Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:3027

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-07-2014
Datum publicatie
17-09-2014
Zaaknummer
200.139.038/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie, samengesteld gezin.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 29 juli 2014

Zaaknummer: 200.139.038/01

Zaaknummer eerste aanleg: 543969 / FA RK 13.4332

Beschikking van de meervoudige familiekamer

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellant,

advocaat: mr. D. Numan te Amsterdam,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde,

advocaat: mr. C.M.E. Schreinemacher te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

De man is op 18 december 2013 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 23 oktober 2013 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk 543969 / FA RK 13.4332.

1.3.

De vrouw heeft op 26 februari 2014 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De vrouw heeft op 3 april 2014 nadere stukken ingediend.

1.5.

De zaak is op 14 april 2014 ter terechtzitting behandeld. De man is in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na de behandeling zijn financiële gegevens over te leggen. De behandeling van de zaak is aangehouden.

1.6.

De man heeft op 12 mei 2014 nadere stukken ingediend.

1.7.

De mondelinge behandeling is op 4 juni 2014 voortgezet. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

1.8.

Zoals afgesproken tijdens de behandeling ter zitting in hoger beroep heeft de man (op 5 juni 2014) nog stukken aan het hof toegezonden.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn [in] 1998 gehuwd. Hun huwelijk is op 6 oktober 2005 omgezet in een geregistreerd partnerschap, waarna op 14 december 2005 een verklaring tot beëindiging van het geregistreerd partnerschap is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren […] (hierna: [kind 1]) [in] 1999, […] (hierna: [kind 2]) [in] 2001 en […] (hierna: [kind 3]) [in] 2003 (hierna tezamen: de kinderen). Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.

2.2.

Partijen zijn bij convenant van 9 december 2005, voor zover thans van belang, overeengekomen dat de man aan de vrouw € 110,- per kind per maand zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.

2.3.

Partijen zijn op 14 juli 2010 in een ouderschapsplan, voor zover thans van belang, overeengekomen dat de niet-verzorgende ouder maandelijks een bedrag van € 122,74 aan kinderalimentatie aan de verzorgende ouder zal voldoen.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.4.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1969. De man heeft een relatie met een nieuwe partner, mevrouw [x]. Uit deze relatie zijn drie kinderen geboren: [kind 4] [in] 2009, [kind 5] [in] 2011 en [kind 6] [in] 2013. De man vormt samen met zijn partner en hun kinderen een gezin.

Hij is werkzaam in loondienst bij [bedrijf] als klinisch fysisch medewerker. Blijkens de jaaropgave over 2013 bedroeg zijn fiscaal loon in dat jaar € 41.015,-.

Hij ontvangt een kindgebonden budget van € 43,- per maand in 2013 en van € 38,- per maand in 2014.

2.5.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1979. Zij vormt met de kinderen van partijen een eenoudergezin.

Zij ontvangt een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder. Blijkens de aangifte IB 2013 bedroeg haar fiscaal loon in dat jaar € 13.571,-.

Partijen ontvingen ten tijde van hun samenleving geen kindgebonden budget. De vrouw ontvangt thans aan kindgebonden budget een bedrag van € 130,- per maand.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is op verzoek van de vrouw, met wijziging van het convenant van 9 december 2005, een door de man met ingang van 18 juni 2013 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen bepaald van € 275,- per kind per maand.

De vrouw heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat haar inleidend verzoek ertoe strekte een onderhoudsbijdrage van € 275,- per kind per maand vast te stellen met wijziging van zowel het convenant van 9 december 2005 als het ouderschapsplan van 14 juli 2010.

3.2.

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, te bepalen dat hij maandelijks een bedrag van € 112,- per kind dient te voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, dan wel een zodanig bedrag als het hof juist zal achten, met ingang van primair 18 juni 2013 en subsidiair 23 oktober 2013, dan wel een zodanige datum als het hof juist zal achten.

3.3.

De vrouw verzoekt, na wijziging van haar verzoek, de bestreden beschikking te bekrachtigen, dan wel een door de man te betalen kinderbijdrage te bepalen van € 250,- per kind per maand vanaf juni 2013, althans van 17 juni 2013 tot en met december 2013, dan wel een door de man te betalen bijdrage te bepalen van € 204,- per kind per maand, dan wel een zodanige kinderbijdrage te bepalen als het hof juist acht met ingang van 18 december 2013.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Ten aanzien van het verzoek van de man om de onderhoudsbijdrage te wijzigen in verband met een wijziging van omstandigheden (gelegen in het gegeven dat [kind 1] enkele maanden bij hem en zijn gezin heeft gewoond), overweegt het hof dat dit een nieuw zelfstandig verzoek betreft dat gelet op artikel 362 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) niet voor het eerst in hoger beroep gedaan kan worden. In zoverre zal de man niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn verzoek. Zijn eerste grief behoeft derhalve geen bespreking.

4.2.

Het hof dient in het navolgende te beoordelen met welk bedrag de man dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, met dien verstande dat zijn bijdrage, gezien hetgeen hiervoor is overwogen en gelet op het bepaalde in het ouderschapsplan van 14 juli 2010, niet lager kan zijn dan € 122,74 per kind per maand.

4.3.

Met zijn tweede grief heeft de man de behoefte van de kinderen aan de orde gesteld. De man betwist de door de vrouw in eerste aanleg gestelde behoefte van in totaal € 900,- per maand. De vrouw heeft verzocht van het netto gezinsinkomen in 2005 uit te gaan.

4.4.

Het hof overweegt als volgt. De man heeft gesteld dat de behoefte dient te worden bepaald op grond van een netto besteedbaar inkomen van € 2.372,- per maand. Uit een door de man overgelegde, en niet door de vrouw betwiste, draagkrachtberekening van 2005 blijkt een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 1.927,- per maand in het jaar van uiteengaan. Nu het door de man vermelde netto besteedbaar inkomen hoger is dan het toenmalige netto besteedbaar inkomen, gaat het hof voor de bepaling van de behoefte uit van het door de man opgevoerde netto besteedbaar inkomen van € 2.372,- per maand. Indien het huwelijk zou hebben voortgeduurd zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben uitgeoefend op het bedrag dat ten behoeve van de kinderen zou zijn uitgegeven. Er vindt geen vermeerdering plaats met het kindgebonden budget nu partijen dat tijdens hun huwelijk niet ontvingen. De behoefte die met een netto besteedbaar inkomen van € 2.372,- correspondeert, bedraagt € 606,- per maand voor drie kinderen. Op dit bedrag strekt het kindgebonden budget van € 130,- per maand dat de vrouw ontvangt in mindering. De behoefte bedraagt dan € 476,- per maand.

4.5.

Alvorens de draagkracht van de man wordt beoordeeld, dient de ingangsdatum voor de te betalen bijdrage te worden vastgesteld. Het hof bepaalt deze datum op 18 juni 2013, zijnde de datum van indiening van het inleidend verzoek door de vrouw. Vanaf die datum hebben beide partijen rekening kunnen houden met een wijziging van de bijdrage zoals bepaald in het ouderschapsplan.

4.6.

Vervolgens dient de draagkracht van de man te worden beoordeeld. Het hof zal die volgens de nieuwe richtlijnen vaststellen, nu de ingangsdatum van de te betalen bijdrage ligt na 1 april 2013. Het hof zal daarbij het netto besteedbaar inkomen van de man tot uitgangspunt nemen. Dit inkomen wordt vastgesteld door de som te nemen van het bruto inkomen en de werkelijke inkomsten uit vermogen, verminderd met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn.

Het hof berekent het netto besteedbaar inkomen van de man aan de hand van zijn jaaropgave van 2013. Inkomsten uit overwerk (voor zover daarvan al sprake zou zijn), de eindejaarsuitkering en een eenmalige uitkering zijn daarin opgenomen. Uit de aangifte IB 2013 van de man blijkt niet van inkomsten uit het geven van Arabische lessen zodat het hof daarmee geen rekening houdt. Daarbij wordt hetgeen de vrouw daaromtrent heeft gesteld wegens gebrek aan een onderbouwing verworpen.

Op het inkomen van de man is de overgangspremie VPL van € 84,- per maand in mindering gebracht, aangezien dit een verplichte premie betreft. Vanaf 1 januari 2014 is deze premie echter niet meer verschuldigd. Het netto besteedbaar inkomen van de man bedraagt op grond van het voorgaande € 2.325,- per maand met ingang van 18 juni 2013 en € 2.372,- per maand met ingang van 2014.

4.7.

De draagkracht zal worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 860,-)], nu het een netto besteedbaar inkomen betreft dat hoger is dan € 1.500,- per maand. Deze benadering houdt in dat aan de zijde van de man op het besteedbaar inkomen 30% in mindering zal worden gebracht in verband met forfaitaire woonlasten, dat rekening zal worden gehouden met een bedrag van € 860,- aan overige lasten en dat zal worden uitgegaan van een draagkrachtpercentage van 70. Uit het voorgaande vloeit voort dat de man een voor kinderalimentatie beschikbare draagkracht heeft van € 539,- per maand met ingang van 18 juni 2013 en van € 560,- per maand met ingang van 1 januari 2014.

4.8.

Vaststaat dat de man niet alleen jegens [kind 1], [kind 2] en [kind 3] onderhoudsplichtig is, maar ook jegens de drie kinderen uit zijn huidige relatie. Het hof overweegt als volgt. Op grond van art. 1:397 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) geldt dat indien meer personen op grond van bloed- en aanverwantschap tot het verstrekken van levensonderhoud zijn gehouden, de omvang van ieders verplichting afhangt van de omstandigheden van het geval, in het bijzonder van ieders draagkracht en de bijzondere verhouding waarin ieder staat tot degene die onderhoud behoeft. Als het gaat om kinderalimentatie die door ouders is verschuldigd, zal de omvang van ieders verplichting in beginsel moet worden vastgesteld naar rato van ieders draagkracht (art. 1:404 lid 1 BW). Indien een ouder een nieuwe relatie is aangegaan waaruit kinderen zijn geboren, dan zal niet alleen rekening moeten worden gehouden met het feit dat die ouder verplicht is om tevens bij te dragen in de kosten van de verzorging en opvoeding van die kinderen, maar ook met het feit dat op de andere ouder van die kinderen eenzelfde verplichting rust en dat de onderlinge bijdrageplicht van de ouders in de nieuwe relatie eveneens bepaald dient te worden naar rato van ieders draagkracht.

De man heeft gesteld dat zijn nieuwe partner geen inkomen heeft en heeft ten bewijze daarvan een Definitieve Berekening Toeslagen 2012 en zijn aangifte IB 2013 overgelegd. De vrouw heeft niet betwist dat de nieuwe partner van de man niet over eigen inkomen beschikt. De behoefte van de kinderen van de man en zijn nieuwe partner per [dag,maand] 2013 (geboorte [kind 6]) wordt daarom vastgesteld op basis van het netto besteedbaar inkomen van de man van € 2.372,- per maand en bedraagt derhalve, evenals in het geval van [kind 1], [kind 2] en [kind 3] € 606,- per maand en na aftrek van het kindgebonden budget € € 568,- per maand. De vrouw heeft voorts gesteld dat de nieuwe partner van de man kan werken, een (fictieve) verdiencapaciteit heeft en daarom kan bijdragen in de kosten van de jongste drie kinderen. Nu de partner van de man is geboren [in] 1989 en niet gesteld noch gebleken is dat zij niet in staat is om in haar eigen levensonderhoud te voorzien, gaat het hof ervan uit dat zij de helft van de kosten van haar kinderen met de man voor haar rekening neemt. De enkele stelling van de man dat zij voor hun kinderen zorgt, hetgeen een bewuste keuze is die bovendien kinderopvangkosten uitspaart, is onvoldoende om van een andere verdeling van de kosten van de drie kinderen uit te gaan.

4.9.

Gelet op het feit dat de man onvoldoende draagkracht heeft om in de behoefte van de zes kinderen te voorzien, zal de draagkracht van de man worden verdeeld over zes kinderen, voor wie hij onderhoudsplichtig is. Dit betekent dat hij een draagkracht heeft voor [kind 1], [kind 2] en [kind 3] van 3/6 van € 539,- respectievelijk € 560,-.

4.10.

De vrouw heeft betoogd dat haar draagkracht dient te worden vastgesteld aan de hand van de toepasselijke draagkrachttabel, nu het een netto besteedbaar inkomen betreft dat lager is dan € 1.500,- per maand. Uitgaande van die tabel leidt het inkomen van de vrouw tot een beschikbare draagkracht van € 50,- per maand.

Nu de man ter zitting in hoger beroep heeft erkend dat vrouw niet (meer) samenwoont, zal het hof voorbijgaan aan de standpunten van de man over de woonlasten van de vrouw.

4.11.

Nu de gezamenlijke draagkracht van partijen lager is dan de behoefte van de kinderen van € 476,- per maand, kan een vergelijking van hun draagkracht achterwege blijven.

4.12.Vervolgens dient te worden beoordeeld of de zorgkorting moet worden toegepast. De kosten van de omgang worden in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte. Het percentage van de zorgkorting is afhankelijk van de frequentie van de omgang. Bij beschikking van 18 maart 2009 is een zorgregeling vastgesteld tussen de man en de kinderen. Volgens de vrouw heeft de man sinds 2011 echter geen (regelmatige) omgang meer met de kinderen, omdat zij dat niet willen. De kinderen zien de man twee à drie keer per jaar.

De man heeft verklaard dat hij de kinderen in de afgelopen voorjaarsvakantie voor het laatst heeft gezien. Verder staat vast dat [kind 1] in 2013 ruim twee maanden bij de man heeft gewoond.

Omdat er sprake is van enige omgang en partijen beiden hebben verklaard dat de vader van de vrouw onder andere over een te treffen uitgebreidere zorgregeling bemiddelt tussen hen, zodat niet uitgesloten is dat deze omgang in de toekomst uitgebreider zal zijn dan thans het geval is, ziet het hof aanleiding om uit te gaan van het (standaard) percentage van 15%, hetgeen leidt tot een korting van € 71,- per maand.

4.13.

Nu de onderhoudsplichtigen gezamenlijk onvoldoende draagkracht hebben om in de behoefte van de kinderen te voorzien, wordt dit tekort gelijkelijk verdeeld tussen de onderhoudsplichtigen en wordt het aan de man toerekenbare deel van dat tekort in mindering gebracht op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting wordt in mindering gebracht op het aandeel van de vrouw in de behoefte van de kinderen.

De gezamenlijke draagkracht van partijen van € 320,- per maand met ingang van 18 juni 2013 en van € 330,- per maand met ingang van 1 januari 2014 is lager dan de behoefte van de kinderen. Het tekort dient aan de man en de vrouw gelijkelijk te worden toegerekend. Aangezien deze berekening leidt tot een lagere bijdrage dan de man blijkens het bepaalde onder 4.1 en 4.2 verplicht is te voldoen zal het hof de bijdrage vaststellen op het aldaar genoemde bedrag € 122,74 per maand per kind.

4.14.

De man heeft aangevoerd dat hij vanaf 1 januari 2015 geen aanspraak meer kan maken op een fiscaal voordeel.

Aangezien de totale besteding voor de kinderen lager is dan het normbedrag van € 416,- per kind per kwartaal heeft de man thans reeds geen recht op een fiscaal voordeel.

4.15.

Voor zover de man vanaf 18 juni 2013 tot heden meer heeft betaald en/of er meer op hem is verhaald dan de onder 4.15. vermelde bijdrage, kan van de vrouw, gelet op de behoefte van de kinderen en op het gegeven dat een dergelijke bijdrage van maand tot maand pleegt te worden verbruikt, in redelijkheid niet worden gevergd dat zij het meerdere terugbetaalt.

4.16.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende:

wijst het inleidend verzoek van de vrouw alsnog af;

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot nihilstelling van de kinderalimentatie;

stelt vast dat de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1], [kind 2] en [kind 3] is verschuldigd zoals overeengekomen in het ouderschapsplan van 14 juli 2010;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.M.A. Gerritzen-Gunst, M.F.G.H. Beckers en M. Perfors in tegenwoordigheid van mr. F.J.E. van Geijn als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2014.