Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:3000

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-07-2014
Datum publicatie
07-11-2014
Zaaknummer
200.128.761-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid hotelhouder ex art. 7:609 lid 1 BW? Vereisten. Gelet op aard locatie fietsen i.c. niet te kwalificeren als “zaken die in het hotel zijn meegebracht”. Geen afzonderlijke overeenkomst tot bewaarneming ex art. 7:600 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.128.761/01

zaaknummer rechtbank (Haarlem): 558345 CV EXPL 12-6733

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 juli 2014

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HOTEL-EXPLOITATIE [X] B.V.,

gevestigd te [plaats],

appellante in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

advocaat: mr. J.G.M. Nass te Gulpen,

tegen

1.[geïntimeerde sub 1],

wonend te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellant in het incidenteel appel,

advocaat: mr. L. Keukens te Amsterdam,

2. [geïntimeerde sub 2],

wonend te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel,

niet verschenen.

Partijen worden hierna [X], [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] genoemd.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

Bij dagvaarding van 8 februari 2013, hersteld bij exploot van 27 mei 2013, is [X] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Haarlem, sector kanton, locatie Haarlem (verder: de kantonrechter) van 14 november 2012, in deze zaak onder bovengenoemd zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] als eisers in conventie, verweerders in reconventie en [X] als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.

Tegen [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] is verstek verleend.

[X] heeft bij memorie drie grieven geformuleerd, een productie in het geding gebracht, bewijs aangeboden en geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw recht doende, in conventie de vorderingen van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] zal afwijzen en in reconventie [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] zal veroordelen om aan [X] ter zake van buitengerechtelijke kosten € 1.000,= dan wel het volgens de Commissie Voorwerk verschuldigde tarief te betalen (met wettelijke rente), en hen zal veroordelen in de kosten van beide instanties, de nakosten daaronder begrepen.

Nadat het tegen hem verleende verstek was gezuiverd, heeft [geïntimeerde sub 1] bij memorie de grieven van [X] bestreden. Tevens heeft hij daarbij incidenteel appel ingesteld. Hij heeft in het incidentele appel twee grieven geformuleerd, producties in het geding gebracht, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, in het principale appel (het hof begrijpt:) het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen en in het incidentele appel het vonnis waarvan beroep ten dele zal vernietigen en, opnieuw recht doende, [X] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 3.420,10 inclusief BTW althans een zodanig bedrag als het hof juist acht (met wettelijke rente), en, voorts, [X] zal veroordelen in de proceskosten van het geding (het hof begrijpt:) in het principale en het incidentele appel.

Bij memorie van antwoord in incidenteel appel heeft [X] de grieven van [geïntimeerde sub 1] bestreden, een productie in het geding gebracht en bewijs aangeboden, met conclusie, kort gezegd en naar het hof begrijpt, dat het hof het incidentele beroep zal verwerpen, met veroordeling van [geïntimeerde sub 1] in de proceskosten van het incidentele appel, de nakosten daaronder begrepen.

Ten slotte is arrest gevraagd op de stukken van beide instanties.

2 De feiten

De kantonrechter heeft in het vonnis waarvan beroep onder het kopje 'De feiten' een aantal feiten opgesomd. Omdat die feiten tussen partijen niet in geschil zijn, zal ook het hof daarvan uitgaan.

3 De beoordeling

3.1.

Het gaat in deze zaak, kort gezegd, om het volgende.

( i) [X] exploiteert een hotel in[adres] van St. Fyt (verder: het hotel).

(ii) [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hebben in verband met [Y] een kamer in het hotel geboekt voor het weekend van 16, 17 en 18 april 2010 en in dat weekend, samen met een derde, hun intrek in die kamer genomen.

(iii) In het hotel is het toegestaan meegebrachte fietsen op de kamers te plaatsen.

(iv) [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hebben renfietsen meegenomen die zij, in elk geval in de nacht van 17 op 18 april 2010, hebben gestald op het hotelterrein in een (deels) afgesloten ruimte.

( v) In de ochtend van 18 april 2010 bleken de fietsen van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] te zijn ontvreemd.

3.2.

[geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hebben in eerste aanleg, kort gezegd, veroordeling gevorderd van [X] tot betaling van € 6.821,25 (met wettelijke rente) aan hoofdsom en van € 700,= aan buitengerechtelijke kosten, alsmede de proceskosten. Zij hebben daartoe gesteld, kort gezegd, dat [X] krachtens een overeenkomst tot bewaarneming verplicht was de door [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] gestalde fietsen terug te geven en op grond van artikel 7:609 lid 1 BW aansprakelijk is voor de geleden schade. [X] heeft hiertegen verweer gevoerd. [X] heeft in eerste aanleg van haar kant gevorderd, kort gezegd, dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] worden veroordeeld tot betaling van € 1.000,= ter zake van kosten voor juridische bijstand althans buitengerechtelijke kosten, met wettelijke rente en proceskosten. Zij heeft daartoe gesteld, kort gezegd, dat zij door het ten onrechte door [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] ingenomen standpunt gedwongen is geweest kosten te maken die voor rekening van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] dienen te komen.

3.3.

De kantonrechter heeft in het vonnis waarvan beroep, kort samengevat en voor zover thans relevant, als volgt overwogen. Voor aansprakelijkheid van [X] op grond van artikel 7:609 BW is vereist dat de plek waar de fietsen waren gestald moet worden gekwalificeerd als “in het hotel” als bedoeld in die bepaling. Blijkens de overgelegde foto’s was daarvan in dit geval sprake. Daarbij is van doorslaggevend belang dat [X] de ruimte waarin [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hun fietsen hadden gestald zelf in haar brief van 17 mei 2010 als ‘fietsenstalling’ heeft aangeduid en ter zitting heeft gesteld dat de stalling in eerste instantie voor motoren was bedoeld. De stelling van [X] dat het niet redelijk zou zijn als zij verantwoordelijk zou zijn voor alle zaken die gasten in haar stalling plaatsen, moet als een beroep op eigen schuld worden aangemerkt. Dat beroep slaagt omdat uit de overgelegde foto’s blijkt dat de stalling aan één zijde wordt begrensd door een laag muurtje waardoor de stalling, ook als het hek dicht is, kan worden betreden door over het muurtje te klimmen en [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] – hoewel er andere mogelijkheden waren om de fietsen te stallen – desondanks hun fietsen in de stalling hebben geparkeerd. Deze omstandigheid moet zodanig aan [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] worden toegerekend dat dit de schadevergoedingsplicht van [X] met de helft vermindert. Uitgaande van een nieuwwaarde van de fiets van [geïntimeerde sub 2] in 2007 van ongeveer € 3.700,= en van die van [geïntimeerde sub 1] in 2009 van ongeveer € 3.200,=, van dagwaardes op 18 april 2010 van € 1.700,= respectievelijk € 2.000,= en van een bedrag van € 300,= dat [geïntimeerde sub 1] van zijn reisverzekeraar heeft ontvangen, komt dit neer op een aan elk van beiden te betalen bedrag van € 850,=. Van de zijde van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] zijn aanmerkelijk meer werkzaamheden verricht dan enkel ter voorbereiding van de procedure, zodat ter zake van buitengerechtelijke kosten een bedrag van € 178,50 toewijsbaar is. De door [X] gevorderde kosten voor juridische bijstand alsmede de subsidiair gevorderde buitengerechtelijke kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. Op grond van een en ander heeft de kantonrechter in conventie [X] veroordeeld tot betaling van € 1.700,= (met wettelijke rente) en € 178,50 aan buitengerechtelijke incassokosten, in reconventie de vordering van [X] afgewezen, in zowel conventie als reconventie [X] veroordeeld in de proceskosten en, ten slotte, het meer of anders gevorderde afgewezen.

3.4.

Met haar eerste grief in het principale appel betoogt [X] dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat in het onderhavige geval is voldaan aan de vereisten voor toepasselijkheid van artikel 7:609 lid 1 BW. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

3.5.

[geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hebben hun fietsen in de nacht van 17 op 18 april 2010 gestald op het hotelterrein van [X] in een slechts deels afgesloten ruimte. Uit de door [X] bij conclusie in eerste aanleg overgelegde foto’s van deze overdekte ruimte kan worden afgeleid dat deze ruimte weliswaar aan twee zijden werd begrensd door muren die tot aan het dak reikten en aan één zijde door een hoog stalen hek, maar dat die begrenzing aan één zijde bestond uit een relatief laag muurtje dat vrije toegang bood tot deze ruimte. Het ging hier dus om een deels open ruimte, hetgeen voor [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] – van wie vast staat dat zij hun fietsen daar zelf hebben geplaatst – kenbaar was. Het hof verwerpt de stelling van [geïntimeerde sub 1] dat dit laatste niet kenbaar was omdat direct achter het lage muurtje dichte beplanting stond. De aanwezigheid van beplanting achter het muurtje neemt immers niet weg dat zichtbaar was dat het om een laag muurtje ging, terwijl de enkele aanwezigheid van beplanting niet afdoet aan het feit dat de bedoelde ruimte aan die zijde, behoudens het muurtje, open was en aldus (betrekkelijk eenvoudig) voor derden toegankelijk. Mede gelet op de bedoeling van de wetgever (zie Parl. Gesch. Boek 7 (Inv. 3, 5 en 6), p. 409 en p. 411) betekent dit dat de fietsen van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] niet moeten worden aangemerkt als “zaken, die in het hotel [curs. hof] zijn meegebracht” als bedoeld in artikel 7:609 lid 1 BW. Voor zover [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hebben betoogd dat [X] op haar eigen website heeft vermeld dat tot de overige faciliteiten van het hotel onder meer “Gratis prive parkeergelegenheid met een afgesloten gedeelte voor fietsen en motoren” behoorde en [X] daarmee hen het vertrouwen heeft gegeven dat het om een geheel afsluitbare ruimte ging, verwerpt het hof dit betoog eveneens, omdat deze mededeling op zichzelf voor velerlei uitleg vatbaar is en [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] bovendien zelf hebben kunnen althans hebben moeten constateren dat het een deels open – en dus niet geheel afsluitbare – ruimte betrof. Een en ander leidt tot de conclusie dat [X] jegens [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] niet aansprakelijk is op grond van artikel 7:609 lid 1 BW.

3.6.

Voor zover [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2], op wie te dezen de stelplicht en bewijslast rusten, hebben betoogd dat de receptie van het hotel hun heeft meegedeeld dat de fietsen veilig konden worden geplaatst in de ruimte waar het om gaat – wat door [X] overigens wordt betwist – kan hen dit evenmin baten, omdat uit deze enkele mededeling, ook als deze is gedaan, niet kan worden afgeleid dat [X] aldus jegens [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] een zich voor aanvaarding lenend aanbod heeft gedaan tot het aangaan van een afzonderlijke overeenkomst tot bewaarneming in de zin van artikel 7:600 BW, althans [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] die mededeling niet aldus hebben mogen begrijpen. Dit geldt temeer nu [X] onweersproken heeft gesteld (zie onder meer conclusie in eerste aanleg onder 5) dat overal op haar terrein bordjes stonden met als tekst dat het parkeren/stallen of achterlaten van een voertuig/fiets of motor voor risico van de eigenaar is. Er bestaat derhalve evenmin grond [X] aansprakelijk te houden omdat zij jegens [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] zou zijn tekortgeschoten in een afzonderlijk tot stand gekomen overeenkomst tot bewaarneming.

3.7.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [X] niet aansprakelijk is voor het verlies van de fietsen van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] en dat grief 1 en grief 2 in het principale appel slagen. Omdat de grieven in incidenteel appel op een daaraan tegengesteld uitgangspunt berusten – te weten dat [X] wel aansprakelijk kan worden gehouden voor het verlies van de fietsen van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] – volgt uit het voorgaande tevens dat grief 1 en grief 2 in het incidentele appel falen.

3.8.

[geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hebben geen (voldoende concrete) feiten gesteld die, indien bewezen, tot een andere uitkomst moeten leiden, zodat hun bewijsaanbod als niet ter zake dienend wordt gepasseerd.

3.9.

Met betrekking tot de vordering van [X] ter zake van de buitengerechtelijke kosten overweegt het hof dat voor zover deze vordering, mede in het licht van het in eerste aanleg op dit punt aangevoerde, moet worden begrepen als een vordering tot betaling van juridische kosten gebaseerd op onrechtmatige daad, deze vordering niet voor toewijzing in aanmerking komt, omdat daarvoor nodig is dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] misbruik van procesrecht hebben gemaakt door de onderhavige procedure te entameren en daarvoor geen dan wel onvoldoende feiten door [X] zijn gesteld. Voor zover deze vordering moet worden begrepen als enkel een vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten overweegt het hof dat voor toekenning van deze kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW onder meer is vereist dat de schuldeiser, die deze kosten vordert, stelt en specificeert dat deze kosten zijn gemaakt in verband met andere verrichtingen dan die waarvoor de in de artikelen 237 tot en met 240 Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten. Aan de eisen, die aan een dergelijke specificatie moeten worden gesteld, heeft [X] echter niet voldaan, zodat het hof deze vordering zal afwijzen. Een en ander brengt mee dat grief 3 in het principale appel faalt.

3.10.

De slotsom luidt als volgt. Het principale appel slaagt, terwijl het incidentele appel faalt. Het vonnis waarvan beroep zal, voor zover in conventie gewezen, worden vernietigd en voor het overige worden bekrachtigd. De vordering van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] zoals in eerste aanleg ingesteld zal worden afgewezen. [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] zullen als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het geding in eerste aanleg in conventie alsmede in die van zowel het principale als het incidentele appel.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover in conventie gewezen, en, in zoverre opnieuw recht doende:

a. awijst de vordering van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] af;

bveroordeelt [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] in de proceskosten van het geding in eerste aanleg in conventie en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van [X] gevallen, op nihil aan verschotten en € 300,= aan salaris gemachtigde;

bekrachtigt dit vonnis voor het overige;

veroordeelt [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] in de proceskosten van het geding in het principale appel en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van [X] gevallen, op € 762,97 aan verschotten en € 632,= aan salaris advocaat;

veroordeelt [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] in de proceskosten van het geding in het incidentele appel en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van [X] gevallen, op nihil aan verschotten en € 316,= aan salaris advocaat;

verklaart de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.F.M. Cortenraad, M.A. Goslings en D.J. van der Kwaak, en is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2014 door de rolraadsheer.