 30 september 2008.
De op 13 januari 2009 in rekening gebrachte werkzaamheden zijn verricht in de periode van 1 oktober 2008 tot en met 31 december 2008.
De factuur van 16 januari 2009 betreft de jaarlijkse managementfee van € 2.900,-.
MTM heeft de facturen op per e-mail gedaan verzoek van een medewerker van Studio de Vito, [naam medewerker appellante], aan Studio de Vito gezonden ten name van Studio de Vito.

3.1.3

Alitalia Servizi heeft deze door MTM ten behoeve van haar verrichte werkzaamheden niet betaald. Zij is, naar ook Studio de Vito bij gelegenheid van de pleidooien hoger beroep heeft erkend, op 16 september 2008 failliet gegaan.

3.1.4

Studio de Vito heeft de vier facturen evenmin betaald.
Eerdere facturen van MTM waarmee MTM de door haar ten behoeve van Alitalia Servizi verrichte werkzaamheden aan Studio de Vito in rekening bracht, heeft Studio de Vito wel betaald. Studio de Vito heeft op haar beurt de betaalde bedragen in rekening gebracht bij Alitalia Servizi, waarop betaling door Alitalia Servizi is gevolgd.

3.1.5

Tussen Studio de Vito en MTM is geschil ontstaan over de vraag of MTM Studio de Vito aansprakelijk kan houden voor de betaling van de vier facturen.
MTM heeft Studio de Vito in rechte betrokken.

3.1.6

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis geoordeeld dat onvoldoende gemotiveerd is betwist dat Studio de Vito beschouwd moet worden als contractspartij van MTM, in die zin dat ook ingeval Alitalia Servizi Studio de Vito niet betaalt Studio de Vito gehouden is om de facturen van MTM te voldoen. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat Studio de Vito in onvoldoende mate heeft weersproken dat MTM de door haar in rekening gebrachte werkzaamheden heeft verricht.

3.2

De eerste en tweede grief van Studio de Vito zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat zij als contractspartner van MTM dient te worden beschouwd, zodat zij uit eigen hoofde gehouden is de facturen van MTM te voldoen.
Het hof overweegt als volgt.

3.3

Het gaat in dit geschil om samenhangende rechtsverhoudingen, met name tussen Alitalia Servizi en Studio de Vito, tussen Studio de Vito en MTM en tussen MTM en Alitalia Servizi. Ten aanzien van deze rechtsverhoudingen stelt het hof het volgende voorop.

3.3.1

Anders dan Studio de Vito in haar betoog lijkt te veronderstellen kan zij niet, althans niet zonder meer, buiten Alitalia Servizi om voor Alitalia Servizi verplichtingen in het leven roepen jegens MTM. Dat zij zich in de ‘Representative Agreement’ tegenover MTM heeft gepresenteerd als gevolmachtigde van Alitalia Servizi is daarvoor ontoereikend. De stellingen van Studio de Vito houden geen gedragingen of uitlatingen van Alitalia Servizi in waaraan kan worden ontleend dat Alitalia Servizi zich rechtstreeks jegens MTM heeft willen verbinden om de betalingsverplichtingen, die Studio de Vito namens Alitalia Servizi in de ‘Representative Agreement’ heeft aanvaard, na te komen.
Dat betekent dat de door Studio de Vito geschetste vertegenwoordigingsrelatie van Alitalia Servizi met haar weinig aanleiding geeft te veronderstellen dat de in de ‘Representative Agreement’ in het leven geroepen contractuele betalingsverplichtingen op Alitalia Servizi zijn komen te rusten en niet op Studio de Vito.

3.3.2

De overeenkomst, die is neergelegd in een schriftelijk stuk met het opschrift ‘Representative Agreement”, is een duurovereenkomst. Door middel van deze overeenkomst hebben de betrokken partijen over en weer rechten en verplichtingen in het leven geroepen, waaronder de verplichting voor MTM om ten behoeve van Alitalia Servizi, kortweg, managementwerkzaamheden uit te voeren en de verplichting voor de contractuele wederpartij van MTM om voor die werkzaamheden te betalen.
Dat een volmacht ingevolge het bepaalde in artikel 3:72 Burgerlijk Wetboek eindigt met een faillissement van de volmachtgever, brengt in beginsel niet mee dat eventuele met behulp van een volmacht reeds in het leven geroepen contractuele betalingsverplichtingen eindigen.

3.4

Studio de Vito wil aan de inhoud van de “Representative Agreement” ontlenen dat zij geen contractspartij is. Zij betoogt dat die overeenkomst met inbegrip van de uitlegclausule die van de overeenkomst deel uitmaakt, met toepassing van de zogenoemde Haviltex-maatstaf in die zin moet worden uitgelegd. In het bijzonder heeft Studio de Vito in dit verband aangevoerd dat bij de uitleg van de “Representative Agreement” acht moet worden geslagen op de inhoud van de op dezelfde dag tussen haar en MTM gesloten “Indemnity Agreement”. Volgens Studio de Vito moet de “Representative Agreement” in die zin worden uitgelegd dat zij zich slechts als borg jegens MTM heeft verbonden. Dat betoog moet falen.
Studio de Vito is in de kop van de “Representative Agreement” als partij aangemerkt. Daaruit kan een sterke aanwijzing worden geput dat de verplichtingen die door middel van de overeenkomst in het leven zijn geroepen Studio de Vito aangaan.
Dat aan Studio de Vito is toegevoegd dat zij optreedt voor Alitalia Servizi wijst in de richting van een vertegenwoordigingsrelatie. Nu niet is gesteld noch is gebleken dat Alitalia Servizi zich rechtstreeks jegens MTM heeft willen binden, ook niet door bekrachtiging van de overeenkomst, is er onvoldoende grond om uit die toevoeging op te maken dat bedoeld was dat Studio de Vito in naam en voor rekening van Alitalia Servizi optrad. MTM behoefde dat uit die toevoeging om die reden ook niet te begrijpen.
De bepalingen in artikel 2 van de “Representative Agreement” lijken het standpunt van Studio de Vito te ondersteunen. Dat legt evenwel onvoldoende gewicht in de schaal. MTM behoefde niet te verwachten dat zij die bepalingen in de door Studio de Vito verdedigde zin moest begrijpen, nu zij haar facturen naar het adres van Studio de Vito diende te sturen. Een en ander geldt te meer vanaf het moment dat van haar werd gevraagd de facturen op naam van Studio de Vito te stellen. Het bepaalde in artikel 4.2 van de overeenkomst baat Studio de Vito al evenmin, nu deze bepaling voor Studio de Vito een eigen betalingsverplichting in het leven lijkt te roepen voor het geval MTM in verband met haar werkzaamheden op enigerlei wijze aansprakelijk wordt gehouden.
Studio de Vito heeft nog benadrukt dat de overeengekomen werkzaamheden ten behoeve van Alitalia Servizi zouden worden verricht. Daaraan komt echter geen doorslaggevende betekenis toe bij de beantwoording van de vraag of Studio de Vito aan MTM moet betalen.
Het hof komt dan ook tot de slotsom dat Studio de Vito moet worden beschouwd als de contractspartner van MTM. Het betoog van Studio de Vito dat zij zich als borg verbonden heeft jegens MTM voor de contractuele verplichtingen van Alitalia Servizi stuit hierop af.

3.6

Studio de Vito heeft zich beroepen op dwaling voor het geval het hof haar als contractspartner van MTM zou aanmerken. Dat betoog moet eveneens falen. De vergissing waarop Studio de Vito zich beroept, behoort, als deze al zou komen vast te staan, voor haar rekening te blijven. Studio de Vito, een advocatenkantoor, had de overeenkomst beter moeten redigeren.
Gevolgtrekking moet zijn dat Studio de Vito geen succes heeft met de grieven 1 en 2.

3.7

De grieven 3 en 4 stellen de omvang van de betalingsverplichting van Studio de Vito aan de orde.

3.8

De stellingen van Studio de Vito zijn ontoereikend om aan te nemen dat de op Studio de Vito rustende contractuele betalingsverplichtingen zijn geëindigd met het faillissement van Alitalia Servizi. Gesteld noch gebleken is dat dat is overeengekomen en ook overigens bestaat daarvoor onvoldoende grond, integendeel. De “Representative Agreement” bevat in artikel 7 onder het kopje “Term of Agreement and Termination” een voorziening die in andere richting wijst, te weten:

“(…) In the event of liquidation of the Company (hof lees: Alitalia Servizi) and of MTM acting as liquidator thereof, this Agreement shall remain in full force and effect and fully applicable to MTM’s actions in its capacity as liquidator of the Company, until the liquidation has been completely finalized. The Representative fee and other fees will be due until such time.”

De stelling van Studio de Vito dat de curator in het faillissement van Alitalia Servizi alle vertegenwoordigingen heeft beëindigd is tegen die achtergrond niet precies genoeg om daaraan thans de door Studio de Vito bepleite gevolgtrekkingen te verbinden.
Studio de Vito heeft zich in dit verband nog beroepen op een stuk met opschrift “Revoca di Poteri e Conferimento di Nuova Procura” (productie 8 bij memorie van grieven), maar ook dit stuk biedt onvoldoende houvast. Op de derde pagina van dit stuk wordt verklaard dat alle vertegenwoordigingen van Alitalia Servizi met ingang van 12 januari 2009 zijn ingetrokken, maar zonder toelichting, die ontbreekt, valt daaraan niet zonder meer te ontlenen dat aan MTM niet langer vergoeding zou toekomen van de door haar ten behoeve van Alitalia Servizi verrichte werkzaamheden.

3.9

De stellingen van Studio de Vito bieden onvoldoende houvast voor het oordeel dat MTM na het faillissement van Alitalia Servizi te lang is voortgegaan met haar werkzaamheden of anderszins te weinig heeft rekening gehouden met het faillissement van Alitalia Servizi en dusdoende schade heeft veroorzaakt.
In de eerste plaats is hier vermeldenswaard dat is gesteld noch gebleken dat Studio de Vito pogingen in het werk heeft gesteld om tot beëindiging van de “Representative Agreement” te geraken, hoewel de overeenkomst daartoe in artikel 7 een voorziening bood.
Daarbij komt dat Studio de Vito onvoldoende gemotiveerd heeft bestreden dat ten behoeve van Alitalia Servizi ook na haar faillissement relevante werkzaamheden moesten worden verricht. Het overzetten van contracten naar nieuw op te richten vennootschappen dient tot die relevante werkzaamheden te worden gerekend. Dat die werkzaamheden de boedel van Alitalia Servizi dan wel de crediteuren ten goede zouden zijn gekomen, maakt in dit verband geen relevant verschil.
Er is dus geen grond om te aanvaarden dat MTM haar werkzaamheden onmiddellijk na het faillissement van Alitalia Servizi had moeten staken.

3.10

De stellingen van Studio de Vito zijn al evenmin toereikend om te aanvaarden dat zij enig recht kan ontlenen aan het bepaalde in artikel 2.2 van de “Representative Agreement”.

Uitgangspunt is dat eventuele schending van de verplichting om Studio de Vito te informeren niet zonder meer meebrengt dat Studio de Vito die werkzaamheden niet behoeft te betalen.
Op grond van het bepaalde in artikel 7 van de “Representative Agreement” diende Studio de Vito redelijkerwijs rekening ermee te houden dat in de fase van liquidatie van Alitalia Servizi nog werkzaamheden zouden worden verricht. Nu de stellingen van Studio de Vito niets inhouden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat MTM in dit verband met het oog op het belang van Studio de Vito redelijke grenzen heeft overschreden, is er ontoereikende grond om ermee rekening te houden dat zij wegens schending van het bepaalde in artikel 2.2 van de “Representative Agreement” jegens Studio de Vito schadeplichtig is geworden.
Daarop stuit dit betoog van Studio de Vito af.

3.11

Bovendien heeft Studio de Vito een reeks posten waarvoor MTM in 2008 en 2009 vergoeding heeft verlangd als te onduidelijk aangemerkt. Dat heeft Studio de Vito voor het eerst gedaan op 5 februari 2013 bij memorie van grieven.
Dat Studio de Vito pas na zo lange tijd tot de bevinding is gekomen dat posten onduidelijk zijn overtuigt niet. De toelichting van Studio de Vito op haar bezwaren biedt al evenmin veel houvast.
Bij gelegenheid van de pleidooien in hoger beroep heeft MTM toegelicht dat zij met Studio de Vito was overeengekomen dat zij van jaar tot jaar aan fee een vast bedrag groot € 2.900,- in rekening mocht brengen. Dat bedrag was bedoeld als startvergoeding voor het enkele feit dat zij in Nederland voor Alitalia Servizi als kantoor wilde fungeren. Daarvoor behoefde zij verder geen werkzaamheden te verrichten, die mocht zij apart op uurbasis factureren. Over het takenpakket dat leidde tot die werkzaamheden hebben partijen bij gelegenheid van de totstandkoming van de overeenkomst in Parijs overleg gevoerd. Dat overleg heeft geleid tot overeenstemming over het takenpakket. Deze uiteenzetting is onvoldoende gemotiveerd bestreden door Studio de Vito.
Tegen de hierboven geschetste achtergrond is hetgeen Studio aan kritiek op een aantal posten uit de facturen heeft aangevoerd te vaag om nader onderzoek in rechte te verdienen. Het hof gaat daaraan voorbij.

3.12

Tot slot heeft Studio de Vito aan MTM verweten dat zij jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld. Die stelling heeft na bovenstaande overwegingen geen afzonderlijke bespreking meer nodig.
Ook de grieven 5, 6, 7 en 8 stellen geen nieuwe vragen aan de orde. Zij behoeven geen afzonderlijke bespreking meer.


3.13 De grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Studio de Vito zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;


veroordeelt Studio de Vito in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van MTM begroot op € 1.815,- aan verschotten en € 2.682,- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.B.C.M. van der Reep, E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell en J. Blokland en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2014.