Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:3006

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-07-2014
Datum publicatie
03-09-2014
Zaaknummer
200.142.230/01 OK
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ondernemingskamer; enquête; afwijzing verzoek tot het instellen van een onderzoek en tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2014-0322
ARO 2014/170
JONDR 2015/27

Uitspraak

beschikking

___________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer: 200.142.230/01 OK

beschikking van de Ondernemingskamer van 28 juli 2014

inzake

1 [verzoekster sub 1],

wonende te Den Haag,

2. [verzoekster sub 2],

wonende te Rozendaal,

3. [verzoekster sub 3],

wonende te Leiden,

4. [verzoeker sub 4],

wonende te Leiden,

VERZOEKERS

advocaat: mr. E.L. Hoogstraate, kantoorhoudende te Haarlem,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

’t PIEREMENT ANTIEK EN BEHEER B.V.,

gevestigd te Middelburg,

VERWEERSTER,

advocaat: mr. R. Klarus, kantoorhoudende te Emmen,

e n t e g e n

[belanghebbende],

wonende te Brisbane, Australië,

BELANGHEBBENDE,

advocaat: mr. R. Klarus, kantoorhoudende te Emmen.

1. Het verloop van het geding

1.1

In het vervolg zullen partijen (ook) als volgt worden aangeduid:

  • -

    verzoekster sub 1 als [A];

  • -

    verzoekster sub 2 als [B];

  • -

    verzoekster sub 3 als [C];

  • -

    verzoeker sub 4 als [D];

  • -

    verzoekers gezamenlijk als [verzoekers];

  • -

    verweerster als ‘t Pierement;

  • -

    belanghebbende als [E].

1.2

[verzoekers] hebben bij verzoekschrift met producties, ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen op 21 februari 2014, de Ondernemingskamer verzocht - zakelijk weergegeven - bij beschikking:

I een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van ‘t Pierement over de periode vanaf 1 april 2010;

II bij wijze van onmiddellijke voorzieningen voor de duur van het geding:

a. [F] (hierna aan te duiden als: [F]) en [E] te schorsen als bestuurders van ’t Pierement en een onafhankelijke derde als bestuurder te benoemen;

althans

b. [F] te schorsen als bestuurder en een onafhankelijke derde te benoemen als medebestuurder naast [E] en te bepalen dat [E] niet langer zelfstandig bevoegd is om de vennootschap vertegenwoordigen;

c. zodanige voorzieningen te treffen als de Ondernemingskamer geraden acht;

III [E] te veroordelen in de kosten van het geding.

1.3 ’

’t Pierement en [E] hebben bij verweerschrift met een productie, ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer op 28 maart 2014, de Ondernemingskamer verzocht, zakelijk weergegeven, bij beschikking, voor zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad [verzoekers] niet-ontvankelijk te verklaren in hun verzoek, althans hun verzoek af te wijzen, met veroordeling van [verzoekers] in de kosten van de procedure.

1.4

Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 10 april 2014. Bij die gelegenheid hebben voornoemde advocaten de standpunten van de onderscheiden partijen toegelicht aan de hand van - aan de Ondernemingskamer en de wederpartij overgelegde - aantekeningen en onder overlegging van op voorhand aan de Ondernemingskamer en de wederpartij gezonden nadere producties. Partijen hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord.

2 De feiten

2.1 ‘

‘t Pierement is op 30 maart 1999 opgericht door [G]. Hij was tot zijn overlijden op 8 november 2004 enig bestuurder en enig aandeelhouder van ’t Pierement. ‘t Pierement heeft volgens haar statuten onder andere tot doel “de handel in curiosa en antiquiteiten” en “het beleggen van vermogen in registergoederen”.

2.2

[G] was tot 15 juni 1970 gehuwd met [H]. Zij is in 1997 overleden. Zij hebben samen vijf kinderen: [A], [B], [C], [D] (verzoekers) en [I]. Nadat het huwelijk met [H] door echtscheiding was ontbonden, is [G] gehuwd met [F]. Zij hebben samen een zoon: [E]. De hier vermelde zes kinderen worden hierna aangeduid met de kinderen.

2.3

Op 28 mei 2004 heeft [G] een testament opgemaakt, waarin hij aan [F] heeft gelegateerd boven haar erfdeel “alle overige tot mijn nalatenschap behorende goederen die zij zal verkiezen, onder verplichting om de waarde daarvan te vergoeden aan de nalatenschap”, verder het keuzelegaat. Met betrekking tot dit keuzelegaat is in het testament verder – voor zover hier relevant – het volgende bepaald:

(..)

g. Mijn echtgenote dient voldoende zekerheid te stellen.

(..)

h. De vorderingen en de daarover verschuldigde rente zijn eerst opeisbaar bij het overlijden van mijn echtgenote, doch zij zullen onmiddellijk en zonder enige ingebrekestelling wel opeisbaar zijn:

(..)

4. wanneer zij op enigerlei andere wijze het vrije beheer over al haar goederen verliest”.

2.4

Na het overlijden van [G] op 8 november 2004 is [F] enig bestuurder van ’t Pierement geworden.

2.5

Op 19 januari 2006 heeft ’t Pierement een haar toebehorend woonhuis, tevens in gebruik als antiekzaak, in Middelburg, verkocht voor een bedrag van € 1.010.000. De verkoopopbrengst heeft ‘t Pierement gebruikt om een boerderij gelegen aan [adres boerderij in Friesland] te kopen, waarin [F] is gaan wonen en waarin zij de antiekzaak van ’t Pierement heeft voortgezet.

2.6

In een brief van 11 oktober 2006 gericht aan [A] en [D] heeft L.P.A. Cleiten, belastingadviseur bij Schipper accountants en adviseurs, over de afwikkeling van de nalatenschap van [G] – voor zover hier relevant – het volgende geschreven:

Door de heer [D] is gevraagd om zekerheid te verstrekken voor de vorderingen op mevrouw [F]. Een pandrecht op de aandelen van de B.V. acht u niet toereikend. Als alternatief wordt door mevrouw [F] aangeboden om door de B.V. zekerheid te laten verstrekken op een pand van de B.V.

2.7

Op 7 november 2006 heeft [F] het keuzelegaat ten aanzien van de aandelen in het kapitaal van ’t Pierement uitgeoefend en zij is vanaf deze datum enig aandeelhouder in het kapitaal van ’t Pierement. In de notariële akte “afgifte legaat” van voormelde datum staat – voor zover hier relevant - het volgende:

“De echtgenote is verplicht de waarde van de aandelen te weten (...) (€ 922.348,81) te vergoeden aan de nalatenschap van de erflater.

De echtgenote erkent voormeld bedrag schuldig te zijn aan de nalatenschap, hetgeen door de executeur wordt aanvaard. Met betrekking tot deze schuld aan de nalatenschap zullen de echtgenote en de overige erfgenamen bij notariële akte nadere voorwaarden overeenkomen.”

2.8

Op 1 oktober 2009 is de rechtsverhouding tussen de erven van [G] nader geregeld door:

  1. een akte van verdeling, waarin is bepaald dat de kinderen ieder een vordering ten bedrage van € 105.590,21 op [F] hebben;

  2. een akte van verpanding, waarin [F] alle aandelen in het kapitaal van ’t Pierement heeft verpand aan de kinderen (hierna tezamen ook aan te duiden als: de pandhouders) tot meerdere zekerheid voor de betaling van hetgeen zij van [F] te vorderen hebben. In de akte van verpanding is verder – voor zover hier relevant - bepaald dat [F] het stemrecht op de aandelen toekomt en dat de pandhouders de rechten hebben die door de wet zijn toegekend aan de houders van met medewerking van de vennootschap uitgegeven certificaten van aandelen;

  3. een obligatoire overeenkomst waarin de kinderen, [F] en ’t Pierement - onder andere - zijn overeengekomen

-) dat het eigen vermogen van de vennootschap ten minste de som van de vorderingen van de pandhouders vermeerderd met een buffer van tien procent (10%) dient te bedragen; en

-) dat, indien en voor zover het besloten vennootschapsrecht het toestaat dat door [F] een onaantastbaar recht van hypotheek wordt gevestigd tot nakoming van haar (privé)verplichting tot zekerheidstelling voor de vorderingen van de pandhouders, de partijen een dergelijk hypotheekrecht op onroerende zaken die aan de vennootschap toebehoren zullen vestigen;

4. een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders van ’t Pierement (hierna aan te duiden als het Besluit van 1 oktober 2009) dat strekt tot het onderwerpen aan goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders als bedoeld in artikel 12 lid 5 van haar statuten van bestuursbesluiten tot het:

a. verkrijgen, bezwaren en vervreemden van onroerende zaken en van andere registergoederen;

b. aangaan van geldleningen of financieringsregelingen ten laste van de vennootschap;

c. ter leen verstrekken van gelden, onverminderd het bepaalde in artikel 10 lid 8 van de statuten;

d. doen van een voorstel tot juridische fusie en juridische splitsing;

e. verrichten van andere rechtshandelingen dan hiervoor onder a tot en met d bedoeld, “indien het belang of de waarde van die rechtshandelingen voor de vennootschap het minimaal aan te houden eigen vermogen van de vennootschap, gelijk aan de som van de vorderingen van de kinderen van de heer [G] vermeerderd met een buffer van (10%) hierdoor wordt geschonden, of dat deze handelingen er toe leiden dat het eigen vermogen van de vennootschap daalt onder genoemd minimaal aan te houden eigen vermogen”.

2.9

In maart 2010 is [F] getroffen door een beroerte. Vanaf 1 april 2010 is [E] – naast [F] - zelfstandig bevoegd bestuurder van ’t Pierement.

2.10

Bij beschikking van 4 juni 2010 heeft de rechtbank te Leeuwarden, sector kanton, een bewind ingesteld over de goederen en gelden die (zullen) toebehoren aan [F] en [E] en CSI Bewindvoeringen B.V. (hierna aan te duiden als CSI) tot bewindvoerders benoemd.

2.11

In een brief gericht aan de bewindvoerders over het vermogen van [F] heeft notaris P.I.E. Platier – voor zover hier relevant – geschreven:

Daarnaast maak ik van de gelegenheid gebruik om de bewindvoerders er op te wijzen dat de vordering van de kinderen [G] door de instelling van het bewind over het vermogen van mevrouw [F] opeisbaar zijn geworden. Van mijn zijde zal ik geen actie ondernemen, waarbij ik aanneem dat de bewindvoerders de benodigde acties ondernemen”

2.12

Bij brieven van 18 juli 2010 (van [C]), 19 juli 2010 (van [A]), 21 juli 2010 (van [D]) en 7 augustus 2010 (van [B]) zijn [E] en CSI gesommeerd om aan ieder van hen te betalen een bedrag van € 105.590,21 (op het bedrag dat [A] heeft gevorderd is de taxatiewaarde van de antieke meubels die zij heeft overgenomen in mindering gebracht).

2.13

Op 23 maart 2012 hebben [verzoekers] de rechtbank Leeuwarden, sector kanton, verzocht de bewindvoerders de instructie te geven om ’t Pierement te ontbinden en te vereffenen en de vorderingen van [verzoekers] te voldoen uit het batig saldo, althans [E] in zijn hoedanigheid van bestuurder de instructie te geven alle onroerende zaken te verkopen en de opbrengst als dividend uit te keren voor zover nodig voor de voldoening van de vorderingen van [verzoekers], althans de bewindvoerders te ontslaan en een nieuwe bewindvoerder te benoemen met een dergelijke instructie.

2.14

Bij beschikking van 6 juli 2012 heeft de rechtbank te Leeuwarden, sector kanton, [E] ontslagen als bewindvoerder en bepaald dat CSI bevoegd is alle taken te verrichten die behoren tot uitoefening van het bewind over de gelden en goederen van [F].

2.15

Een geamendeerde en niet vastgestelde versie van (concept-)notulen van de algemene vergadering van aandeelhouders van ’t Pierement van 24 november 2012 houdt ten aanzien van het agendapunt “uiteenzetting financiële mogelijkheden en implicaties van uitbetaling erfdelen aan pandhouders” het volgende in:

De BV bezit drie bedrijfspanden (...)

De woonboerderij in [adres boerderij in Friesland] staat reeds sinds April 2011 te koop. In die periode is de vraagprijs verlaagd van 850.00 euro naar 675.000 euro. Er zit helaas nog geen beweging in en afspraak is dan ook om dit object zo spoedig mogelijk vrijwillig te gaan veilen. Momenteel ligt de vraagprijs dicht bij de executiewaarde van 660.000 euro vastgesteld in november 2010, en zal er derhalve toestemming moeten komen om het voor een lager bedrag te verkopen. Deze procedure zal transparant verlopen voor de pandhouders en direct in gang worden gezet. Mevr. Brinks [Ondernemingskamer: van CSI] steunt dit plan, de verwachting is dat de huizenprijzen volgend jaar met 7% zullen zakken. [E] weet nog niet wat hij doet als er bv maar 400.000 euro geboden wordt.

Hiernaast is besloten om [adres pand in Leiden] in de stille verkoop te doen tot eind januari 2013, zodat de renovatie kan doorgaan tot aan de allerlaatste afschilderfase van de woonkamer, studeerkamer en trappenhuis. In de tussentijd wordt de keuken en grote badkamer afgemaakt door [E]. Na 31 januari 2013 zal [adres pand in Leiden] publiekelijk te koop worden gezet. Verkoop van dit pand zal gaan afhangen van de eventuele opbrengst van de boerderij binnen de komende maanden. In het geval dat dit op een voor pandhouders acceptabele termijn gebeurt en de opbrengst een redelijk deel van de vorderingen kan aflossen, dan zal de directie voorstellen om [adres pand in Leiden] aan te houden en middels een betalingsregeling uit de huuropbrengsten van [adres pand Veere] en [adres pand in Leiden] de rest van de vorderingen te voldoen. De haalbaarheid hangt dan echter wel samen met de hoogte van zowel het resterende bedrag als de bedongen rente over de vorderingen. [adres pand Veere] blijft vooralsnog aan en wordt nog niet te koop aangeboden in dit stadium. (...)”

2.16

In mei 2013 heeft ’t Pierement het pand gelegen aan [adres pand Veere] verkocht voor een koopprijs € 330.000. De verkoopopbrengst is aangewend voor de aflossing van leningen van ’t Pierement en betaling van een belastingschuld en diverse kosten.

2.17

Op 30 augustus 2013 heeft er een algemene vergadering van aandeelhouders van ’t Pierement plaatsgevonden. Een geamendeerde en niet vastgestelde versie van concept-notulen houdt – voor zover hier relevant – het volgende in:

De bestuurder geeft aan leiding te willen geven vanuit het buitenland. (…) De bestuurder geeft aan voor beide bedrijfspanden er een netwerk aan mensen bestaat dat de verkoop, verhuur en onderhoud middels aansturing vanuit het buitenland kan bestieren. (..). De pandhouders geven aan bezorgd te zijn over deze constructie en stellen voor een tweede directeur aan te stellen in Nederland.

(..)

Er is geen geld meer om groot onderhoud te plegen aan de twee bedrijfspanden. De renovatie van het pand in Leiden is voltooid. De woonboerderij in Friesland behoeft onderhoud aan de buitenzijde. Besloten is het hoognodige (..) aan te pakken om het pand inbraakveilig te houden en geen onnodige schade door lekkage te laten ontstaan (..)

Voor het betalen van het VpB 2013 na verkoop van het pand te Veere, resterend bedrag: 26.682,50, wordt uitstel van betaling gevraagd. De verwachting is dat de huurinkomsten uit de begane grond van het pand in Leiden 1000 euro per maand, de lopende kosten dekken, nadat de laatste rekeningen zijn binnengekomen en betaald zijn met het geld op de zakenrekening. OZB belasting Leiden wordt nog verwacht bijvoorbeeld. De aandeelhouder krijgt via elektronisch bankieren inzage in de zakenrekening rond het vertrek van de bestuurder naar het buitenland.

(..)

Gesproken is over de waarde van het pand te Leiden (zie taxatierapport EUR 600.000), de beste vraagprijs etc. De makelaar adviseert een vraagprijs EUR 695.000 en verwacht dat het voor rond EUR 650.00 verkocht wordt. Besloten wordt dat de vraagprijs in eerste instantie wordt verlaagd naar EUR 749.000 en als er dan nog geen interesse komt nog verder omlaag. Het pand in Leiden wordt verder niet verhuurd.

(..)

Er zijn momenteel geen huurders of kopers voor de boerderij bekend. Sinds de laatste prijsverlaging naar 495.000 euro, vinden er geregeld bezichtigingen plaats, echter deze hebben nog niet geleid tot een verkoop. De boerderij blijft te huur (leegstandwet) en te koop staan. [E] gaf aan dat er een moment komt dat toch moet worden overwogen om voor langere tijd te verhuren als verkoop uitblijft

(..)

Het pand te Leiden zal nagenoeg geen onderhoud vereisen. Er is een huurder beneden die daar dagelijks is. Vrienden zullen geregeld in het bovenhuis gaan kijken en het schoon houden, indien nodig.(..)”

2.18

In het najaar van 2013 is [E] met zijn gezin geëmigreerd naar Australië.

2.19

In een brief gedateerd 25 maart 2014 gericht aan de Ondernemingskamer schrijft T. Brinks namens CSI het volgende:

Vanaf het moment dat het bewind voor mevrouw [F] is uitgesproken, is er veel contact geweest tussen [E], CSI Bewindvoeringen en zijn stiefbroer en stiefzussen. Naast veel mailcontact is er ook overleg geweest bij [E] thuis, bij een notaris in Leiden en in Lelystad. [E] geeft telkenmale openheid van zaken. Hij informeert CSI Bewindvoeringen en vraagt toestemming als dit nodig is.

(..)

Er wordt in deze zaak rekening gehouden met de stiefkinderen maar als beschermingsbewindvoerder houden we ook rekening met rechthebbende, mevrouw [F]. Haar belang, een goede oudedagsvoorziening weegt mee in het geheel. Dit betekent dat de panden niet voor een appel en een ei verkocht mogen worden. Wel is er onderhandelingsruimte.

(..)

Kortom,

De heer [E] verricht zijn werk naar behoren.

Hij doet er alles aan om zo spoedig mogelijk de panden te kunnen verkopen. Hij overlegt altijd met CSI Bewindvoeringen en ook met de stiefbroer en zussen alvorens beslissingen te nemen. Een vervangende directeur is geen optie.(..)

2.20 ’

’t Pierement heeft thans nog de volgende panden in eigendom:

- meergenoemd pand aan [adres pand in Leiden], dat voor een bedrag van € 749.000 te koop wordt aangeboden; en

- de voormelde boerderij gelegen aan [adres boerderij in Friesland], dat voor een bedrag van € 495.000 te koop wordt aangeboden.

Beide panden worden tijdelijk verhuurd.

3 De gronden van de beslissing

3.1

[verzoekers] hebben aan hun verzoek ten grondslag gelegd dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid van ’t Pierement. Ter toelichting hebben zij het volgende gesteld:

- het beleid van ’t Pierement zou gericht moeten zijn op het verkopen van de onroerende zaken, het betalen van eventuele schulden en het uitkeren van zoveel mogelijk dividend teneinde [F] in staat te stellen haar schulden aan de overige erfgenamen te voldoen, maar het door [E] bepaalde beleid heeft tot gevolg gehad dat aanzienlijke kosten zijn gemaakt en dat ’t Pierement op de rand van een faillissement staat;

- [E] heeft zonder voorafgaande goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders besloten om het pand aan het [adres pand in Leiden] te renoveren en is daarvoor financiële verplichtingen aangegaan. [E] heeft hiermee strijd met het Besluit van 1 oktober 2009 gehandeld;

- [E] heeft zich door ’t Pierement een salaris laten uitbetalen en heeft met zijn gezin in de boerderij in Friesland en in het pand in Leiden gewoond zonder daarvoor huur te betalen;

- ’t Pierement heeft openstaande schulden die niet betaald kunnen worden en waarvoor [E] betalingsregelingen heeft getroffen;

- [E] overweegt om een stukje grond behorende bij het pand te Leiden te verkopen, terwijl voor die beslissing op grond van het Besluit van 1 oktober 2009 goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders is vereist;

- de verkoop van de panden verloopt moeizaam;

- [E] is geen onafhankelijk bestuurder en woont niet in Nederland.

3.2 ’

’t Pierement en [E] hebben verweer gevoerd.

3.3

De bezwaren van [verzoekers] hangen samen met een tegenstrijdig belang tussen [F] als aandeelhouder van ’t Pierement en haar zoon [E] als haar potentiële erfgenaam enerzijds en [verzoekers] anderzijds. [verzoekers] wensen een snelle liquidatie van de vennootschap en met name snelle verkoop van het onroerend goed, zodat zij hun opeisbare vorderingen op [F] kunnen incasseren. De belangen van [F] en [E] worden juist gediend met een aanpak die erop gericht is een zo hoog mogelijke verkoopopbrengst te realiseren, zodat, na voldoening van de vorderingen van [verzoekers], nog middelen overblijven als oudedagvoorziening voor [F] en voor [E] in de vorm van haar nalatenschap. De Ondernemingskamer is van oordeel dat dit tegenstrijdig belang de vennootschap in beginsel niet regardeert. Voor zover [verzoekers] menen dat het belang van [E] – en ook dat van [F] – in strijd komt met het belang van de vennootschap dat hij als haar bestuurder heeft te dienen, geldt dat niet is gebleken dat [E] dit tegenstrijdige belang uit het oog heeft verloren heeft.

3.4

Partijen zijn het erover eens dat de onderneming van de vennootschap moet worden geliquideerd en daartoe het onroerend goed moet worden verkocht, maar zij verschillen met name van mening over het tempo. Niet gezegd kan worden dat de keuzes van [E] te dien aanzien onjuist of onredelijk zijn en in strijd met de belangen van ‘t Pierement. Wellicht waren de vraagprijzen van de betreffende panden aanvankelijk niet erg realistisch, maar zij zijn inmiddels aanmerkelijk – en naar moet worden aangenomen tot redelijke proporties – verlaagd, zodat niet geoordeeld kan worden dat ‘t Pierement ten aanzien van deze vraagprijzen een onjuist beleid voert.

3.5

[verzoekers] hebben aangevoerd dat ’t Pierement in een zorgelijke financiële situatie verkeert en dat deze situatie te wijten is aan het beleid dat [E] als bestuurder van ’t Pierement heeft gevoerd. De Ondernemingskamer is van oordeel dat gelet op de stellingen van partijen en het ter terechtzitting verhandelde niet kan worden aangenomen, dat de verminderde financiële positie van de vennootschap te wijten is aan onjuist bestuur. [verzoekers] hebben in dit verband erkend dat [E] met ongetwijfeld de beste bedoelingen het pand aan de [adres pand in Leiden] heeft gerenoveerd. De beslissingen over renovatie, verhuur en verkoop van het onroerend goed en de hoogte van de vraagprijs voor het onroerend goed zijn niet zodanig, dat gezegd kan worden dat deze in redelijkheid niet hadden kunnen worden genomen. Daarbij is nog van belang hetgeen verweerders onweersproken ter zitting hebben gesteld dat [E] een tweede huurder voor het pand aan de [adres pand in Leiden] heeft gevonden, zodat de liquiditeitsproblemen van de vennootschap thans grotendeels zijn opgelost. In verband met de zorgelijke financiële situatie maken [verzoekers] voorts het verwijt dat de vennootschap openstaande schulden heeft. ’t Pierement en [E] hebben aangevoerd dat gelet op de liquiditeit van de vennootschap [E] afspraken heeft gemaakt met de Belastingdienst en de accountant van de vennootschap over het voldoen van schulden van de vennootschap. De Ondernemingskamer is van oordeel dat het maken van dergelijke afspraken geen gegronde reden oplevert om te twijfelen aan een juist beleid, nu gesteld noch gebleken is dat [E] daarmee in strijd met de belangen van de vennootschap heeft gehandeld.

3.6

[verzoekers] klagen voorts dat ’t Pierement zich ten onrechte niet gebonden voelt aan de in 2.8 onder 3, tweede gedachtestreepje, vermelde verplichting om een (derden)hypotheekrecht op de panden die in eigendom van ’t Pierement zijn, te vestigen voor schulden van [F] jegens de kinderen, in ieder geval zo spoedig mogelijk na inwerkingtreding van het nieuwe vennootschapsrecht. [F] heeft in 2006 een toezegging van die strekking gedaan, welke is opgenomen in de obligatoire overeenkomst van 1 oktober 2009. [E] heeft bij monde van zijn advocaat ter terechtzitting uiteengezet dat het aangaan van de bedoelde verplichting maar ook het nakomen ervan in strijd is met het doel en het belang van de vennootschap, gelet op de mogelijkheid dat het hypotheekrecht geëxecuteerd zou kunnen worden. De Ondernemingskamer laat in het midden of ’t Pierement op grond van de overeenkomst van 1 oktober 2009 gehouden is een hypotheekrecht te vestigen – het oordeel daarover is voorbehouden aan de gewone burgerlijke rechter. Niet gezegd kan worden dat de gegeven uitleg bij voorbaat onredelijk is. Een grond voor twijfel aan een juist beleid van ’t Pierement vormt deze niet.

3.7

De Ondernemingskamer stelt vast dat ’t Pierement voor het besluit om externe financiering voor de renovatie van het pand te Leiden aan te trekken, op grond van artikel 12 lid 5 van de statuten juncto het Besluit van 1 oktober 2009 goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders nodig had en de pandhouders voorafgaand aan dit besluit had moeten informeren. De Ondernemingskamer beschouwt deze schending van dit voorschrift als een incident en acht het ontbreken van de goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders niet zo ernstig, dat daaraan in het kader van deze enquêteprocedure gevolgen dienen te worden verbonden.

3.8

Met betrekking tot het feit dat [F] de boerderij in Friesland zonder vergoeding bewoonde, oordeelt de Ondernemingskamer dat dit in de gegeven omstandigheden geen (relevante) reden is om aan een juist beleid te twijfelen. In dit kader is van belang dat [F] in de boerderij in Friesland de onderneming van de vennootschap – het drijven van een antiekzaak – gedurende enige tijd heeft voortgezet. De omstandigheid dat [E] met zijn gezin na de beroerte van [F] ter verzorging bij haar introk en daarvoor geen vergoeding heeft betaald is evenmin voldoende reden om te twijfelen aan een juist beleid. Ook het feit dat [E] met zijn gezin voor de bewoning van het pand in Leiden geen vergoeding heeft betaald, kan niet tot toewijzing van het verzoek leiden, aangezien dit pand in de desbetreffende periode door [E] zelf werd gerenoveerd, hetgeen [verzoekers] niet betwisten. Dat [E] een salaris van de vennootschap ontving, komt de Ondernemingskamer in het licht van deze werkzaamheden tenslotte niet als onredelijk voor.

3.9

Het betoog van [verzoekers] dat [E] heeft overwogen om voor € 10.000 twee vierkante meter bergruimte in de tuin van het [adres pand in Leiden] te verkopen en dat hij hiervoor geen goedkeuring aan de algemene vergadering had willen vragen, kan evenmin een reden zijn om aan een juist beleid te twijfelen. Het betrof immers slechts een overweging van [E] en heeft niet tot daadwerkelijke verkoop geleid.

3.10

Met betrekking tot het bezwaar van [verzoekers] dat [E] naar Australië is verhuisd, overweegt de Ondernemingskamer dat het uit praktisch oogpunt bezwaarlijk kan zijn dat een bestuurder van een vennootschap in het buitenland woont. Echter, [E] heeft – ook mondeling ter terechtzitting – voldoende aannemelijk gemaakt (hetgeen tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders van 30 augustus 2013 ook uitvoerig met de pandhouders is besproken) dat hij met behulp van moderne communicatiemiddelen en zaakwaarnemers tot adequaat besturen van de vennootschap in staat is. Gelet op de omvang van de onderneming van de vennootschap, acht de Ondernemingskamer het vooralsnog aannemelijk dat [E] zijn bestuurswerkzaamheden voldoende deugdelijk vanuit het buitenland kan uitoefenen.

3.11

Ook de overige stellingen van verzoekers zijn onvoldoende voor gegronde twijfel aan het beleid van ’t Pierement. De slotsom is dat de Ondernemingskamer geen onderzoek zal bevelen. Daarbij gaat de Ondernemingskamer er vanuit, dat [E] zich houdt aan de verplichting om de besluiten, als bedoeld in de lijst van het Besluit van 1 oktober 2009, aan de algemene vergadering van aandeelhouders (derhalve aan Brinks), ter goedkeuring voor te leggen en dat hij de pandhouders adequaat blijft informeren.

3.12

Het voorgaande brengt mee dat de verdere verweren niet meer aan de orde hoeven te komen.

3.13

Gelet op de familieverhoudingen tussen verzoekers enerzijds en de aandeelhoudster en bestuurder van de vennootschap anderzijds zal de Ondernemingskamer de kosten compenseren aldus dat ieder de eigen kosten draagt.

4 De beslissing

De Ondernemingskamer:

wijst het verzoek van [A], [B], [C] en [D] af;

compenseert de kosten van het geding tussen de verschenen partijen aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. Ingelse, voorzitter, mr. A.C. Faber en mr. G.C. Makkink, raadsheren, en E.R. Bunt en H. de Munnik raden, in tegenwoordigheid van mr. B.E. Meerdink-Schenau, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 28 juli 2014.