Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:3002

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-07-2014
Datum publicatie
28-11-2014
Zaaknummer
200.134.152-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overeenkomst tot bemiddeling. Uitleg. Geen bemiddelingsfee verschuldigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.134.152/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 1389490 CV EXPL 12-5179

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 juli 2014

inzake

[appellant],

wonend te [woonplaats 1], gemeente [gemeente],

appellant,

advocaat: mr. R.L.A. van Buul te ‘s-Hertogenbosch,

tegen

[geïntimeerde],

wonend te [woonplaats 2],

geïntimeerde,

advocaat: mr. J. Blom te ‘s-Hertogenbosch.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 8 augustus 2013 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 8 mei 2013, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en

- uitvoerbaar bij voorraad - alsnog zijn vorderingen zal toewijzen, met voorts veroordeling van [geïntimeerde] i) tot terugbetaling van hetgeen [appellant] reeds aan hem heeft betaald en ii) in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding (naar het hof verstaat) in hoger beroep en in de nakosten.

[appellant] en [geïntimeerde] hebben elk een bewijsaanbod gedaan.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.12 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. [appellant] heeft weliswaar gesteld dat de kantonrechter die feiten niet correct en in ieder geval onvolledig heeft weergegeven, maar heeft niet concreet aangegeven ten aanzien van welk(e) feit(en) daarvan sprake is. Daarom dienen deze feiten, als onvoldoende weersproken, ook voor het hof als uitgangspunt. De feiten komen op het volgende neer.

(a). [appellant] is onder de naam “[X] Search” als zelfstandig intermediair werkzaam in de bemiddeling en advisering van en voor advocaten en advocatenkantoren.

(b). [geïntimeerde] was in januari 2010 werkzaam als advocaat bij [Y]

[Y] advocaten te Bussum.

(c). Bij e-mail van 9 februari 2010 schreef [appellant] aan [geïntimeerde] onder meer:

“Mijn voorstel is kort en goed:

*Als ik je in contact breng met een organisatie van advocaten, waarvan ik een zoekopdracht heb ontvangen en het wordt een ‘deal’ tussen jou en hen, dan

kost het je uiteraard niets, want dan krijg ik mijn fee van mijn opdrachtgever, in

feite dus de meest voorkomende situatie;

*Jij wilt je zelfstandig ondernemerschap continueren, echter mogelijkerwijs in

een andere setting, dan thans het geval is. Als ik je in contact breng met een

aantal andere advocaten en/of met groepen van advocaten, die dit ook willen

(en/of reeds hebben gedaan) en het klikt tussen jou en die anderen, dan stel ik

het volgende voor:

1. Jij betaalt mij als “opdrachtgever” een aanvangsfee ad € 1.500,- op het

moment (dus bij de start) dat je daadwerkelijk met anderen - die door mij zijn

voorgesteld - gaat samenwerken. Samenwerken moet in dit verband ruim worden

uitgelegd, waaronder inbegrepen, het gezamenlijk delen van een pand en van

faciliteiten;

2. Na ommekomst van een jaar en bij gebleken succes & continuering van de

samenwerking betaal je me aansluitend een bemiddelingsvergoeding van

€ 1.500,-;

3. En na ommekomst van twee jaar een laatste vergoeding van € 1.500,-. (...)”

(d). Bij e-mail van 10 februari 2010 antwoordde [geïntimeerde] aan [appellant]:

“Dank [appellant]. (...) Je voorstel lijkt me prima en ik ben akkoord. Ik weet dat dat

lastig is, maar waar mogelijk graag eerst contact voordat je mijn naam of CV

doorspeelt (..)”

(e). Bij e-mail van 11 maart 2010 schreef [appellant] aan [A] en [B]

[B] (hierna [B]) van[Z] advocaten:

“Bijgaand het cv van [geïntimeerde] (. . .) Sluiten jullie e.e.a. kort met [F] en

[G]?”

(f). Bij e-mail van 19 maart 2010 schreef [appellant] aan [geïntimeerde] onder meer:

“Ik heb woensdag j.1. nog telefonisch met [A] gesproken, hij en [B]

vonden de eerste kennismaking met jou een prima ontmoeting. (...)”

(g). Bij e-mail van 23 maart 2010 antwoordde [geïntimeerde] aan [appellant] onder meer:

“Ik heb (...) veel nagedacht (…) over de mogelijkheid van samenwerking met

[A] en [B]. Mijn gevoel bij deze heren is dermate comfortabel dat ik voor

samenwerking met hen wel een aantal van mijn voorkeuren terzijde wil

schuiven. (...) Zullen we afspreken dat ik je op de hoogte hou, of wil jij al in dit

stadium een actievere rol spelen? (...).”

(h). Bij e-mail van 30 maart 2010 schreef [geïntimeerde] aan [appellant] onder meer:

“Ik heb (...) contact gehad. In plaats van een belletje ben ik direct in de auto

gesprongen om mijn ideeën voor te leggen. (…) In concept werd mijn idee positief

ontvangen. Dit idee behelst de opening van een kantoor op een tweede locatie

(Randstad). (...) Afgesproken is dat ik mijn ideeën voorlopig langs deze lijn blijf

uitwerken (...) Ik hou je op de hoogte! (...)”

(i). Per 1 januari 2012 is [geïntimeerde] gaan samenwerken met [B], onder de

kantoornaam van [C] advocaten, te Utrecht.

(j). Bij brief met bijlage van 4 mei 2012 schreef [appellant] aan [geïntimeerde] onder meer:

“Onlangs vernam ik, dat je met [B] bent gaan samenwerken.

Conform onze afspraak d.d. 9 en 10 februari 2010 stuur ik je bijgaand in

tweevoud mijn eerste bemiddelingsfactuur (...).”

(k). Bij e-mail van 9 mei 2012 antwoordde [geïntimeerde] aan [appellant] onder meer:

“Dit verrast me (...) de introductie bij[Z] advocaten (heeft) niet geleid tot een

samenwerking. Nadien nooit meer van je vernomen. [B] heeft zich eind

oktober tot mij en [D] gewend met de vraag of hij bij ons aan kon schuiven. Het lijkt me wat ver gaan dat ik jou zou moeten betalen voor de toetreding van

[B]. (..)”

(l). [geïntimeerde] heeft de nota onbetaald gelaten.

3 Beoordeling

3.1.

[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd voor recht te verklaren dat tussen [appellant] en [geïntimeerde] een overeenkomst geldt op grond waarvan [geïntimeerde] kan worden aangesproken tot betaling van de overeengekomen bemiddelingsfee en dat [geïntimeerde] bij uitvoerbaar te verklaren vonnis zal worden veroordeeld tot betaling van:

a. aaan hoofdsom;

bde rente over dat bedrag, vanaf 1 januari 2012;

cde proceskosten van [appellant].

Kort gezegd heeft hij daaraan ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] per 1 januari 2012 is gaan samenwerken met [B], welke samenwerking door de bemiddeling van hem, [appellant], tot stand is gekomen. Op grond van de overeenkomst tussen [appellant] en [geïntimeerde] is laatstgenoemde daarvoor een bemiddelingsfee verschuldigd aan [appellant]. De kantonrechter heeft deze vorderingen afgewezen, omdat – kort gezegd – niet is gebleken dat [appellant] ter zake in opdracht en voor rekening van [geïntimeerde] heeft gehandeld. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] op met zijn grieven, die zich goeddeels voor gezamenlijke bespreking lenen.

3.2.

In de kern genomen betoogt [appellant] dat de kantonrechter de overeenkomst tussen partijen onjuist uitlegt. Partijen verschillen in het bijzonder van mening over de vraag hoe de zin in hun overeenkomst inhoudende “Als ik je in contact breng met een organisatie van advocaten, waarvan ik een zoekopdracht heb ontvangen en het wordt een ‘deal’ tussen jou en hen, dan kost het je uiteraard niets, want dan krijg ik mijn fee van mijn opdrachtgever, in feite dus de meest voorkomende situatie” moet worden uitgelegd. [appellant] stelt zich op het standpunt dat de overeenkomst zo moet worden uitgelegd dat ook indien na een zoekopdracht van een derde een samenwerking tussen [geïntimeerde] en die derde tot stand komt, [geïntimeerde] een bemiddelingsfee verschuldigd is wanneer [appellant] geen bemiddelingsfee van die derde ontvangt. [geïntimeerde] betoogt dat hij op grond van die bepaling slechts een bemiddelingsfee verschuldigd is indien een samenwerking tussen hem en een derde partij zou ontstaan waarvoor [appellant] de introductie tussen beiden heeft verricht zonder dat [appellant] daarvoor van die derde partij reeds een zoekopdracht heeft geaccepteerd. [geïntimeerde] heeft naar voren gebracht dat in dit geval [appellant] echter een zoekopdracht heeft gekregen van[Z] advocaten en dat hij in dat kader is benaderd door [appellant] om daar te gaan praten. Van een zoekopdracht van zijn kant is geen sprake en daarom evenmin van verschuldigdheid van een bemiddelingsfee, aldus [geïntimeerde]. [appellant] heeft de stelling van [geïntimeerde] dat de bewuste bemiddeling door een zoekopdracht van[Z] advocaten tot stand is gekomen, noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep (voldoende) weersproken. Van die stellingen moet daarom worden uitgegaan.

3.3.

Het hof stelt voorop dat het voor de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld, aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de desbetreffende bepaling(en) mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, waarbij van belang kan zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht. Daarbij zijn telkens van beslissende betekenis alle concrete omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Dit betekent onder meer dat de uitleg van een schriftelijk beding niet dient plaats te vinden op grond van alleen maar de taalkundige betekenis van de bewoordingen waarin het is gesteld. In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die deze bewoordingen, gelezen in de context van dat geschrift als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van dat geschrift echter vaak wel van groot belang. Daarvan uitgaande oordeelt het hof als volgt.

3.4.

Een taalkundige uitleg van de in rechtsoverweging 3.2 genoemde zin in de overeenkomst laat op zichzelf geen ruimte voor een andere dan de door [geïntimeerde] voorgestane uitleg ervan. Indien verschuldigdheid van een bemiddelingsfee mede afhankelijk zou zijn gesteld van de vraag of een opdrachtgever/derde die een zoekopdracht aan [appellant] heeft verstrekt een bemiddelingsfee betaalt, zou daarvoor – zoals [geïntimeerde] heeft verdedigd – in de desbetreffende bijzin niet het woord ‘want’ maar het woord ‘indien’ dienen te worden gebezigd. Die bijzin, te weten dat de opdrachtgever/derde betaalt, moet worden opgevat als verduidelijking waarom [geïntimeerde] niet hoeft te betalen in het geval dat de zoekopdracht van die opdrachtgever/derde afkomstig is. Zij kan niet gelden als een bijkomende voorwaarde in de zin die [appellant] daaraan wil toekennen, te weten dat [geïntimeerde] wel een fee verschuldigd is als de opdrachtgever/derde die in dat geval niet betaalt. Het enige criterium voor de al dan niet verschuldigdheid van bemiddelingsfee in het onder 3.2 bedoelde geval is volgens de hoofdzin derhalve van welke partij de zoekopdracht is ontvangen. Indien deze van de opdrachtgever/derde afkomstig is en tussen haar en [geïntimeerde] een samenwerking tot stand komt, is [geïntimeerde] volgens de overeenkomst geen fee verschuldigd. [geïntimeerde] heeft de overeenkomst redelijkerwijs aldus mogen begrijpen, tenzij bijzondere omstandigheden aanwezig waren die tot een andere uitleg nopen. [appellant] heeft dergelijke omstandigheden echter niet aangevoerd en onvoldoende gemotiveerd gesteld waarom hij, ondanks de duidelijke bewoordingen van de bepaling, redelijkerwijs van een andere uitleg mocht uitgaan. Een en ander leidt tot de conclusie dat – ook al zou door de bemiddeling van [appellant] tussen[Z] advocaten en [geïntimeerde] een samenwerking tot stand zijn gekomen – volgens de overeenkomst tussen partijen [geïntimeerde] daarvoor geen bemiddelingsfee aan [appellant] verschuldigd is.

3.5.

Ten overvloede overweegt het hof dat in dit geval geen samenwerking tussen [geïntimeerde] en[Z] advocaten tot stand is gekomen en dat de situatie waarvan hier sprake is – te weten dat [B] zich twee jaar na de overeenkomst op individuele basis en eigener beweging heeft gewend tot [geïntimeerde] met het verzoek op [geïntimeerde]’ kantoor te Utrecht met hem samen te gaan werken, op grond waarvan een samenwerking is ontstaan – niet valt onder de situatie waarop de overeenkomst blijkens haar bewoordingen en de daaraan te geven uitleg het oog heeft, zodat niet kan worden gezegd dat dit het resultaat is geweest van enige bemiddeling door [appellant] en dat met name [geïntimeerde] daarvoor een vergoeding is verschuldigd.

3.6.

Bij deze stand van zaken behoeven de overige stellingen en weren van partijen geen bespreking meer.

3.7.

De grieven falen. Het hof passeert het bewijsaanbod van [appellant] omdat geen bewijs is aangeboden van concrete feiten en omstandigheden die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in appel.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 299,- aan verschotten en € 632,- voor salaris en op € 131,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.J. van der Kwaak, L.A.J. Dun en C.G. Kleene-Eijk en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2014.