Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:3013

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-07-2014
Datum publicatie
06-08-2014
Zaaknummer
13/00723 en 13/00724
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2013:9293, Niet ontvankelijk
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:573
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernietiging van de naheffingsaanslag brengt mee dat het beroep belanghebbende niet in een gunstiger positie kan brengen dan waarin zij door dat besluit is komen te verkeren. Beroep is terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/1617

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 13/00723 en 13/00724

17 juli 2014

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

- op het verzoek tot vergoeding van proceskosten na intrekking van het onder 13/00723
ingeschreven hoger beroep,

alsmede

- op het onder 13/00724 ingeschreven hoger beroep,

beide van

[X]C.V. te [Z], belanghebbende,

gemachtigde: H.M. van Vliet,

inzake de uitspraak in de zaken met kenmerk AWB 13/1559 en AWB 13/1561 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Utrecht-Gooi/kantoor Amersfoort, de inspecteur.

Het verzoek tot vergoeding van proceskosten na intrekking van het onder 13/00723 ingeschreven hoger beroep

1.1. Loop van het geding voorafgaande aan en betreffende het verzoek

1.1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 22 juni 2011 aan belanghebbende over het tijdvak 1 oktober 2011 tot en met 31 oktober 2010 een naheffingsaanslag loonheffing ten bedrage van € 1.271 opgelegd, alsmede een boetebeschikking genomen, welke beschikking is vernietigd bij ambtshalve genomen beschikking van 1 augustus 2011.

1.1.2. Het daartegen gemaakte bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 19 februari 2013 ongegrond verklaard.

1.1.3. Bij uitspraak van 11 oktober 2013 met kenmerk AWB 13/1559 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep inzake de boetebeschikking niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond verklaard.

1.1.4. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 22 november 2013. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend, aangevuld bij brief van 23 april 2014 met als bijlage de beschikking van 4 april 2014 waarbij de naheffingsaanslag is vernietigd.

1.1.5. Bij brief van 16 juni 2014 heeft belanghebbende het hoger beroep ingetrokken onder gelijktijdige indiening van een verzoek tot vergoeding van proceskosten.

1.1.6. Belanghebbende heeft in zijn schriftelijke verzoek toestemming verleend voor het achterwege laten van een onderzoek ter zitting en voor de motivering van zijn verzoek – zo verstaat het Hof – verwezen naar zijn eerder ingediende processtukken.

1.2. Beoordeling van het verzoek

1.2.1. Het verzoek is ingediend bij de intrekking van het onder 13/00723 ingeschreven hoger beroep inzake een hangende het hoger beroep vernietigde naheffingsaanslag. Op de voet van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht zijn in dat geval termen aanwezig voor toewijzing van het verzoek.

1.2.2. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). Deze kosten dienen in het onderhavige geval te worden berekend op de voet van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit. Naar het oordeel van het Hof zijn er geen bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit die aanleiding kunnen geven om van de in het Besluit opgenomen forfaitaire vergoedingsbedragen af te wijken. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn te onderscheiden in:

i. de kosten van bezwaar;

ii. de kosten van beroep;

iii. de kosten van het hoger beroep bij het gerechtshof.

1.2.3. Bij de berekening van de vergoeding voor de onder (i) vermelde kosten neemt het Hof de volgende handeling(en) in aanmerking: het maken van bezwaar, aan welke handeling 1 wordt toegekend. De vergoeding van de onder (i) opgenomen kosten wordt aldus berekend op € 243 (waarde per punt) x 1 (aantal punten) x 1 (wegingsfactor) = € 243.

Bij de berekening van de vergoeding voor de onder (ii) vermelde kosten neemt het Hof de volgende proceshandelingen in aanmerking: indienen beroep (1 punt) en verschijnen onderzoek ter zitting bij de rechtbank (1 punt), zodat het totaal van deze punten 2 beloopt.
De kostenvergoeding bedraagt in dat geval € 487 x 2 x 1 = € 974.

Bij de berekening van de vergoeding voor de onder (iii) vermelde kosten neemt het Hof de volgende proceshandeling in aanmerking: indienen hoger beroep (1 punt). De kostenvergoeding bedraagt in dat geval € 487 x 1 x (1) = € 487.

De totale voor vergoeding in aanmerking komende kosten belopen derhalve (€ 243+€ 974+€ 487 =) € 1.704.

Het hoger beroep met kenmerk 13/00724

2.1. Loop van het geding

2.1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 27 juli 2012 aan belanghebbende over het tijdvak 1 december 2011 tot en met 31 december 2011 een naheffingsaanslag loonheffing ten bedrage van € 1.303 opgelegd. Het daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 5 februari 2013 ongegrond verklaard.

2.1.2. Bij uitspraak van 11 oktober 2013 met kenmerk AWB 13/1561 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard onder verwijzing naar de ambtshalve genomen beschikking van de inspecteur van 26 juli 2013, waarbij de naheffingsaanslag is vernietigd.

2.1.3. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 22 november 2013. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2014. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. Na sluiting van het onderzoek is uit het raadplegen van Track & Trace gebleken dat de gemachtigde op 30 april 2014 heeft getekend voor de ontvangst van de envelop waarin de uitnodiging voor het bijwonen van het onderzoek ter zitting is verzonden.

2.2. Feiten

De rechtbank heeft in haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’.

“2.2.1. Eiseres heeft op 30 januari 2012 aangifte loonbelasting over het tijdvak december 2011 gedaan naar een verschuldigd bedrag van € 1.303. Door de belastingdienst is geen betaling op de aangifte ontvangen.

2.2.2. Eiseres heeft bij brief van 3 februari 2012 verweerder gemeld dat de op deze naheffingsaanslag verschuldigde belasting is verrekend met een vordering van € 15.000 welke [A]B.V., een met eiseres verbonden vennootschap, heeft op verweerder.

2.2.3. Verweerder heeft vervolgens de onder 1.2.1 genoemde naheffingsaanslag opgelegd.”

Voorts is in de uitspraak van de rechtbank het volgende vermeld:

“4.5. Verweerder heeft de (…) naheffingsaanslag vernietigd op 26 juli 2013. Het beroep dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard. Nu verweerder hangende het beroep volledig aan de bezwaren van eiseres tegemoet is gekomen, ziet de rechtbank aanleiding voor een vergoeding van verweerder in de proceskosten (…). Voor een vergoeding van het griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding nu in deze zaak geen griffierecht is betaald.”


2.3. Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is in geschil of de rechtbank het beroep met kenmerk 13/1561 terecht niet –ontvankelijk heeft verklaard.

2.4. Beoordeling van het geschil

De inspecteur heeft de naheffingsaanslag hangende de procedure bij de rechtbank vernietigd. Deze vernietiging brengt mee dat het beroep belanghebbende niet in een gunstiger positie kan brengen dan waarin zij door dat besluit is komen te verkeren, aangezien belanghebbende geen feiten of omstandigheden heeft gesteld waaruit volgt dat zij belang behoudt bij een oordeel van de rechter over de gegrondheid van het beroep. Nu belanghebbende geen belang meer heeft bij een uitspraak op zijn beroep, heeft de rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard, met nevenbeslissingen als in die uitspraak vermeld.

2.5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

3.

Beslissing

3.1.

Beslissing op het verzoek met kenmerk 13/00723

Het Hof veroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.704.

3.2.

Beslissing op het hoger beroep met kenmerk 13/00724

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. E.A.G. van der Ouderaa, voorzitter, J. den Boer en H.E. Kostense, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. E.G. van der Laan als griffier. De beslissing is op 17 juli 2014 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2.

het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.